|
FAMILIE KONINGS BRECHT (SINT-LENAARTS) Webmaster: Frank Konings, frank.konings@pandora.be AuteursJef Konings (Tel. 014/61 12 64),Turnhoutseweg 85 te
2140 Beerse
Henrick De Coninck (ca. 1539)
Geschiedenis Brecht en omstreken 1550 - 1650 Tussen 1556 en 1648 woedde de tachtigjarig oorlog in onze streken. Op het einde van de 16e eeuw (1550-1600) zijn het de Spanjaarden die in onze streken heersen. Brecht is op dat ogenblik eigendom van Antoon de Lalaing. Hij schaart zich bij de weerstanders tegen Spanje en wordt in 1568 zodanig verwond te Linsmau dat hij sterft. Op dat ogenblik vangen de Spanjaarden hun plunder- en strooptochten door de Kempen aan. In Brecht ziet men zich genoodzaakt een wachter op de kerktoren te plaatsen en de burgerwacht te versterken. Dit baat niet veel gezien volgens de geschiedenis de kerk begin december 1575 met gans haar inboedel in de vlammen opgaat. Onbeschrijfelijk is het leed dat Brecht nu te verduren krijgt. In de winter van 1578 worden tien Duitse vendels in de gemeente ingekwartierd en plunderen gans de gemeente. Twee weken later komen ruiterij en voetvolk zoeken of er nog wat te vinden is. De bevolking slaat op de vlucht en enkelen durven pas in de lente terugkeren. In 1583 neemt maarschalk de Biron met zijn torepne intrek te Brecht ; wat er van de bevolking overblijft slaat opnieuw op de vlucht. Hierna volgen de troepen van Parma (Italië), die al evenzeer plunderen. In augustus 1584 richten benden muitende soldaten strooptochten in en omdat zij niets meer vinden in de huizen, steken ze deze uit wraak in brand. Midden september van datzelfde jaar komen er te Brecht 2400 ruiters toe, evenveel paarden, gevolgd door een groot aantal vreemde vrouwen , kinderen en venters. De bevolking die niets meer te geven heeft wordt doodgeslagen, doodgeschoten of verdronken. Het waardevolle wordt medegenomen en het waardeloze verbrand. Gans de dorpskom, zelfs het hoofdkwartier van de plunderaars, het hof van Pulle, bezit van de heren Van der Noot, wordt platgebrand. Een schatting geeft ongeveer 2000 doden, plus nog ongeveer 1000 gestorvenen aan pest. Tot in 1589 blijft Brecht ongeveer onbewoond. De toenmalige secretaris van de gemeente verklaart dat hij bij zijn terugkeer niets meer vond dan bos, heide, onkruid en dat ruïnes wolven en everzwijnen herbergen. In 1586 legt Guillaume de Lalaing zijn eed van trouw aan de Spaanse koning af, als opvolger van zijn zoon Antoon. Hem wacht te taak Brecht opnieuw op te bouwen, maar reeds op 20 december 1590 zal zijn zoon Antoon hem opvolgen, die huwt met Marie Margueritte de Berlaymont. Ook nu komt er van de heropbouw niets terecht. Legerbende bivakkeren in 1594 en 1595 en roven en plunderen. In 1603 komen deze benden terug en ook ziekten blijven de streek teisteren. Bij een plundering van Brecht in 1597 door de Spanjaarden worden bij een 60-tal gezinnen graan, vee, klederen, eetwaren tot klein huisgerief, gestolen. Tot
er plots een korte, meer rustige periode aanbreekt. Antoon
wordt op 6 februari 1614 opgevolgd door Charles de Lalaing,
gehuwd met Alexandrine de Pecque et de Wavrin. Het
krijgsrumoer is nog niet bedaard in die zin dat in 1628 de
belegering van Bergen-op-Zoom plaats heeft en deze van Breda
in 1624-1625. Deze belegeringen brengen opnieuw krijgsvolk
in Brecht, dat de bevolking terroriseert en het dorp
plundert, zodat de inwoners opnieuw moeten vluchten. Zeker de eerste eeuwen moet binnen een gemeente van deze grote politiek weinig gezien geweest zijn. De moderne parochies werden slechts vanaf ca.1600 opgericht.
