Koning Finn Folcwalding in de Beowulf


Het Beowulf-epos (8E)

Het Beowulf-script (8e)

Inleiding

Als tweede is er de Finnsburg-episode in het Beowulf-epos. De schrijver heeft het Finnsburgverhaal in het Beowulf-epos verweven. Deze Finnsburg-episode, regel 1063 t/m 1160, behandelt het belangrijkste deel van het Finn-epos. De schrijver van de Beowulf ging ervan uit dat zijn lezers bekend waren met het Finn-epos, en wilde ze niet vermoeien met de minder interessante stukken van het verhaal.


Oorsprong

De Beowulf is het oudste epische gedicht dat in een taal geschreven is die duidelijk een oude vorm van het huidige Engels is. Men is het niet eens over de precieze datum, maar men schat dat het manuscript uit de 10e eeuw stamt. Er is echter meer onzekerheid over de oorsprong van het gedicht zelf. Er komen enkele archaďsche woorden in het werk voor die suggereren dat het gedicht uit de 8e eeuw stamt. Het gedicht staat, samen met het kortere gedicht Judith, op wat tegenwoordig het Beowulfmanuscript wordt genoemd. De tekst is door twee auteurs geschreven, de tweede neemt het halverwege het gedicht over.

Het gedicht is over het algemeen een fictief werk, maar er komen personen in voor die mogelijk echt bestaan hebben, en gebeurtenissen die waarschijnlijk plaatsvonden tussen de jaren 450 en 600 in Denemarken en Zuid-Zweden. Het is een bron van informatie over Angelsaksische tradities zoals de Slag bij Finnsburg, Hygelac en Offa, koning van de continentale Angelen. Waarschijnlijk is het verhaal door Deense migranten mondeling overgebracht naar Engeland, en daar later pas vertaald en opgeschreven.

De taal waarin het werk geschreven is, laat West-Saksisch, is een dialect van Oud Engels. Het gedicht doet echter ook vermoeden dat het oorspronkelijk in een Angels dialect, waarschijnlijk Mercisch, geschreven is. Het Oud Engels is de voorloper van het huidige Engels, maar is sindsdien zo veranderd dat moderne Engelsen het niet zonder meer zouden herkennen.

Er bestaat slechts één enkele versie van het gedicht, die bewaard wordt in de Britse Bibliotheek. Het manuscript stond eerst bekend onder de naam 'Cotton Vitellius A.XV'; het was opgenomen in de achttiende-eeuwse catalogus van Robert Bruce Cotton. Het manuscript liep in 1731 brandschade op in Ashburnham House. De IJslandse wetenschapper Grímur Jónsson Thorkelin maakte in 1818 de eerste vertaling van het manuscript. Dit deed hij in opdracht van een historische onderzoekscommissie van de Deense regering. Sinds die tijd heeft het oorspronkelijke manuscript nog meer schade opgelopen, en daardoor is de vertaling van Thorkelin een waardevolle tweede bron geworden.


Het verhaal

Het gedicht verhaalt over de strijd van Beowulf tegen het trolachtige monster Grendel. Dit monster tiranniseert al twaalf jaar lang Heorot, de grote zaal gebouwd door Hrothgar, koning der Denen. Als Beowulf, neef van koning Hygelac der Geats (Scandinavisch volk uit het Zweedse Götaland), hoort van de moorden gepleegd door Grendel, schiet hij te hulp met veertien van zijn mannen. Beowulf en zijn gevolg overnachten in Heorot, en in het holst van de nacht valt Grendel aan. Ook nu weer verrast hij een van de slapende mannen, rijt hem open en verslindt hem geheel. Als hij ook Beowulf wil grijpen, weet deze hem in een gevecht te doden. Later rekent hij ook nog af met Grendels moeder, en tenslotte moet hij het tegen een vuurspuwende worm (een draak) opnemen, die hem echter doodt.

De Finnsburg-episode in de Beowulf, wat volgt is een prozavertaling door Jan Jonk:


Op het moment dat Beowulf in de koningshal nageniet van zijn overwinning op het monster Grendel, begint een scop (bard) een oud heldenlied voor te dragen: het Finn-epos.

Zang en muziek klonken samen weer op in het bijzijn van Healfdenes oorlogsleider. Een akkoord werd ontlokt aan het vreugdehout, een lied werd voorgedragen, toen Hrothgars scop voor verstrooiing ging zorgen in de hal. Langs de medebank vertelde hij het verhaal van de zonen van Finn, hoe een ramp hen overviel en hoe Hnaef van het geslacht der Scyldings, de held der Half-Denen, viel in een dodelijk gevecht tegen de Friezen.

