De Sint-Pauluskerk

kerkOpwijk werd wellicht tijdens de 7de of 8ste eeuw gekerstend. Op de Klei - een gehucht buiten het huidige centrum van Opwijk - werd een parochie gesticht, met een kleine kapel gewijd aan de Heilige Drievuldigheid. Elders, op het Eeksken ontstond enige tijd later een Sint-Pieterskluis en even nadien bij de borcht een Sint Pauluskerk, wellicht bedoeld als private bidplaats voor de bewoners van de burcht van Ingersbrugge. Bij de uitbreiding van de oude dorpskern in de 12de eeuw werd de kerk verplaatst naar het nieuwe centrum. Vanaf het begin van de 13de eeuw vermeldt men in oorkonden reeds de "parochia de Opwic", maar niet meer het patronaat van de Heilige Drievuldigheid. In de 12de eeuw had men immers reeds de eredienst voor de Heilige Drievuldigheid van de Klei naar de Sint Pauluskerk overgebracht. De eerste priesters, verbonden aan de Sint-Pauluskerk, vindt men eveneens terug in deze periode.

In het begin van de 15de eeuw drong de bouw van een nieuwe kerk zich op. De oude kerk was te klein en, tengevolge van verschillende verwoestingen, bouwvallig geworden. De zandsteen voor de bouw van de nieuwe kerk vond men in de groeven van Meldert en Asse. De kerk bezat vijf altaren, gewijd aan Sint-Paulus, Onze-Lieve-Vrouw, Sint-Anna en de Heilige Drievuldigheid.

In 1773 werd de Sint-Pauluskerk vergroot tot haar huidige volume. Twee traveeën werden toegevoegd, de zijbeuken overwelfd en verbreed en het schip onder een groot zadeldak gebracht.

De kerk bestaat voornamelijk uit twee gedeelten : een gotisch gedeelte en een neoclassicistisch gedeelte uit 1773. De toren, het koor en het transept behoren tot de oude kerk uit de 15de eeuw. En ook de ramen, steunberen, kruisribgewelven binnen en de beklemtoning van de hoogte of het verticale, getuigen van gotische oorsprong. Het betreft hier trouwens een kruising van Brabantse en Scheldegotiek. Typisch voor de Scheldegotiek is de vierkante toren op de kruising van het schip, het koor en het transept, evenals de torentjes in de oksels van het transept.

Tijdens de 18de eeuw vonden twee verbouwingen plaats. In 1761 werd de sacristie bij het koor gevoegd en van 1773 tot 1777 breidde men het schip, zowel in de breedte als in de lengte, uit, naar een ontwerp van Philippus Gobert. De zijbeuken maakte men even breed en hoog als de middenbeuk en zo kwam het dak hoger te liggen. In de lengte bouwde men twee traveeën bij en de zijkanten voorzag men van brede rondboogramen. Door deze verbouwing kreeg de kerk een tweeledig uitzicht : het koor straalt slankheid en verticaliteit uit en het schip breedte.

In de aanpassing van 1777, uitgevoerd in late barokstijl, kan men reeds elementen van het ontluikende classicisme, zoals de eenvoudige rechthoekvorm en de weinige profilering, ontdekken. De barokke overladenheid is vrijwel afwezig. Het monumentale en kolossale karakter wordt benadrukt door het vlakke zijgevelvlak, dat de begrenzing van het gebouw aangeeft.

Het portaal is in typische laat-barokke stijl gebouwd. De overgang van de sluitsteen van de portaalboog naar de lekdrempel, en het bandwerk, dat op een hoekige manier onderbroken wordt, en op die plaats met ornament versierd wordt, zijn eveneens typische kenmerken voor deze overgangsfase tussen laat-barok en roccoco. De voluten, de siervazen en het plaatsen van een schild in de punt van de gevel zijn daarentegen representatief voor de zuivere barokke stijl. Ook de sacristie, eveneens in laat-barokke stijl, doet sierlijker en lichter aan dan de voorgevel van de kerk.