Over de afkomst van de naam Konings. De
naam Koning komt van het boogschieten, een oud volksvermaak
in de Kempen. De winnaar van een wedstrijd was de koning. De
-s achteraan komst van koningszoon, de zoon van de
koning. Kronieken familie KONINGS (chronologisch) Lenaert Conincx Het is in de jaren 1602-1604 dat we onze stamvader Lenaert Conincx terugvinden in de archieven te Brecht. Het enige dat over hem bekend is is dat hij op dat ogenblik woont te Lenaarts/Cloot. Sint-Lenaarts bestond als gemeente op dat ogenblik nog niet en was een gehucht met als Cloot (nu Kloosterstraat) een wijk. Adam Leonardi de Coninck De zoon van Lenaert, Adam Leonardi de Coninck, wordt geboren rond 1605 te Brecht. Hij huwt eerst met Joanna Cornelii van Teteringe, een tweede maal met Maria Janssen. Uit zijn eerste huwelijk vinden we zes kinderen, waarbij hun zoon Corneel gedoopt in 1652 te Brecht. Adam woont in 1649 op de wijk Beckhoven/Kerckhoven te Brecht. Corneel Adami Lenart de Coninck Het is de zoon Corneel Adami Lenaert de Coninck die te Brecht huwt met Catharina Janssen en later een tweede maal met Adriana van den Bogaerde. Van hem zijn drie kinderen gekend. Leonard Cornelii Adami Conincks Het is via hun zoon Leonard, geboren in 1690 te Brecht dat de afstamming verder gaat. Hij huwt eerst met Catharina Willeborts en later met Catharina Verschuren. Het is zijn jongste zoon uit het tweede huwelijk, Cornelis Leonardus Coninckx, die ÈÈn van onze voorvaderen zal zijn. Cornelis Leonard Konings Deze Cornelis, gedoopt in 1725 te Brecht, gaat bij zijn huwelijk met Adriaentje (Adrienne Adrien) Donckers, te Zundert wonen. Op dat ogenblik bestaat BelgiÎ nog niet, zodat hij niet in het buitenland gaat wonen, zoals we zouden kunnen denken. Van dit huwelijk vinden we negen kinderen, waarvan Cornelis onze voorvader is. Cornelis Konings. Cornelis Cornelii Konings, is landbouwer (cultivateur) en wordt geboren 1752 te Klein-Zundert. Hij huwt een eerste maal met Joanna (Jennemie) Schrauwen en drie jaar later een tweede maal met Agatha Joannis De Clerk. Uit zijn eerste huwelijk zijn geen kinderen gekend, uit het tweede huwelijk zijn er acht. Hij overleed op 18 oktober 1811 te Zundert als zoon van bovengenoemde ouders. Bij
de volkstelling van 1828 woont Agatha te Zundert te
Stuivesant 120; op dit adres wonen op dat ogenblik volgende
vier personen (ref. 1866/198). In het rooms-katholieke kerkelijke register van Zundert lezen we nog voor april 1803 volgende doopverklaring. "Aprilis
1803 Het is niet duidelijk of het hier gaat over Jan Cornelis die dan 12 jaar oud is (vroeger ander geloof had of niet gedoopt was?) of over een andere zoon van Agatha. Johannes Cornelis Konings Hij werd geboren te Zundert op 31 december 1788 als zoon van bovengenoemde ouders. Hij was "bouwman" in deze gemeente. Hij huwt driemaal waarvan de eerste maal met Elisabeth Oostvogels. Deze wordt rond 1796 geboren te Zundert als dochter van Johannes Antony Oostvogels en Cornelia Johannes Backx. Elisabeth sterft op 26 november 1831 op zesendertigjarige leeftijd; dit is 22 dagen na de geboorte van haar zoon Johannes Konings, wat ons laat veronderstellen dat dit het gevolg zou kunnen zijn van verwikkelingen rond de geboorte. Hij huwt een tweede maal met Adriana Van Staay op 16 augustus 1832 om 11.00 uur in de voormiddag te Zundert. Johannes Cornelis huwt een derde maal te Zundert op 16 augustus 1832 met Jacoba Jacobs. Er valt nog op te merken dat zijn moeder Agatha De Clerck nog leeft op het ogenblik van dit derde huwelijk, ze is dan ongeveer 71 jaar oud. Hij sterft te Zundert op 15 december 1846 als zoon Johannes 16 jaar oud