'Hildeburh hoefde de trouw der Eotens waarlijk niet te prijzen. Zonder dat zij er schuld aan had, werden haal dierbaren haar ontnomen tijdens het schildenspel, haar broer en haar zoon; gewond door de speer vielen zij ten prooi aan het lot. Welk een verdriet moest die vrouw lijden! Toen de morgen aanbrak en zij daar, waar zij tevoren de grootste vreugde op aarde had gekend, in het open veld moest zien, hoe haar verwanten een gewelddadige dood waren gestorven, betreurde Hocs dochter niet zonder reden wat het fatum had voorgeschreven.

'Op een paar na had de oorlog al Finns mannen weggerukt, zodat hij de gevechtskracht van Hengest, de officier van de koning, op geen enkele wijze kon weerstaan in de zaal waar zij hun besprekingen voerden, of het armzalige overschot met een aanval kon ontzetten. Maar Hengest en zijn lieden boden hem een regeling aan met de voorwaarden, dat zij een andere plaats, een hal en een verhoogde troonzetel zouden ontruimen, zodat zij evenveel macht zouden hebben als de zonen der Eotens, en dat hij, de zoon van Folcwalda, bij het uitdelen der goederen de Denen elke feestdag gelijke eer zou bewijzen, de hij de groep van Hengest evenveel ringen en rijke schatten, kostbaar goud, geven zou als waarmee hij de stam der Friezen in de bierhal zou verblijden.

'Aan beide kanten werd toen een verdrag van hechte vriendschap goedgekeurd. Onder ede verklaarde Finn aan Hengest, oprecht en eerlijk, dat hij de arme overlevenden volgens inzicht van zijn raadgevers eervol zou behandelen dat niemand daar de onderneming in woord of daad zou schenden, noch dat men er zich laatdunkend over mocht uitlaten, hoewel zij, zelf zonder leider, de moordenaar van hun vrijgevige heer gevolgd waren, omdat hun dat opgelegd werd; en dat, als een van de Friezen op uitdagende wijze zou herinneren aan de gehate moordpartij, de kling van het zwaard dat recht zou zetten. 'De brandstapel werd bereid en prachtig goud uit de schat erheen gebracht. De beste oorlogs-Scylding, de held in de strijd, lag klaar op het hout. In die brandstapel kon iedereen gemakkelijk de met bloed bevlekte maliënkolder zien, het zwijnsbeeld geheel van goud, de everbeer hard als ijzer, en menige edelman, die aan zijn verwon dingen bezweken was. Hoevelen waren er niet in dat bloedbad gevallen.

'Haar eigen zoon liet Hildeburg toen in de vlammen leggen van Hnaefs brandstapel - zij liet zijn lichaam naast dat van zijn oom plaatsen, ten prooi aan het vuur. De vrouw jammerde, uitte zich in klaagliederen. De oorlogsheld steeg omhoog. 'Het machtige verbrandingsvuur zocht zijn weg naar de wolken, loeide op voor de grafheuvel. Hoofden smolten weg, wonden gaapten open en er sprong bloed uit het lichaam waar de vijand het had verwond. Het vuur, die gulzige geest, had allen verzwolgen van beide volken, die de strijd had weggenomen. Hun glorie was voorbij. 'Beroofd van hun vrienden gingen de strijders toen naar hun woonplaatsen, zochten zij Friesland weer op, hun woonsteden en hun veste. In al zijn ongeluk bleef Hengest echter die ijzige winter lang bij Finn. Hij dacht aan zijn land, al kon hij geen schip, voorzien van een met een ring versierde steven, over de zee leiden - een storm blies over de wateren, de oceaan vocht tegen de wind, de winter had de baren met ijzige band gesloten, tot er weer een nieuw jaar naar de hofsteden der mensen kwam, zoals het ook nu nog gebeurt, altijd de juiste volgorde afwachtend, schitterend, helder weer.

