Beeldplaten

Het opnemen van televisiebeelden op een plaat is eigenlijk even oud als de televisie zelf. Begin de jaren 1930 nam de Engelsman Logie Baird de signalen van zijn mechanisch televisie systeem op een 78 toeren lakplaat op. Van die opnames werden er reproducties geperst en te koop aangeboden om de pioniers amateurs van televisie ontvangst toe te laten hun ontvangers te testen zonder dat er een uitzending was.

Dit kon door de zeer kleine bandbreedte van het 30 lijnen - 12.5 b/s signaal. Het beeld was echter onstabiel en men kon er nauwelijks iets op herkennen. Maar dat was gebruikelijk die tijd. Het was toch voldoende om de ontvanger te optimaliseren. Eenmaal de hoge definitie uitzendingen startten was dit systeem onbruikbaar.

Telefunken TED systeem

De eerste praktische toepassing om hoge definitie videobeelden vast te leggen op plaat komt van de groep rond Telefunken, Teldec en Decca.

De TED beeldplaat werd midden 1970 in Berlijn voorgesteld. Aanvankelijk enkel voor zwart-wit, maar een jaar later ook voor kleur weergave.

De vorm van de speler doet denken aan een gewone grammofoon speler. De 21 cm platen zijn gemaakt van uiterst dun PVC en worden geperst. Ze is vrijwel onbreekbaar, licht in gewicht en makkelijk per post te verzenden. Het is mogelijk om in relatief korte tijd grote aantallen en tegen een lage prijs te persen.

De plaat wordt met hoes en al in het toestel geschoven. Zo komen er geen vingers of stof op de groeven. De maximale speelduur bedraagt 10 minuten. Dit wordt bereikt door een dichtheid van 280 groeven per millimeter. Deze maximale speelduur werd toen voor programma's die in de huiselijke kring vertoond werden voldoende geacht. Programma's die langer duurden werden uit verschillende platen samengesteld. Een zeer snel wisselmechanisme maakt het mogelijk samengestelde programma's automatisch af te spelen. De pauze tussen 2 platen bedraagt hierbij vier tot 5 seconden.

De aftasting gebeurt mechanisch en daardoor is een eenvoudige constructie en gunstige prijs mogelijk. Waar een gewone grammo-foonplaat frequenties tot 15000 Hz kunnen weergeven, moet een beeldplaat frequenties tot 3 MHz (3 miljoen Hz.) kunnen weergeven.

Voor de registratie past men zogenaamd diepteschrift toe, waarbij van ronde groeven gebruik wordt gemaakt. De informatie staat er dus op als putjes en bultjes. Eigenlijk op dezelfde manier als bij Edison zijn cilinder fonografen. De afstand tussen 2 groeven is 3 tot 4 µm.

De plaat draait met 1500 toeren per minuut zodat er per omwenteling een volledig beeld wordt opgetekend. De diamant en aftaster zijn vast aan het geleidingsmechanisme bevestigd. De dieptevariaties van de plaat worden als drukvariaties geregistreerd zonder dat de aftaster een duidelijke op en neer beweging uitvoert. De drukvariaties worden door de diamant op de piëzo-elektrische aftaster overgebracht, die de druksignalen in een elektrisch signaal omzet.

De plaat zelf ligt niet op de draaitafel maar wordt door de centrale schotel aangedreven. Bij het hoge toerental wordt er een luchtkussen tussen de tafel en de folie gevormd, welke de ronddraaiende plaat vlak houdt en de verticale uitwijking begrenst.


De diamant van de TED speler moet na iedere speelcyclus bijgeslepen worden. Daarvoor zit er een speciale slijpinrichting ingebouwd die de diamant automatisch enkele seconden tegen de slijpschijf drukt. De levensduur van de diamant bedraagt daardoor ongeveer 80 uur. Af en toe duiken nog wel eens naalden op bij E-bay.

Het videosignaal wordt met een frequentiezwaai van 2,75 tot 3,75 MHz geregistreerd. De draaggolf frequentie van het geluid bedraagt 1,07 MHz met een maximale zwaai van 50 kHz. De horizontale definitie haalt 250 lijnen.

Het TED systeem werd nooit een groot succes en is inmiddels verdwenen.