is. Het overlijden wordt op het gemeentehuis aangegeven door Antony Konings (geboren in 1817) en broer van de overledene. Johannes Konings Joannes wordt geboren te Zundert op 4 november 1831. Johannes volbracht zijn legerdienst bij de zeemacht en zou volgens de mondelinge overlevering in deze functie ook werkelijk gevaren hebben. Rond 1850 komt hij naar Sint-Lenaarts. Hij hij gaat werken bij de eerste burgemeester Franciscus Van Roey (burgemeester sinds de onafhankelijkheid van Sint-Lenaarts in 1842); deze wou enkel Hollandse knechten. In de gemeente stond Johannes ingeschreven als dienstbode. Johannes kon niet schrijven. Dit zien we aan de officiële documenten, waar hij geen handtekening plaatst maar een kruisje zet "uit teken van ongeletterdheid". In 1948 komt er reeds een zekere Adriaan Cornelis Oostvogels op 10-jarige leeftijd naar een gezin in Brecht. Hij huwt te Sint-Lenaarts op 11 februari 1863 met Joanna Laurijssen; later gaan ze naar Wechelderzande wonen. Het is de stamvader van de Oostvogels die vandaag nog in de streek wonen. Het is goed mogelijk dat deze Jaan Oostvogels en Joannes Konings familie (neven?) waren, doch dit werd tot op heden nog niet onderzocht. In de periode rond 1850 zien we dat er een groot aantal Nederlandse jongeren naar België komt om verschillende redenen. De jaren 1845 tot en met 1847 waren jaren van erge hongersnood. De winter 1845-1846 was zeer streng en het wintergraan vroor af. Hierop plantte men in 1846 veel aardappelen, doch vanuit Kortrijk kwam een toen onbekende ziekte ("de plaag") die maakte dat op twee weken tijd de oogst verloren was. Het loof verschrompelde en de knollen rotten in de grond. Ook de hierop volgende jaren was de graanopbrengst slecht. Hij huwt op 1 juni 1867 te Sint-Lenaarts met Maria Catherina Sprangers om tien uur in de voormiddag; hij is dan 35 jaar. Maria wordt geboren op 1 juni 1837 (op zelfde dag dan huwelijk maar 20 vroeger). Ze is dochter van Jacobus Sprangers en Anna Cornelis Lambrechts. Jacobus was houtzager van beroep en net als zijn vader afkomstig van Hoogstraten. Vijf jaar na zijn huwelijk koopt Johannes een boerderij in de Bosstraat te Sint-Lenaarts ter streke "Nelemanskeet". Hiervan is anno 1999 de waterput nog van bewaard. Op dat ogenblik is er nog geen Turnhoutse vaart; deze is aangelegd in de periode 1868-1874 zodat hij deze aanleg moet van nabij mede gemaakt hebben. Ergens tussen 26 maart 1872 en 1873 gaat hij in de Bosstraat wonen. Tussen 1890 en 1900 stonden ze in het bevolkingsregister ingeschreven per adres Bosstraat 21. Hij blijft zijn gehele leven Nederlander van nationaliteit. Hij had maximum 4 koeien . In de oogsttijd ging hij nog bij Gust Van Dyck werken aan brug 10 (later o.a. Pallethoeve). Zeker op latere leeftijd was hij maaglijder. Uit de mondelinge overlevering is bekend dat zijn zoon Jozef ooit speciaal naar een kruidendokter te Poppel was gegaan. Hij vertrok hiervoor zo vroeg dat hij in Merksplas Kolonie naar de eerste mis ging. Hij bracht uiteindelijk een kruidenafkooksel mede in een stenen pot. Najaar 1900 was hij opnieuw ziek geworden na een "fleuris" te hebben opgelopen en te zijn gaan wandelen naar 't Duvelsbos (ongeveer Drieboomkensberg te Brecht). Jan sterft op 31 oktober 1900 aan de vooravond van een nieuwe eeuw. Blijkens enkele oude documenten wordt er op 4 augustus 1900 een "akte van aangigte gedaan onder levende" voor notaris Van Olmen te Brecht. vermoedelijk verwerft de jongste zoon Jozef het ouderlijk huis. Zijn
vrouw Maria woont nog enige tijd bij haar jongste zoon, die
in het ouderlijke huis blijft wonen. Ze sterft vijf jaar
