De dwergkoning Finn in de Edda


Edda en de Codex Regius

Wie zich interesseert voor het geloof en de ordening van de wereld van onze verre voorouders uit de vroege Europese geschiedenis, die moet zeker de geschriften van de Edda doornemen. Onder de titel Edda vallen twee verzamelingen: de Oude Edda en de Jonge Edda. Deze Oud-Noorse geschriften zijn samen de belangrijkste bron van kennis over de Oud-Noors, Germaanse mythologie van Europa.

Snorri Edda, de jongste heldendichtbundel Een geillustreerde pagina uit de Snorri Edda Een illustratie van de god Odhinn

De Oude Edda

De Oude Edda is ook bekend onder de naam Saemondar-Edda, Poëtische Edda of Lied-Edda. Dit deel werd enige tijd volledig, maar dan wel ten onrechte zo blijkt, aan Saemond de Wijze toegeschreven. Intussen weten we, dat de maker van dit werk onbekend is.

De Oude Edda is een verzameling van 16 godenliederen en 24 heldendichten, bestaande uit 34 boekdelen. Het is geschreven in de Oud-Noorse taal en vindt zijn oorsprong in het middeleeuwse IJsland van de 9e en 12e eeuw. Samen met toevoegingen uit andere oude schriftstukken vormt de Oude Edda de Eddische gedichten. De godenliederen verwijzen naar de Noor(d)se mythologie, de epische heldensagen verwijzen naar historische contexten en vooral dan naar de afstammelingen van de koningshuizen uit de Völsungfamilie.

De gedichten van de Oude Edda, neergeschreven in het manuscript Codex Regius (13e)

De gedichten staan in een middeleeuws manuscript, genaamd de Codex Regius. Het werd gevonden in IJsland en werd neergeschreven in de 13e eeuw, maar is pas in 1643 ontdekt, nadat het in het bezit kwam van de bisschop van Skálholt, de eerwaarde heer Brynjólfur Sveinsson. In die tijd waren er al een aantal versies van Snorri's - jongere - Edda bekend, maar geleerden hadden altijd verondersteld dat er ooit een andere - een oudere Edda – was geweest met heidense gedichten waar Snorri in zijn citaten naar verwees. Door de ontdekking van de Codex Regius werd dit historisch vermoeden plots een feit. Bisschop Sveinsson Brynjólfur stuurde het manuscript Codex Regius naar de Deense koning, vandaar ook de naam van het werk. Het manuscript werd daarna eeuwenlang bewaard in de Koninklijke Bibliotheek van Denemarken. Het was pas in 1971 dat het manuscript aan IJsland werd teruggegeven.

Godenliederen in de Oude Edda

De meeste godenliederen werden opgesteld als ‘weetgedichten’ of uit kenningen. Dat wil zeggen dat mogelijks bewust heel wat kennis in geconcentreerde vorm erin werd neergelegd, die dan door skalden kon worden van buiten geleerd om in die vorm verder verspreid te geraken. De meeste weetgedichten zijn bovendien in dialoogvorm. In een afwisseling van vraag en antwoord, of vaak in een weetwedstrijd tussen twee protagonisten, wordt de kennis systematisch opgeslagen en weergegeven. In de Noor(d)se kosmologie werden goden beschouwd als heersende machten, krachten of principes. Goden konden zowel Asen of Asinnen zijn, reuzen of zelfs monsters.

Andere godenliederen zijn spreukgedichten. Hier geen mythologie maar levenswijsheden en gedragsregels. In de volgorde van de individuele liederen zit een systeem. Het eerste lied, de Völuspá, behandelt de algehele evolutie van de kosmos van bij het ontstaan tot het vergaan, terwijl de daarop volgende liederen steeds specifiekere onderwerpen aansnijden. (Deze opstellingswijze vinden we ook in de Indische Rig Veda, waar de eerste van de 10 mandala's in kiemvorm het geheel weergeeft, terwijl elk deel daarvan in een opvolgende mandala wordt weergegeven.)

