Radioamateurisme

ON6XLkortani

 

Mijn getuigschriften en zendvergunningen   klik

Ik heb deze activiteit gestaakt vanaf begin 2016.
De zendvergunningen werden ingezonden naar het BIPT.

Mijn getuigschriften blijven geldig, er kan dus altijd opnieuw een zendvergunning gevraagd worden.

 

QSO via internet à http://www.qsonet.com/ met Cormac CQ100

 

cormkl

Mijn zendstation via internet vanaf december 2006

 

QSO via internet   http://www.echolink.org/ met contact via repeaters

Internationale call opzoeken : http://hamcall.net/call

Belgische Call opzoeken enz:  http://www.hamradio.be/

Landcodes:  dxcc

 BIPT Vergunningen: http://www.bipt.be/nl/274/ShowDoc/1470/Radioamateurs/toegekende_roepnamen.aspx

Email naar BIPT:  mailto:freqradhaz@bipt.be

 

on6xlappartuur2

Mijn zendstation in de jaren 1977 tot 1988

 

tx

 

Radioamateur ON6XL sedert 1977      ex DA1PJ (BSD –Duitsland 1977-1978)
Brevet van privaat radiotelegrafist en radiotelefonist.

Zendmachtigingen voor:
Vast station
Mobiel station
Station op andere plaats
Rode Kruis noodnet
Telex via zendapparatuur
Experimenteel TV zendstation
Packet radio

Machtiging (dit is geen CB) om te zenden op:
HF 
80-, 40-, 20-, 15- en 10-meterband (3,5-3,8 Mhz, 7,0-7,1 Mhz, 14,0-14,35 Mhz, 21,0-21,45 Mhz, 28-29,7 Mhz)
Modulatiepypes:   AM, SSB, CW, RTTY
VHF 
70-cm- en 2-meterband (430-440 Mhz en 144-146 Mhz)
Modulatietypes FM, SSB
en TV

 

Klik hier en je surft naar de website van Vlaamse Wereldomroep (RVI)
Klik hier en je surft naar de website van de VRT  

 

 

Download RXCLUS Telnet & Packet-radio client software    http://www.hb9bza.net

Commando’s:  Telnet – login met uw call – c on0abt – m

Bericht zenden:  SP (call ontvanger)

In conferentie gaan: = (call gesprekspartner)

Afsluiten: q   q   q

 

 

Enkele antenne-types

typesant

De lengte van de antenne moet in overeenstemming zijn met de golflengte waarop de zender uitzendt.
Hoe langer de golflengte hoe langer ook de antenne moet zijn.
Hoe korter de golflengte, hoe korter ook de antenne moet zijn.

lengteant

 

Het is FOUT te denken dat een langere antenne steeds een beter resultaat geeft.
Bij ontwerp van een antenne zal men hiermee rekening moeten houden en de nodige berekeningen moeten doen (zendfrequentie omrekenen naar golflengte en lengte van de antenne hieruit afleiden).
golflengte (in meter)  =   300.000 : zendfrequentie (in KiloHerz)    
Voorbeeld 1: zendfrequentie = 3,5 Mhz (= 3.500 Khz)    geeft als golflengte:  300.000 : 3.500 = 85 m
Voorbeeld 2: zendfrequentie = 144 Mhz (= 144.000 Khz)    geeft als golflengte:  300.000 : 144.000 = 2 m
Verder is ook de plaats waar de voedingslijn op de antenne wordt aangesloten van belang.
Aan een uiteinde... juist in het midden... of op 1/4 van een uiteinde... enz (een en ander afhankelijk van het type antenne dat men bouwt).
Wanneer de antenne de juiste lengte heeft en het aankoppelingspunt van de voedingslijn op de juiste plaats zit, zal AL de door de zender opgewekte zend-energie door de antenne worden uitgestraald.
Wanneer de antenne echter niet op juiste lengte is (te kort of te lang) of het aanknooppunt van de voedingslijn op een verkeerde plaats zit, krijgen we te doen met veel SWR in dat geval geraakt slechts een gedeelte van de zend-energie tot in de antenne... er treden dan staande golven op in de voedingskabel... de antenne krijgt dan slechts een klein deel van het door de zender opgewekte zend-vermogen om uit te stralen... de eindlampen (transistoren) van de zender worden dan zwaar belast.
Om staande golven te kunnen opsporen wordt een SWR-meetbrug (2 meetinstrumentjes) in de voedingslijn tussen zender en antenne geplaatst.