Philips VLP (Video Long Play)

In tegenstelling tot de TED-beeldplaat werkt de VLP van Philips met contactloze aftasting d.m.v. een lichtstraal. De platen hebben een diameter van 30 cm en bestaan uit transparant materiaal dat aan één zijde van een dun laagje metaal is voorzien. De omwentelingssnelheid bedraagt 1500 toeren per minuut. De beeld- en geluidsinformatie zijn in gecodeerde vorm als microscopisch kleine op elkaar volgende putjes in een slechts 8 µm breed spoor ondergebracht. De registratie begint aan de binnenkant en loopt spiraalvormig naar de buitenkant. De speelduur van een VLP plaat bedraagt maximaal 45 minuten.

De signaal putjes worden met een kleine helium neonlaser met een golflengte van 600 nanometer en een vermogen van 1 mW uitgelezen. De straal wordt via een stel van lenzen op het informatiespoor gericht en al dan niet gereflecteerd, afhankelijk van de putjes, naar een fotodiode.

Het lichtsignaal wordt in die fotodiode omgezet in elektrische signalen. De signaalverwerking is interessant. De gezamenlijke informatie van video beeld met bijbehorend geluid is in een gecodeerde vorm aanwezig. Het video helderheidsignaal is hierbij het hoofdsignaal. Het kleursignaal volgens het PAL systeem wordt samen met de geluiddraaggolf in het VLP-spectrum geïntegreerd.

Hiernaast een schematische voorstelling. Men kan volgende onderdelen herkennen: 1=VLP plaat, 2=lens, 3=zwenkende spiegel, 4=half doorlatende spiegel, 5=fotodiode, 6=Laser.

De bandbreedte van het helderheidsignaal bedraagt 3 MHz. Voor het kleursignaal is dat 500 kHz en voor beide geluidskanalen 16 kHz. De geluidsinformatie is digitaal gecodeerd.

Philips CDV 475

Mijn Philips speler is een van de laatste die uitgekomen is en kan al Compact Disc's en CD-video afspelen. De benaming VLP is vervangen door de term "Laserdisc".


Hiernaast enkele van mijn beeldplaten. Het merendeel demonstratie platen van Sony en Pioneer. Je ziet dat er 2 verschillende formaten zijn. De 30 cm platen komen meest voor. De uitvoering in 25 cm is eerder zeldzaam. Soms zijn ze zilverkleurig, soms goudkleurig.

Naast zuivere beeldplaten waren er ook gecombineerde compact disc's voorzien. Er stond toen één video clip op en de rest was een gewone CD. Om het beeldgedeelte te kunnen afspelen had men een Laserdisc speler nodig. Het gewone CD-gedeelte was volledig afspeelbaar op iedere CD speler.

Pioneer Laserdisc

Het toestel van Pioneer.

Naast deze twee systemen van beeldplaten is er ook nog een ander systeem geweest, CED genaamd. Dit systeem is echter nooit op de Belgische markt geweest en wordt daarom hier voorlopig niet besproken.

 

Philips CD-i

Midden de jaren 90 kwam Philips met een nieuw idee. De interactieve CD. Reeds bij de lancering van de CD had Philips het idee om meer dan muziek op het nieuwe medium te plaatsen. Dit werd werkelijkheid door de komst van de CD-i.

Men kon een gigantisch aantal afbeeldingen op een CD plaatsen. Via een stuurmenu kon de informatie naar believen geraadpleegd worden. In een later stadium werden ook bewegende beelden op de CD-i geplaatst. Om ze weer te geven moest de speler uitgerust zijn met een zogenaamde video cartridge. Het was een MPEG 1 decoder. In latere toestellen was deze decoder standaard ingebouwd.

Het CD-i systeem kreeg een moeilijke start. Het sloeg niet zo erg aan. Pas toen een encyclopedie werd aangekondigd werd de vraag naar de toestellen plots groter. Ook de komst van films op Video-Cd deed de verkoop stijgen. Het grote succes bleef echter uit en enkele jaren later was mede door het uitblijven van voldoende aanbod van software het systeem onverkoopbaar. De beeldkwaliteit was te laag en speelduur was te klein. De laatste CD-i spelers kon men aan de straatstenen niet meer kwijt. Het werd tenslotte volledig verdrongen door de DVD spelers.