Godenliederen in de Codex Regius:

01. Völuspá - Het visioen van de zieneres (de Wolwa of Volva)
02. Hávamál - Het lied van de Hoge
03. Vafţrúđnismál - Het lied van de Sterke Mangelaar (Vafţrúđnir)
04. Grímnismál - Het lied van de Gemaskerde (Grímnir)
05. För Skírnis of Skirnismál - De reis van Blinker (Skirnir)
06. Hárbarđsljóđ - Het lied van Grauwbaard (Hárbarđ)
07. Hymiskviđa - De ballade van Hommer (Hymir)
08. Lokasenna - Loki's scheldpartij (niet in de oudere)
09. Ţrýmskviđa - De ballade van Heibel (Ţrymr)
10. Baldrs draumar of Vegtamskviđa - Balders droom
11. Rígsţula - Konings register of Het lied van Rig
12. Alvíssmál - Het lied van Alwijs (Alvis)
13. Grottasöngr - Gruizelzang (Grotti)
14. SvipdagsmálHet lied van Swipdag (Svipdag)
15. HyndloljóđHet lied van Hyndla

Andere Godenliederen:

Hrafnagaldr Óđins (Odins raven)
Oegisdrecka (Oegirs drinkgelag)
Grogaldr (Groas verwekking)
Fiölsvinnsmál (Het lied van Fiölswidr)
Sólarlióđ (Zonnelied)

Heldenliederen in de Oude Edda

De heldenliederen uit de Edda gaan over Germaanse helden die, met uitzondering van de hoofdheld Helgi, op het Europese vasteland leefden in de tijd van de volksverhuizingen. Ze zijn meestal historisch aanwijsbaar. Zo is bijvoorbeeld Atli, de Hunnenkoning Attila of is Gunnar, Gundahar de koning der Bourgondiërs. Daardoor is er een overeenstemming vast te stellen met continentale helden, zoals de helden in het Nibelungenlied. Dit laatste zou in feite een bewerking zijn van de oude Völsungsaga. Het is een tragisch lied van verlangen naar liefde, goud en wraak, opgesmukt door ridderkledij, steekspelen en uitbundige feesten. Hoewel de Codex Regius ca. 70 jaar later is neergeschreven dan het oudst bekende handschrift van het Nibelungenlied, wordt de versie uit de Edda algemeen als de oorspronkelijke versie van de sage beschouwd.

Het heldenepos van de Edda is geen doorlopend verhaal, maar een verzameling lofliederen over dezelfde gebeurtenissen. De chronologie wordt niet echt belangrijk gevonden. Toch zijn de liederen op meerdere plaatsen met elkaar verweven en beantwoorden zij daardoor aan een chronologische en biografische logica, alleen al door hun verwantschap. Zo is Högni de broer van Gunnar en Brunhild wordt in veel liederen de zus van Atli (Etzel) genoemd.

Heldenliederen in de Oude Edda:

Völundarkviđa - De ballade van Völund
Helgakviđa Hundingsbana in fyrri - De eerste ballade van Helgi, doder van de Hondenzoon
Helgakviđa Hjörvarđssonar - De ballade van Helgi Hjörvardszoon
Helgakviđa Hundingsbana in önnor - De tweede ballade van Helgi, doder van de Hondenzoon
Frá dauđa Sinfjötla of Sinfiötlalok - Over de dood van Sinfjötli
Grípisspá - De voorspelling van Gripir
Reginsmál - Het lied van Regin
Fáfnismál - Het lied van Fafnir
Sigrdrífumál - Het lied van Sigrdrifa
Völsunga saga - De saga van de Völsungen
Brot af Sigurđarkviđu - Fragment van de ballade van Sigurd
Guđrúnarkviđa in fyrsta - De eerste ballade van Gudrun
Sigurđarkviđa in skamma - De korte Sigurdballade
Helreiđ Brynhildar - Brynhilds Hellevaart
Dráp Niflunga - De moord op de Nevelingen
Guđrúnarkviđa önnor - De tweede ballade van Gudrun
Guđrúnarkviđa in ţriđja - De derde ballade van Gudrun
Oddrúnargrátr - Het klaaglied van Oddrun
Atlskviđa in Grśnlenzka - De Groenlandse ballade van Atli
Atlamál in Grśnlenzku' - Het Groenlandse Atlilied
Guđrúnarhvhöt - Hoe Gudrun haar zonen ophitste
Hamđismál - Het lied van Hamdir
Hlöđskviđa - Het lied van Hlöd