 

Goed afgestemde antenne ZONDER SWR:

geenswr

Telkens de seinsleutel ingedrukt wordt, loopt AL de zend-energie via de voedingslijnnaar de antenne.
Op het linkse instrument zien we de zender 100% zend-energie aan de voedingslijn afgeven (volle uitslag naar rechts).
Het rechtse instrument dat de SWR meet slaat helemaal niet uit... er zijn geen staande golven in de voedingslijn.
De antenne straalt AL de door de zender opgewekte energie ook uit.

Slecht afgestemde antenne met  VEEL SWR:

welswr

Telkens de seinsleutel ingedrukt wordt, loopt er zend-energie via de voedingslijn naar de antenne.
Op het linkse instrument zien we de zender 100% zend-energie aan de voedingslijn afgeven (volle uitslag naar rechts).
Het rechtse instrument (dat de SWR meet) slaat echter uit tot in het rode gedeelte... er zijn dus veel staande golven in de voedingslijn.
Slechts een klein gedeelte van de door de zender opgewekte zend-energie geraakt tot in de antenne. De antenne straalt veel minder uit dan in het eerste geval.
De door de zender opgewekte energie gaat voor een groot deel verloren (door de staande golven in de voedingslijn omgezet in warmte).  

Vanaf  wat langere golflengtes is het niet mogelijk de antenne met STAVEN uit te voeren (te lang.. ze zouden doorplooien).... men zal dan overgaan tot het ophangen van een DRAADantenne. Voorbeeld: 14 Mhz (is nog korte golf gebied) golflengte = 300.000 : 14.000 = 21,4 meter ... de dipool wordt dan 10,7 meter lang !

dipoflat

Bij de DRAADantennes wordt de dipool heel veel gebruikt gezien haar efficiëntie en eenvoud van opbouw.
Hierboven zien we een voorbeeld van een dipoolantenne. Ze is in totaal een halve golflengte lang. De dipool wordt gevormd door twee draden van elk een vierde golflengte (in't midden van elkaar gescheiden). De afvoerleiding (naar de ontvanger) zit precies in het midden en is hier uitgevoerd met LINT-kabel. Lintkabel heeft echter wel nadelen (verliezen en invloed door zaken waarlangs de lijn passeert zoals muren, ramen, enz)... er mogen geen korte bochten mee gelegd worden.... en de lintkabel moet met speciale klemmen op een zekere afstand van de muren gehouden worden.... daarom wordt heden ten dage bijna nog uitsluitend COAX-kabel gebruikt... zie hieronder:

dipocoax

De opbouw van de dipool is identiek aan de vorige... maar de verbinding met de zender (of ontvanger) wordt nu met een coax-kabel gerealiseerd.
Coax kent minder verliezen dan lintkabel, kan in korte bochten gelegd worden... en wordt niet beïnvloed door dingen waarlangs de kabel passeert.
Als men de antenne (coax incl) in 't midden bekijkt is ze niet meer volledig symetrisch. Aan de linkse halve dipool zit de binnengeleider van de coax vast, en aan de rechtse halve dipool zit de afschermmantel (buitenmantel) van de coax vast.  Bij gebruik van coax kan men zeggen dat de antenne in een "Unbalanced" toestand is.
Alhoewel de dipool op die manier zonder enig probleem goed functioneert kan ze nog geoptimaliseerd worden door het plaatsen van een BALUN-trafo... zie hieronder:

balun

De voedingskabel wordt dan via een BALUN-trafo op de antenne aangesloten. De BALUN zorgt voor de overgang van de onsymetrische coax (Unbalanced) naar de symetrische (Balanced) antenne en aanpassing van de impedantie.

Impedantie: Zowel de antenne als de voedingslijn heeft een zekere impedantie (wisselstroomweerstand), afhankelijk van de opbouw en de gebruikte isolatiematerialen van antenne en voedingslijn.  Een BALUN-trafo past niet enkel Balanced aan op Unbalanced, maar kan tezelfdertijd voor overgang van de ene naar de andere impedantie zorgen.
Impedantie is een wat complexe materie waarop we hier niet verder in gaan !
Men vindt lintkabels met impedanties van bvb 240 tot 300 Ohm en coaxkabels met impedanties van 50 to 75 Ohm.