later op 12 februari 1905 op de leeftijd van 67 jaar, bij
haar dochter op de Hoogstraatsebaan. Mogelijk was ze op dat
ogenblik hier op bezoek. Na de dood van Maria krijgen de
kinderen Johanna en Frans elk in ieder geval 1000 franken
uit een erfenis van drieduizend frank. Ludovicus was de oudste. Hij ging werken bij de firma Roosens (bloemmolens/steenkool). Hij verblijft hier ook en gaat alle maanden naar huis. Hij komt om het leven als hij 18 jaar is. Bij het uitvoeren van de goederen verschiet het paard van de kar die afschampt op de tramrail, waarbij hij onder het wiel van de wagen terecht komt. Johanna is de tweede in rij. Ze huwt met Antonius PacquÈ doch het huwelijk blijft kinderloos. Ze hebben een boerderij, eerst in de Kloosterstraat, later op de Hoogstraatsebaan te Sint-Lenaarts en waren zo welstellend dat ze meid en knecht hadden. Na de dood van zijn vrouw blijft Antonius klein boeren (ÈÈn koe) en Fons Konings gaat hier nog een periode het zware werk doen. Frans is de derde. Hij werkt eveneens bij de firma Roosens te Merksem. Frans stond bekend als een hard werker en oppassend iemand.Hij was in de kost te Merksem bij een weduwe met kinderen, Maria Van Gestel, met wie hij later huwt. Hij wordt uit het bevolkingsregister te Sint-Lenaarts geschreven op 22 februari 1894. Ze krijgen geen kinderen meer. Jozef is de jongste zoon.
Jozef (Jef) Konings (Jef De Keuninck) Jozef werd op 15 juni 1878 geboren in het ouderlijk huis in de Bosstraat. Hij staat in het dop bekend als "Jef van de Keuning". Hij wordt vrijgeloot van legerdienst en neemt op dat ogenblik de Belgische nationaliteit aan. Hij werkt eerst een tijdje bij "Sus de Smid", later bij "Stan Pak" (Constant Rhynsbergen). Deze laatste was horlogemaker, fietsenmaker en zette ook bliksemafleiders ("donderroeden"). Jozef die graag klom zette zo onder andere mede de bliksemafleider op de kerk van Sint-Antonius-Brecht. Hij werkt eneneens 4 jaar als stoker-machinist op de steenfabriek Peeters (ouders van Jan PËj), later de Corswarem, en onregelmatig bij Louis Francken op de boerderij. Op 30 september 1903 huwt hij, op 25-jarige leeftijd, met Anna-Ludovica Luyckx. " Jozef, die naast boeren, ook bleef werken bij Sus de Smid, had in 't dorp blijven praten met Lewis Joosen, over de polder te kopen in drie delen. Lewis Joosen had gezegd nog een nichtje te hebben, stil en pront en had Jozef aangeraden maar eens te gaan kijken. En 's zondags na het lof was hij wat gaan rondrijden in O'broek." Anna-Ludovica werd op 13 april 1878 geboren te Westmalle, als dochter van Leonardus Luyckx en Maria Theresia Bogaerts. Hij bleef werken bij onder andere Louis Francken. Hij kocht "de polder", een stuk heide in de Bosstraat, 89 are 35 ca groot, in twee keren. Hij koopt dit van Frans Bogaerts-Broomans bij notariÎle akte van 18 mei 1889 (11 jarige leeftijd) en een tweede lot op 11 november 1899 (21 jarige leeftijd). Hij spitte deze zelf om. In 1913-1914 verhuisde hij naar de overzijde in de Bosstraat, in een boerderij gebouwd door Louis Francken rond 1900. Jozef koopt dit hoefken met woonhuis, stal, schuur, verdere gebouwen, tuin-, bouw- en weilanden, groot 3 hectare, 87 are 40 centiare, van Louis Francken bij notarisakte van 5 februari 1913. Hij leende hiervoor geld bij Stan Pak. Op 15 november 1913 werd hiervoor een lening aangegaan, waarvoor obligatie wordt opgemaakt door notaris Van Nueten te Loenhout. De verbintenis ging tussen Jozef Konings en Constant Rhynsbergen voor de som van 16000 frank, aan 3,5% intrest per jaar en terug te betalen over 15 jaar. Hij geeft hierbij waarschijnlijk alle zijn bezittingen in hypotheek. -