In alle heldenliederen komen dapperheid, dood, moord en wraak terug. Heel vaak worden de helden door visioenen bezocht, hetzij in de vorm van dromen, of door bemiddeling van zieneressen, de Volva. In het heldenlied gedeelte sneuvelen niet minder dan 36 protagonisten. Dit weerspiegelt de fatalistische kijk van die tijd op de wereld. Ook in de wereld van de goden komt het fatalisme aan bod door de dood van Baldr en de daarop volgende Ragnarok, de algehele vernietiging van wat in de kosmos tot ontstaan kwam, inclusief de goden. Tegelijk weerspiegelen de liederen ook optimisme, nl. de eeuwige cyclus van ontstaan en vergaan, de strijd tussen kosmos (orde) en chaos, waaruit telkens een nieuwe wereld voortkomt. Daarin heeft elke mens zijn eigen deel en dat wordt geprojecteerd in deze, vaak dappere, helden.

Een ander dieper liggend motief is de houding van de goden en mensen tegenover de rijkdom van het gegeven van de schepping. Dit wordt gesymboliseerd in het 'goud en de goudschat'. Niemand mag het goud voor zich houden, want dan ontstaat ‘goudroes’ bij de goden en verandert Fafnir bij de helden in een draconisch wezen, de 'draak'. En in beide werelden is chaos in de omgeving het gevolg. De mythische schat is op zijn plaats in de oerrivier van de scheppingsdaad (vgl. Das Rheingold), maar kan niet iemands bezit zijn, zoniet raakt die er zelf door bevangen en bezeten.


De Jonge Edda

De Jonge Edda is ook bekend onder de naam Snorri-Edda of Proza-Edda. Het werd omstreeks 1230 door de IJslandse dichter en historicus Snorri Sturluson samengesteld. Het werk was waarschijnlijk bedoeld als handboek voor dichters uit het middeleeuwse IJsland en hun zogenaamde “Skaldenkunst”. De Noorse Skalden waren net zoals de Keltische Barden zingende hofdichters en vertellers uit de tijd der Vikingen. De Proza-Edda is aan ons overgeleverd in oude geschriften gedateerd uit de 13e en 14e eeuw. Het bevat mythologische verhalen uit de periode tussen de 9e en 12e eeuw. Het is onder invloed van de opkomende kerstening dat de skald Snorri Sturluson de verhalen pas in de 13e eeuw opschreef. Hij wou de Noors-Germaanse dichtkunst van de onderdrukking beschermen. De Proza-Edda beschrijft de handelingen en lotgevallen van de Noor(d)se goden, de Oud-Noor(d)se kosmogonie van het heelal en de richtlijnen voor de Oud-Noorse Skaldendichtkunst. Het werk bestaat uit een proloog en drie hoofddelen:

Snorri Edda, de jongste heldendichtbundel Snorri Sturluson Pagina uit de Snorri Edda

Proloog: beschrijft het ontstaan van het geloof in de goden, gaat over de enige 'vreze Gods' en een welwillendheid tav de ‘nieuwe God van de christenen’.
Deel 1: Gylfaginning of De begoocheling van Gylfi: beschrijft de wereld van de Noor(d)se goden, hun bestaan en hun ondergang.
Deel 2: Skáldskaparmál of De dichtkunst: beschrijft de taal van de dichtkunst.
Deel 3: Háttatal of De opsomming van dichtmaten: beschrijft de te gebruiken strofenvormen en het correct gebruik van (begin- en binnen)rijmen in de poëzie.

De namen van de drie hoofddelen werden slechts in één van de perkamenthandschriften overgeleverd, en wel in de Codex Upsaliensís. In de twee andere handschriften lopen de teksten van de verschillende delen zonder nadere aanduiding in elkaar over. De Codex Trajectinus geeft alleen de naam van Háttatal.

In twee hoofddelen wordt rijk geciteerd uit oudere poëzie: Gylfaginning bevat citaten uit gedichten die ook in de Poëtische Edda voorkomen, met name uit de drie belangrijke godengedichten Völuspá, Vafţrúđnismál en Grímnismál. In Skáldskaparmál staan honderden skaldenstrofen van met naam genoemde skalden vanaf ongeveer 900 na Christus.