Wanneer we met wat kortere golven te doen krijgen (bvb radio FM... of TV) zal ook de dipool korter worden en kan ze zelfdragend in metalen staafjes uitgevoerd worden ipv met lange opgehangen draden. (vb: VHF 97 Mhz - FMradio.... geeft als golflengte 3 m... de ganse dipool zal dan slechts 1,5 m lang zijn en kan zelfdragend gebouwd worden).

KUNSTGREPEN om met één antenne op meerdere golfbereiken te kunnen werken:
Stel... je bent radioamateur en je wil uitzendingen doen (en ontvangen) in HF op de 80, 40, 20, 15 en 10-meterband.
Dit is een zeer frequent voorkomend geval !    Je hebt dan 5 horizontale dipoolantennes nodig:
één van 40 meter, één van 20 meter, één van 10 meter, één van 7,5 meter en één van 5 meter
Je kan deze 5 antennes combineren tot één enkele antenne en slechts met één coax-kabel verbinden met je zender (of ontvanger):

5banddip

Nog een andere mogelijkheid is bvb de zogenaamde W3DZZ-antenne:
Hierbij wordt één enkele DRAAD-antenne, de ene keer elektrisch langer gemaakt en de andere keer elektrisch korter gemaakt, om ze alzo af te stemmen op de gewenste band; de mechanische lengte wijzigt niet en is in ons voorbeeld zo'n 33 meter.
Om dat te bereiken worden op welbepaalde plaatsen in de antennedraad een combinatie van spoelen en condensatoren opgenomen.
Deze gecombineerde spoelen met condensatoren vormen zogenaamde "afgestemde kringen"... die de ene keer een afsluiten van een antennestuk betekenen en de andere keer een verlenging teweeg brengen (afhankelijk van de frequentie waarop gewerkt wordt).

w3dzz

In de praktijk zitten die spoelen en condensatoren opgesloten in een omhulsel (bescherming tegen vocht en UV -straling).
De antenne hierboven (met afgestemde kringen op 7050 KHz = 7,05 MHz) is geschikt om te werken op veelvouden of deelvouden van 7050 KHz.
De antenne werkt dus voor de frequentiebanden  3,7 MHz,   7,05 MHz   14,1 MHz,   21,2 MHz,   28,4 MHz en dat komt overeen met de 5 radioamateurbanden op HF (korte golven).

Niet alleen in draadantennes kunnen afgestemde kringen opgenomen worden... maar ook in zelfdragende yagi's:
Hieronder zien we een reuze yagi bestemd voor het werken op 3 banden van de korte golf
Het is een zelfdragende constructie die men bovendien op een draaibare motor aanbrengt zodanig dat de straalrichting van de yagi (steeds naar kant van de director) in gelijk welke richting kan gedraaid worden. Zowel in de dipool als in reflector en director zijn meerdere afgestemde kringen opgenomen om de antenne elektrisch te verlengen (of af te sluiten) voor de juiste frequentieband.
Op die manier kan men met één reuze yagi... werken op 3 frequentiebanden van de korte golf.

3bandbeam

Vertikale Staaf-antennes  
Hieronder terug een voorbeeld om op 5 amateur-HF-banden te kunnen werken maar dan met een staafantenne:
Met zogenaamde "verlengingsspoelen" of “afgestemde kringen” zorgt men er voor dat elk gedeelte van de staafantenne voor elke specifieke frequentieband "elektrisch langer lijkt" dan dat deel van de staafantenne in werkelijkheid is.
Voor de langste golflengte (80 m) wordt een grote verlenginsspoel gans bovenaan voorzien; zonder deze kunstgreep zou de staafantenne voor de 80m-band immers 20 m hoog moeten zijn terwijl alzo een lengte van bvb slechts 8m volstaat.
Op de grond worden radials (koperen draden) gelegd om de de antenne grondwaterpeil-onafhankelijk te maken... en voor een stabiele SWR te zorgen. De radials zijn niet met de staafantenne verbonden maar wel met de buitenmantel van de antenneleiding (coax).