'Toen was de winter voorbij. Hoe schoon was de schoot der aarde. Heel graag wilde de banneling, de gast, daarvandaan weg. Maar Hengest wilde liever wraak dan wegvaren; hij overdacht, of hij geen vijandelijk treffen tot stand kon brengen, omdat hij dan met zijn zwaard de zonen der Eotens zou belonen. Vandaar dat hij de spreker van de groep geen strijd weigerde, toen deze hem het beste der wapens, het strijdzwaard van Hunlafing, in handen legde; de scherpe snede daarvan was de Eotens goed bekend.

'De onverschrokken Finn viel later, nog wel bij hem thuis, een gruwelijke dood door het zwaard ten deel, toen Guthlaf en Oslaf na hun reis over zee zich beklaagden over de grimmige aanval en hem de schuld gaven van de ellende die hen had overvallen; hun rusteloze geest konden zij niet langer beheersen.

'Toen werd de hal rood van de levens der tegenstanders, en werd ook Finn gedood, de koning getroffen, omringd door zijn lijfwacht, en de koningin meegevoerd. De boogschutters der Scyldings brachten alle bezittingen van de landkoning naar hun schip, al wat zij in Finns huis konden vinden aan halskettingen en kostbare stenen. Over het zeepad brachten zij de nobele vrouw naar de Denen, leidden zij haar naar haar volk.'

Zo luidde het lied, het verhaal van de speelman.




Het Beowulf-epos (8e) in stafrijm

Beowulf is een Oud-Engels heroďsch, episch gedicht, geschreven in de allitererende versvorm. Het gedicht bestaat uit 3182 regels en maakt 10% uit van de huidige Angelsaksische bronnen. Het gedicht zoals het op het manuscript werd aangetroffen had geen titel, maar sinds het begin van de 19e eeuw staat het onder de naam Beowulf bekend. Het gedicht geeft een voorstelling van een prechristelijke samenleving gebaseerd op oorlog, waarin de relatie tussen de koning en zijn onderdanen een zeer belangrijke rol speelt. Deze relatie bestaat hierin dat de onderdanen hun koning beschermen in ruil voor wapens, voedsel en goud.

De volledige versie van het Beowulf-epos werd in het Nederlands vertaald door Jan Jonk. Hierbij enkele Engelse aantekeningen bij de uit het Oud Engels vertaalde versie van de Beowulf:


0001-0085
0086-0192
0193-0319
0320-0661
0662-0836
0837-1250
1251-1306
1307-1491
1492-1650
1651-1887
1888-2199
2200-2515
2515-2722
2723-3182

Distinguished ancestry of Hrothgar, king of the Danes, starting with his great-grandfather Shild
Grendel ravages Herot, Hrothgar's hall
Beowulf arrives to help
Beowulf at the banquet--digression on his early feats as a swimmer and monster killer
Beowulf waits for Grendel and rips the monster's arm off
Celebration with several digressions--e.g, Finn & Hengest
Grendel's mother kills Hrothgar's best pal in revenge
Beowulf swears to go get Grendel's mother
Beowulf fights her and emerges victorious
Beowulf is heaped with more praise, gifts, and good advice by a grateful Hrothgar
Beowulf goes home and tells his uncle Higlac about it
Now king, Beowulf finds his land ravaged by a dragon
Beowulf and Wiglaf kill the dragon but Beowulf is wounded
Death and burial of Beowulf


Wetenschappers zijn het er niet over eens of Beowulf een heidense of christelijke inslag heeft. De personages uit het gedicht zijn duidelijk heidens, maar de verteller plaatst de gebeurtenissen steevast in een christelijke context, door Grendel als nazaat van Kaďn te betitelen. Sommige theorieën poneren dat Beowulf een vertaling is van een ouder Germaans verhaal, opnieuw verteld voor een christelijk publiek.

Latere schrijvers geďnspireerd door Beowulf

Het verhaal van Beowulf is vanuit het gezichtspunt van het monster verteld door John Gardner in zijn roman 'Grendel'. Het oorspronkelijke gedicht werd tevens als basis gebruikt voor Michael Crichton's roman 'Eaters of the Dead', die werd verfilmd met Antonio Banderas als 'The 13th Warrior'. Ook was Beowulf een belangrijke inspiratiebron voor J.R.R. Tolkien, die het essay 'Beowulf: The Monsters and the Critics' schreef. Ook het volk de Rohirrim in 'In de Ban van de Ring' is geďnspireerd op het verhaal van Beowulf, en de ork-figuren zijn gebaseerd op Grendel en zijn moeder.


Klik hier


©19.08.2004 by K. BERNAERDT-JACQUES email to : tamara.jacques@telenet.be