|
- De Hersenen

Het belangrijkste deel van het centrale zenuwstelsel. De
mogelijkheden die de menselijke hersenen bieden, worden als het voornaamste
verschil tussen mensen en dieren beschouwd. De hersenen maken dat we ons bewust
zijn van ons bestaan. Volgens de huidige theorieën zijn dieren zich wel bewust
van hun omgeving, maar dit bewustzijn is minder ver ontwikkeld dan bij de mens.
Als we de structuur en de ontwikkeling van de menselijke hersenen vergelijken
met die van het dier, is de overeenkomst opvallend. De hersenen ontwikkelen zich
als een uitgroeisel van het ruggenmerg. In de volledig ontwikkelde hersenen
kunnen we vier delen onderscheiden: het verlengde merg, de achterhersenen, de
middenhersenen en de voorste hersenen. Bij apen en bij de mens heeft het voorste
deel zich zover ontwikkeld dat dit over de andere hersendelen is uitgegroeid.
Men spreekt van grote hersenen (cerebrum), bestaande uit twee symmetrische
hemisferen (hersenhelften). De buitenste laag is de schors (cortex). Het
middendeel van de hersenen (thalamus) is een aftakking van de onderzijde van de
voorste hersenen. Het bevat twee belangrijke regulerings- en schakelcentra, de
thalamus en de hypothalamus. Onderaan de hypothalamus bevindt zich nog een klein
hersenaanhangsel, de hypofyse, dat voor een groot deel wordt bestuurd door de
hypothalamus. In de thalamus worden sensibele prikkels vanuit het ruggenmerg
uitgeselecteerd en overgeschakeld naar de grote hersenen. Het achterste deel
heeft zich ontwikkeld tot de kleine hersenen (cerebellum), die eveneens uit twee
gelijke helften (hemisferen) bestaan. Deze dienen voor bewegingscontrole en -coördinatie.
De hersenstam bevat het verlengde merg (medulla oblongata) en gaat aan de
onderzijde over in het ruggenmerg. In het verlengde merg bevinden zich
structuren die van belang zijn voor de vitale functies (ademhaling, bloeddruk,
slaap).

De twee hemisfreren van de grote hersenen worden door een
brugvormige structuur, de zogenoemde hersenbalk (corpus callosum), met elkaar
verbonden. Via deze hersenbalk staan zenuwcellen van de twee hersenhelften met
elkaar in contact en worden de activiteiten van beide helften op elkaar
afgestemd. De linkerhersenhelft stuurt de rechterlichaamshelft en de
linkergelaatshelft, de rechterhersenhelft stuurt de linkerlichaamshelft en de
rechtergelaatshelft. Het oppervlak van de hersenhelften is sterk geplooid,
waarbij een specifiek patroon van windingen (gyri) en groeven (sulci) ontstaat.
Door deze windingen wordt het oppervlak van de grijze stof sterk vergroot. De
beide hersenhelften worden onderverdeeld in vier kwabben, aan de hand van het
groevenpatroon van het hersenoppervlak. Hoewel de hersenhelften anatomisch
gesproken gelijk zijn, is hun functie verschillend. Een van de twee - meestal de
linker- - is de dominante hersenhelft. Dit verklaart dat de meeste mensen
rechtshandig zijn: elke hersenhelft stuurt de bewegingen van de
tegenovergestelde lichaamshelft. Ook het spraakvermogen zetelt meestal in de
dominante lichaamshelft, dus meestal de linker-. Als gevolg van het verschil
tussen de hersenhelften zal het effect van een beschadiging van de hersenen
afhangen van de plaats van de beschadiging. Een beschadiging van de
linkerhersenhelft zal vaak leiden tot spraakstoornissen en afname van de
spierkracht in de rechterlichaamshelft, tot volledige verlamming toe.
Beschadiging van de rechterhersenhelft leidt in het algemeen niet tot
spraakstoornissen, maar wel tot verlamming van de linkerlichaamshelft (armen en
benen). De dominante hersenhelft wordt ook beschouwd als de zetel van het
logisch denken. Deze helft is gespecialiseerd in het geordend verwerken van
informatie, essentieel om goed te kunnen lezen, schrijven of spreken. Hierdoor
kunnen we dingen herleiden en redeneren. De niet-dominante hersenhelft is
gespecialiseerd in de oriëntatie van het lichaam in de ruimte. Daarnaast is het
begrijpen van visuele kunst en muziek in deze hersenhelft gelokaliseerd. De
dominante hersenhelft neemt de algebra voor zijn rekening, de niet- dominante
hemisfeer de geometrie.
De kleine hersenen liggen achter/onder de grote hersenen en
ontwikkelen zich uit de achterhersenen. Ze bestaan uit twee symmetrische
hersenhelften, die echter veel kleiner zijn dan de beide helften van de grote
hersenen. De kleine hersenen zijn met de hersenstam verbonden door drie stammen.
Deze verbinden de schors van de grote hersenen, het ruggenmerg en de hersenstam
met de kleine hersenen, zodat ze informatie uit deze hersendelen naar de kleine
hersenen kunnen overbrengen. De kleine hersenen werken als een zeer ingewikkelde
computer, die verantwoordelijk is voor de coördinatie van bewegingen en
houding. Aanspanning en ontspanning van de spieren worden met elkaar geïntegreerd,
zodat de bewegingen volkomen soepel verlopen. Daarnaast zijn ze betrokken bij
het bewaren van het evenwicht, omdat ze uit het lichaam en uit de
evenwichtsorgaantjes in het oor informatie over de houding ontvangen en kunnen
verwerken. Iemand met een beschadiging van de kleine hersenen kan wel lopen en
zijn spieren bewegen, maar doordat de bewegingen niet worden gecoördineerd, is
de loop haperend en veel te breed, als bij een dronken man.
De hersenstam verbindt de hersenen met het ruggenmerg. In de
hersenstam bevinden zich centra die vitale functies besturen, buiten het
bewustzijn om. Voorbeelden hiervan zijn de regulering van de bloeddruk, de
hartfrequentie, de spierspanning van de vaatwanden en de controle over
ademhaling en lichaamstemperatuur. Het bewustzijn wordt gereguleerd door de
reticulaire formatie, die ook een belangrijke rol speelt bij de regeling van de
slaap.
|