5bandgp

Onderverdeling der Frequenties

 

Frequentie

Golflengte

Opmerking

VLF

beneden 30 KHz

boven 10.000 meter

door ons oor opvangbare geluiden

LF

30 - 300 KHz

10.000 - 1.000 meter

Radio: Lange golf (AM)

MF

300 - 3.000 KHz

1.000 - 100 meter

Radio: Midden Golf (AM)

HF

3 - 30 MHz

100 - 10 meter

Radio: Korte golf (morse, AM, SSB)

VHF

30 - 300 MHz

10 - 1 meter

Radio: FM-band + een gedeelte van TV-band

UHF

300 - 3.000 MHz

100 - 10 centimeter

een gedeelte van TV-band + allerlei zenddiensten

SHF

3.000 - 30.000 MHz

10 - 1 centimeter

Allerlei zenddiensten + radar enz

EHF

30.000 - 300.000 MHz

10 - 1 millimeter

 

Niet alle frequenties zijn vrij toegankelijk... op een gewoon radiotoestel tref je daarom uitsluitende de voor het publiek vrij toegankelijke gedeeltes van frequentiebanden.

Propagatie en MUF:
"Propagatie" en "MUF" zijn van groot belang voor het bepalen van de frequentie waarop dient uitgezonden te worden.
Het is een complexe materie... afhankelijk van de 11-jarige zonnevlekkencyclus en velerlei andere factoren.

Propagatie:
Een radiogolf plaatst zich min of meer rechtlijnig voort vanaf de zendantenne met een snelheid van 300.000 Km per seconde.
Op zijn weg van zendantenne naar ontvangstantenne ondergaat het signaal diverse invloeden. Deze invloeden en de gevolgen ervan op het radiosignaal noemen we propagatie.
Elektromagnetische golven zijn er met sterk verschillende frequentie, van enkele Hz tot duizenden GigaHerz (zie hierboven).  De propagatie-invloeden zijn verschillend naargelang de frequentie !  (zie verder).

Verzwakking
:
De sterkte van het signaal neemt af naarmate de afstand van de zendantenne groter wordt.
Bij verdubbeling van de afstand neemt de energie van het signaal af met een factor 4... dit is een vast gegeven.

Absorptie
:
Buiten de verzwakking (zie hierboven) ondergaat het radiosignaal ook nog absorptie door botsing met de in de atmosfeer aanwezige elektronen, ionen en atomen... de grondgolf wordt bovendien door het aardoppervlak geabsorbeerd.  

Afbuiging:
De elektromagnetische radiogolven worden beïnvloed door magnetische en elektrische velden.
Een erg belangrijke invloed is het aard-magnetisch veld dat een zware invloed heeft op de oppervlakte-golf (zie verder)  

Reflectie:
Zoals licht door een spiegel weerkaatst (of afgebogen) wordt, zo worden ook radiogolven weerkaatst (of afgebogen) door diverse objecten.
De belangrijkste reflector voor radiogolven is de ionosfeer
De ionosfeer reflecteert een belangrijk deel van het radiofrequentie-spectrum, n.l. het KORTE GOLF gebied (3 - 30 MHz). Op deze frequenties kunnen dank zij die reflectie afstanden rond de ganse wereld gerealiseerd worden !
Bij reflectie op voorwerpen moeten de afmetingen ervan gelijk zijn aan, of groter dan de golflengte van het zendsignaal.
Bij reflectie in de ionosfeer moet de dichtheid van de geïoniseerde lagen groot genoeg zijn om een bepaalde frequentie nog te reflecteren; mede daardoor worden golflengtes van frequenties boven de 30 MHz niet of nauwelijks gereflecteerd.
Voor de verschillende frequentiebanden verschillen ook de (hierboven besproken) invloeden op de propagatie.

Lage frequentie's (grote golflengtes) worden het meest beïnvloed door grote objecten, door aard-magnetisch veld, en absorptie in atmosfeer (op radiogebied treffen we hier de lange- en middengolf).
De energie in de golf wordt tijdens haar voortplaatsing geleidelijk geabsorbeerd door de aarde. Ook de geleidbaarheid van de aarde heeft invloed op de reikwijdte; over zee gaat het daarom verder dan over land.

Frequenties tussen 1 en 30 MHz (daarin ook het korte golfbereik) ondervinden de meeste invloed van de ionosfeer (reflectie).
Frequentie's hoger dan 30 MHz worden niet gereflecteerd door de ionosfeer

Hogere frequentie's,
boven de 30 MHz, (radio FM,  TV-banden,  allerlei andere zend-diensten) worden beïnvloed door natuurverschijnselen zoals hoge druk gebied, temperatuursinversie, reflecties door huizen en gebouwen.   Frequenties boven de 5 GHz worden bovendien beïnvloed door wolken en regenbuien.

Het wordt duidelijk dat ingevolge al deze propagatie-invloeden (verzwakking, absorptie, afbuiging) enkel de frequentie's tussen 1 en 30 MHz in aanmerking komen om via reflectie in de ionosfeer VERRE afstanden te kunnen overbruggen (zonder van satellieten te moeten gebruik maken).