Háttatal bevat een gedicht van Snorrí zelf, een groot lofdicht over koning Hákon de Oude en jarl Skúlí Bárdarson, dat omstreeks 1220 moet zijn gedicht. De 102 strofen van dit gedicht tonen 102 verschillende dichtmaten. De proza eromheen geeft extra uitleg over de kenmerken van de strofenvorm en rijmschema's van iedere variant.

De Edda vandaag

Kunstenaars en auteurs worden vandaag nog door de Edda geďnspireerd en beďnvloed. Bekende namen zijn de Duitse componist en dirigent Richard Wagner, hij componeerde de langste zestien-uur-durende opera Der Ring des Nibelungen, de Zuidafrikaans-Engelse hoogleraar Angelsaksisch 1925-1945, hoogleraar in de Engelse taal- en letterkunde 1945-1959 aan de Universiteit van Oxford én schrijver John Ronald Reuel Tolkien, hij schreef The Hobbit, de trilogie Lord of the Rings en het verhaal van twee Angelsaksische helden in Finn & Hengest en de in 1967 geboren New Yorkse schrijver Stephan Grundy met zijn novelle Rhinegold geďnspireerd op het operastuk Nibelungen van Wagner en zijn werk Attila's Threasure over de liefde en de strijd van de Goth Hagan en de Frank Waldari als vazallen in de horde van Attila. Het is Stephan Grundy gelukt om in zijn romans de oude tijd weer tot leven te brengen. Zijn boeken, evenals die van andere hedendaagse romanschrijvers, wekken bij velen interesse op naar meer, hetzij historisch en mythologisch. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de Edda ook in een uitstekende Nederlandse vertaling werd uitgebracht. Behalve in de klassieke muziek is er ook een Noorse tendens in de pop- en folkmuziek. Passages uit mythen en sagen maken deel uit van hun songteksten.

Componist Richard Wagner, °22.05.1813 Leipzig (Duitsland), †13.02.1883 Palermo (Sicilië) Het bekendste verfilmde werk van J.R.R. Tolkien Schrijver J.R.R. Tolkien, °03.01.1892 Bloemenfontein (Zuid-Afrika), †03.09.1973 Bournemouth (Engeland)

Voor een prima Nederlandse uitgave van de Edda is er het boek 'Edda, de liederen uit de Codex Regius en verwante manuscripten'. Het boek is vertaald uit het Oud-IJslands en van aantekeningen voorzien door Marcel Otten. In Nederland vind je het bij Uitgeverij Ambo / Amsterdam ISBN 90 263 1548 1. In België vind je het boek bij Uitgeverij Kritak / Leuven ISBN 90 6303 747 3.

De Edda en dwergkoning Finn

De naam Finn komt ook in de Edda voor, echter niet als reus maar wel als dwerg. Finn staat als dwerg vermeld op de lijst van de Volva. Een Volva is een Vrouwelijke Wijze of Zieneres. De twee bekendste zijn de vrouwelijke zieneressen in 'Voluspo' en in 'Baldr's Draumar'. De zieneres in het verhaal van Baldr is een duivelse Volva. Meestal zijn de Volva goedhartig. Ook de Norns, dit zijn de drie Wijze Reuzen Urd ("Past" or "Destiny"), Verdandi ("Present") en Skuld ("Future"), zijn Volvas. Dwergen en reuzen zijn zeer nauw aan elkaar verwant. De Edda vertelt dat dwergen uit het bloed en de beenderen van reuzen geschapen zijn. In de Poëtische Edda vinden we dwerg Finn terug in deel 1 van 2: Lays of the Gods, hoofdstuk 1 van 14: Völuspá - The Wise-Woman’s Prophecy. In de Proza-Edda vinden we Finn terug in hoofddeel 2 van 3: Skáldskaparmál – The Poesy of Skalds, hoofdstuk 54 van 89: Frá Völsungum.

Fragment uit de Poëtische Edda: (Engels)
Fragment uit de Poëtische Edda: (Oud-Noors)
Fragment uit de Proza-Edda: (Engels)
Fragment uit de Proza-Edda: (Oud-Noors)





Klik hier


©2004-2008 by K. BERNAERDT-JACQUES email to : tamara.jacques@telenet.be