Het houtwerk van het portaal, de biechtstoelen, het hoogzaal, de orgelkast en de gestoelten van de kerkmeesters dateren uit 1774 en werden vervaardigd door Jan Janssens uit Brussel. Van der Schrick uit Brussel sculpteerde de medaillons op de biechtstoelen.

Achteraan links in de kerk, hangt een doek van Kaspar De Crayer (Antwerpen 1584 - Gent 1669). Deze schilder wordt met Rubens, Van Dijck en Jordaens tot de beste schilders van de 17de eeuw gerekend. Hij werd in zijn tijd beschouwd als de schilder van ernstige onderwerpen en schilderde vooral voor kerken en abdijen. Veelal zal, naar de barokke tradities, de kunst als middel tot geloofsverkondiging gehanteerd worden. Op vraag van pastoor Gillis Van Lokeren - die de kerk het grootst aantal kunstschatten schonk - schilderde Kaspar De Crayer vier doeken ("Sint Niklaas ontvangt de hulde van drie krijgslieden", "Koningin van alle heiligen", "Saulus' bekering" en "Het doopsel van Jezus"), evenals processievaandels en het kruisbeeld van het hoogaltaar.

In 1638 leverde Jakob Ulver het Onze-Lieve-Vrouwaltaar. Hier verdient het doek "Koningin van alle heiligen" van Kaspar De Craeyer de aandacht. Dit doek diende als model voor een schets, thans bewaard in het Plantijnmuseum te Antwerpen, van de hand van Abraham van Diepenbroeck. Het Onze-Lieve-Vrouwbeeld met Kind uit 1624, is het werk van Antoon Fayd'Herbe.

Het oude hoofdaltaar uit 1873 werkte men breed en laag uit, om de dichtgemetselde, gotische ramen, van gekleurde glasramen te voorzien.

Het eiken koorgestoelte en de lambrizering van het koor uit 1787 werden geplaatst door Em. d'Asselborn. Landon en Bardenever leverden in 1892 de drie glasramen boven het hoofdaltaar. De vier andere glasramen dateren van 1910.

De technische school Melaan te Mechelen vervaardigde in 1972 het moderne dienstaltaar, naar een ontwerp van Jan Heuninckx, evenals de lezenaar.

Het portiekvormig Sint Paulusaltaar uit 1630 werd gebeiteld door Jacob Ulver. Het gepolychromeerde houten Sint Paulusbeeld (1628) is een ander werk van Antoon Fayd'Herbe.

De indrukwekkende preekstoel, midden in de kerk, van 1823, komt uit het aterlier van Laurent en Tambuyser uit Mechelen. Deze Mechelaars voegden aan de neoclassicistische constructie een overvloed aan ornamenten toe. De basis bestaat uit een marmeren sokkel. Hierop staat een tweede, houten sokkel, met twee dikke houten zuilen, die de kuip dragen. De kuip is toegankelijk via twee, min of meer in rondboogvorm staande, trappen. Vanop de kuip geven twee, in verhouding slanke zuilen steun aan het ruime klankbord. De basisindelingen zijn met neoclassicistische elementen afgewerkt. De trapzuiltjes zijn sober en eenvoudig van vorm, maar met bladwerk versierd onder de top en begrensd door strenge pilasters en een brede lijst aan de onderkant.

De eiken kalvariegroep boven het altaar zou in 1608 vervaardigd zijn.

Het orgel, in 1879 geplaatst, werd gebouwd door François-Bernard Loret en voltooid door diens zoon Camille. Het is een merkwaardig instrument : het is één van de weinige orgels van François-Bernard Loret met twee manualen en een zelfstandig pedaal.

De twaalf bustes van de Apostelen, naast het orgel, zijn afkomstig uit de abdij van Tongerlo en worden toegeschreven aan de 17de-eeuwse schilder De Clerck.

De glasramen, gedurende de periode van 1954 tot 1970 ontworpen door J. Carion uit Ganshoren, werden uitgevoerd door J. Desaer en L. Hubrecht uit Brugge. De veertien staties van de Kruisweg zijn van de hand van de schilder Eugène van Maldegem uit Elsene.