De radiogolven verliezen tijdens hun voortplaatsing in de atmosfeer, aan de grond, vooral energie door verzwakking en door absorptie door het aardoppervlak. De reikwijdte is afhankelijk van zendfrequentie en zendvermogen maar wordt aan het aardoppervlak steeds sterk beperkt

afbuigabsor

Op VHF (boven de 30 MHz) is de reikwijdte aan het aardoppervlak beperkt tot de optische horizon want op deze frequentie's heeft het aard-magnetisch veld veel minder invloed  waardoor de golven niet met de ronding van de aarde worden afgebogen.... en achter de horizon in de ruimte verdwijnen.

afbuigsamen

We zien dus dat we in 't algemeen door afbuiging, absorptie en verzwakking in reikwijdte beperkt zijn in de atmosfeer aan het aardoppervlak (vooral voor lange-, midden- en korte golf).... maar dat radiogolven met frequenties boven de 30 MHz achter de horizon in de ruimte verdwijnen en veel minder last hebben van die afbuiging en absorptie.

Een interessant frequentiegebied is dat tussen 1 en 30 MHz.
Aan het aardoppervlak in de atmosfeer ondergaan ook deze golflengtes verzwakking en absorptie maar achter de horizon dringen ze in de ruimte door,  echter met die beperking, dat ze door diverse geïoniseerde lagen (ionosfeer) kunnen worden gereflecteerd.
Van dit fenomeen gaan we handig gebruik maken om (zoals men een steen over het water laat ketsen) de golven tussen aardoppervlak en ionosfeer te laten over en weer ketsen (zie hieronder).
Op de plaatsen waar de door de ionosfeer teruggekaatste golf terug op aarde komt is ze goed te ontvangen (zie rode gebieden hieronder)

ionokaats

Dank zij reflectie in de ionosfeer, hebben we nu ontvangst tot ver voorbij de horizon... afhankelijk van frequentie en graad van ionisatie geraakt men soms tot de andere kant van de aarde.
Hoe verder van de zender verwijderd... hoe zwakker uiteraard ook hier het signaal.!

Er zijn echter ook grote "dode zones" waarin de zender dan NIET te ontvangen is (zie zwarte gebieden hieronder)

dodezone

Door een andere kortegolf frequentie te kiezen (die daardoor een andere reflectiehoek ondergaat in de ionosfeer en op het aardoppervlak), komt men met de golven op andere plaatsen terecht en is dáár ontvangst mogelijk (zie rode gebieden hieronder).

anderfreq

Door het kiezen van een zendfrequentie bepaalt men hoe groot de sprongen zijn en dus ook, WAAR men wil gehoord worden (maar invloed van complexe 11-jarige zonnevlekkencyclus  -> MUF).    
Ook de dode zones verschuiven hierbij.
Het is dus mogelijk om door een andere zend-frequentie te kiezen op een andere plaats op de wereld gehoord te worden.
Door een andere zendfrequentie in te stellen verandert de weerkaatsingshoek op de ionosfeer (zie MUF wat verder).
Het is dus NIET door het zendvermogen te verhogen dat men verder ontvangen wordt... maar wel door een andere frequentie te kiezen.
Dit alles echter uitsluitend op de kortegolfbanden tussen 1 en 30 MHz.

Frequentie's BOVEN de 30 MHz worden niet weerkaatst, onafgezien van het feit of ze nu schuin invallen op de ionosfeer, of minder schuin, ze verdwijnen steeds in de ruimte... gelukkig maar want anders was geen communicatie met ruimtesondes mogelijk (zie hieronder)

vhfuhf


MUF (Maximum Usable Frequency):
Afhankelijk van de ionistiegraad van de lagen in de ionosfeer, zal een bepaalde frequentie BENEDEN de 30 MHz:

bij TE WEINIG ionisatie
helemaal niet meer weerkaatst worden (ongeacht de invalshoek op de ionosfeer).    (zie hieronder)

weinigio

bij VEEL ionisatie zelfs nog weerkaatst worden bij loodrechte inval op de ionosfeer (zie hieronder)

veelio

bij MATIGE ionisatie nog maar alleen bij inval op de ionosfeer binnen een niet te scherpe hoek weerkaatst worden; golven (van dezelfde frequentie) die met een kleinere hoek de ionosfeer treffen verdwijnen in de ruimte (zie hieronder)

imatigio

De hoogste frequentie die nog net door de ionisatielaag weerkaatst wordt noemen we MUF (Maximum Usable Frequency).
Hoe hoger de graad van ionisatie... hoe hoger de frequentie (op de korte golfbanden) mag zijn, die nog kan weerkaatst worden.
Hoe lager de graad van ionisatie... hoe lager de frequentie moet zijn om nog weerkaatst te kunnen worden.

