|
Aan
de buitenkant van de hersenen is de grijze stof van de hersenschors gelegen, die
uit cellichamen van zenuwcellen bestaat. Binnenin de hersenen bevindt zich de
witte stof. Dit zijn de uitlopers van de zenuwcellen, waardoor de diverse delen
van de hersenen onderling en met het ruggenmerg verbonden zijn. De witte kleur
is het gevolg van de isolerende laag waarmee deze uitlopers zijn omgeven. De
hersenen bevatten miljarden zenuwcellen. Zij zijn reeds aanwezig vanaf de
geboorte, hetgeen verklaart waarom baby's een naar verhouding groot hoofd
hebben. Het aantal zenuwcellen neemt nooit toe; wel worden de cellichamen groter
en vindt verdere isolering van de zenuwvezels plaats gedurende de eerste
levensjaren. Na de puberteit zet het verouderingsproces van het zenuwstelsel
reeds in en beginnen de hersencellen af te sterven, met een snelheid van
ongeveer 50.000 per dag. Dit betekent dat zo'n 20 miljoen cellen per jaar
afsterven. Deze degeneratie van hersencellen zal normaal gesproken pas op hoge
leeftijd merkbaar worden, doordat de reservecapaciteit van de hersenen enorm
groot is.
|