Een hofken met huizing, stal, schuur, verdere gebouwen,
tuin-, bouw- en weiland (groot 43 are 40 centiare). Het
betreft het ouderlijk huis dat hij mogelijk in 1900 heeft
verworven of geërfd. Op 18 juli 1929 wordt de inboedel verzekerd bij de maatschappij Assurantie Compagnie VAN DE SCHELDE, 10 Borzestraat, Antwerpen. Het betreft een kapitaal van 150800 frank; de premie bedraagt 220,40 frank. Dezelfde verzekeraar verzekert op 17 augustus 1936 ongeveer dezelfde bedragen, alhoewel er enkele gebouwtjes zijn bijgekomen. Rond 1930 is Jozef eens dermate ziek geweest dat hij het Heilig Oliesel diende te ontvangen. De familie ging op bedevaart naar Drieboomkensberg. Een testament werd opgemaakt om het vruchtgebruik voor zijn vrouw te behouden; getuigen waren Fons Verboven en Frans Bartholomeeusen. Voorgerecht
Het landbouwbedrijf van Jef De Keuninck In 1914, juist voor het uitbreken van de oorlog, had hij 3-4 koeien, 1 zeug en 20 kippen. Hij kocht zijn eerste paard ("volbloed zwaar looppaard met lange staart") te Hoogstaten, in het cafÈ op de hoek van de weg naar Sint-Lenaarts en Rijkevorsel. Hij had steeds honden, die men voor de kruiwagen spande om naar de molen te rijden met graan en die men africhtte en gebruikte voor de jacht. Men werkte veel in het bos om strooisel voor de stallen te verzamelen; dit werd later vervangen door turfstrooisel, dat gehaald werd rechts van de huidige weg naar Oostmallle. Men ging in die periode ook de kalveren naar het bos hoeden (o.a. Stan Konings). In deze periode begon het bos op 200 meter van zijn huis, en men kon door het bos tot in Schoten wandelen. Plaatselijk was er ook heide met "fluiters" (wulpen). Juist voor het uitbreken van Wereldoorlog II had men een maximum stuks vee namelijk 12 koeien, 35 varkens en 350 kippen. Na de oorlog had men ook eenden en ganzen, welke hun eieren aan patisseriebakkers werden verkocht, alsook konijnen en schapen. In het kippenhok werd een carbuurlamp gestookt om het leggen te bevorderen. Men had een broedmachine voor 350 eieren, die men verwarmde met "petrol". Men deed drie broedsels per jaar, waarvan ÈÈn voor eigen gebruik. Dit was de eerste broedmachine te Sint- Lenaarts, met "zelfvoederende bakken" gemaakt door Fons Konings, naar model van een blaadje in den Boerenbond. Het dagelijks bestaan. Brood werd steeds zelf gebakken. Alle jaren werd er een varken geslacht.. Het dikste varken ookt gehad woog 390 kg en was naar verluid het zwaarste dat slachter "Jef van Rikkes" ooit geslacht had. Varkens werden vet gemaakt met roggemeel en zoete melk. Men at allle dagen spek met hesp. In het najaar wanneer di op was, at men gezouten bakharing ("stokvis"), die men van de vismijn van Antwerpen medebracht. 's Zondags kwam men rond met garnalen. Enkel met de feestdagen mocht men naar hartelust eieren eten; door de week waren alle eieren bestemd voor de verkoop, eerst in de plaatselijke winkels, later met de stoomstram naar Antwerpen. Per kruiwagen werden dan wel 350 eieren en 12 kg boter naar de tramstatie gereden. Er werd immers ook geboterd. Naar Turnhout ging men om "klakken" en kostuums te kopen. Sijsjes werden gevangen met lijmstokken in elzenbomen en gehouden in kooitjes. Het uitgangsleven was zeer sober ("men werkte altijd"). Een traditioneel feest was het teerfeest van de Boerenbond en soms kwam men in cafÈ Derkinderen aan Brug 9 (varkensslachterij). Hij was ook enige tijd in de "harmonie", waar hij bugel speelde. De eerste week mocht hij al "invaller" zijn, weliswaar met een houten stop in zijn bugel. In 1930 ging men naar de wereldtentoonstelling te Antwerpen enzag men de eerste negers uit Afrika en bisons uit Amerika. |