Aangezien we grote sprongen willen maken tot ver voorbij de horizon is voor ons die MUF van groot belang.
MUF geeft voor ons aan welke de hoogste frequentie zal zijn (op de korte golfbanden... steeds beneden 30 MHz) die we op dat ogenblik kunnen gebruiken waarbij ze bij schuin invallen op de ionisatielaag nog net weerkaatst worden.
Alle hogere frequenties gaan op dat ogenblik verloren in de ruimte.
Alle lagere frequenties (op die korte golfbanden) zijn wel bruikbaar.
MUF is voor ons van groot belang aangezien daardoor bepaald wordt, welk gedeelte van de korte golfbanden op een bepaald ogenblik bruikbaar is.
Wanneer tijdens een radiocontact de graad van ionisatie en daardoor de MUF daalt, kan het contact wegvallen.
De graad van ionisatie van de ionosfeer wordt in grote mate bepaald door een 11-jarige zonnevlekkencyclus en door de stand van de zon (seizoencyclus en dag- en nachtcyclus). De ionisatiegraad is daardoor op elk ogenblik van het jaar en op elk ogenblik van de dag anders !

zonio

Alhoewel vooral de seizoenen een rol spelen voor de MUF, is er toch ook een dag-nachtcyclus waar te nemen.
Aan de kant van de zon (grotere ionisatie) kunnen hogere frequenties gebruikt worden (hogere MUF) dan aan de kant waar het nacht is.
Voor wat de seizoencyclus betreft zijn ganse bandgedeeltes (bvb:10- en 15 meterband) gedurende de winter gesloten; er kan dan alleen op de lagere frequentiebanden (20-, 40- en 80-meterband) van de korte golf gewerkt worden.
Het bepalen van een zendfrequentie (op een bepaald uur, van een bepaalde dag, van een bepaald jaar) om verbinding te hebben via de korte golf, met een bepaalde plaats op aarde... is ingevolge al die invloeden een complex gegeven.
Er bestaan dan ook naslagwerken met tabellen (die rekening houden met de 11-jarige zonnevlekkencyclus en de seizoenen) waarin je kan opzoeken op welke frequentie je op een bepaald moment best werkt. 

Volledigheidshalve wil ik nog vermelden dat de ionosfeer uit meerdere weerkaatsende lagen bestaat:
Die verschillende lagen hebben elk hun eigen MUF
Naargelang de laag waarop de weerkaatsing plaats grijpt krijg je dan ook een grotere of een kleinere sprong.
De lagere frequenties worden door de E-laag weerkaatst wat hogere frequenties door de F-lagen.

f1f2

Fading:
Wanneer een radiogolf vanaf de zender door weerkaatsing via diverse wegen, twee maal tot bij de ontvanger geraakt (de ene weg al dan niet langer dan de andere) ontstaat fading.
De ontvangstantenne krijgt het signaal dan twee maal aangeboden.
Wanneer het tweede signaal in fase is met het eerste, wordt het signaal versterkt (afgelegde weg even lang)
Wanneer het tweede signaal in tegenfase is met het eerste, wordt het signaal verzwakt (afgelegde weg niet even lang)
Dit fenomeen manifesteert zich door een aanhoudend luider en dan weer zwakker worden van de verbinding.
In het voorbeeld hieronder zien we dat de ontvanger de golf twee maal krijgt aangeboden... één keer door één enkele sprong via de ionosfeer en nog eens door een dubbele sprong via de ionosfeer.

fading

 

Morsealfabet:

morse.jpg

Morse-examen:
Om te slagen in het morse-examen diende de kandidaat:

1. een geseinde morse-tekst direct en foutloos in klare tekst te kunnen neerschrijven en dit aan een snelheid van 60 tekens (letters, cijfers, leestekens enz) per minuut.

2. een hem voorgelegde geschreven tekst foutloos te kunnen seinen aan een snelheid van 60 tekens per minuut.


Terug naar overzicht “Bezigheden Eric”