Contrareformatie in West-Vlaanderen

Een voorbeeld van plaatselijke geschiedenis

Bart Vandenbussche

 

14. DEVOTIES - ONTSPANNING

14.10. Slavenprocessie in Veurne en Oostende (1725 en 1735)


 

Eén van de meest ophefmakende en stoutste kapingen viel voor in de zomer van 1724 toen de "Keyserinne Elisabeth", een schip van de Oostendse Compagnie onder het bevel van kapitein Joseph Geselle, in de monding van het Kanaal door Turkse zeerovers werd overvallen. Het schip had 100 bemanningsleden met 30 kanonnen aan boord. Ze verdedigden zich dapper, maar na een verwoed gevecht waarin verscheidene doden vielen, werd het schip naar Algiers gesleept. Alle opvarenden stonden enkele dagen later te koop op de markt in Algiers en de scheepsinhoud werd als oorlogsbuit aangeslagen. De "Keyserinne Elisabeth" was op terugtocht uit het Verre Oosten (China, Indië, Japan) en bracht een dure lading zeldzame koopwaren mee. De kaping verwekte grote opspraak en verslagenheid, niet het minst in de families van de gevangen bemanningsleden, die bijna uitsluitend uit Zuidnederlanders bestond, vooral Bruggelingen en Oostendenaren. Sindsdien zijn de Turkse kapers nooit meer zo ver doorgedrongen in de zee nabij onze kusten; voor onze streken was het waarschijnlijk de laatste grote zeeroverij, waarmee massale gevangenneming gepaard ging.

De paters Trinitariërs, specialisten in het negociëren en afkopen van christenslaven, deden hun uiterste best en ze werden krachtig gesteund door de geldelijke bijdragen van talrijke confrerieën van Trinitariërs (H. Drievuldigheid) uit onze streken. De eerste elf bemanningsleden van kapitein Geselle werden al in de zomer van 1725 vrijgekocht. Ze ontscheepten in Marseille en na vele processies en stoeten in Frankrijk kwamen ze in Vlaanderen aan. Ook hier begon een wekenlange tocht van de ene stad naar de andere, waar de elf geketende slaven in stoet werden rondgeleid, zoals het toen de gewoonte was. Vele plaatselijke confrerieën hadden immers meegeholpen aan het verzamelen van de enorme losprijs. Ze waren dan ook niet weinig fier de verloste slaven in hun stad en in hun kerk in processie in te halen, om zo hun medeburgers tot nieuwe giften te bewegen. In het najaar van 1725 waren ze alleszins te Brugge (Sint-Gilliskerk) en vermoedelijk ook te Oostende in een processie te bezichtigen. Op 11 november 1725 werden ze in de Sint-Niklaaskerk in Veurne ingehaald, maar de onbekende auteur van de eigentijdse kroniek - die het werk van Pauwel Heyndericx voortzet - vermeldt twaalf in plaats van elf slaven. Hij weidt uitvoerig uit over de inhoud van het gekaapte schip : deze bijzonderheden vernam hij wellicht rechtstreeks van de slaven, toen ze in Veurne kwamen. De tekst luidt als volgt:

Op 11 november 1725 arriveerden in Veurne twaalf christenslaven met een pater trinitariër (de Vlaamse pater die in Algiers is overleden) van het vracht- en oorlogsschip van kapitein Geselle uit Oostende. Dit schip werd in Algiers gebracht op 18 juli 1724 en was geladen met 2500 balen mokkakoffiebonen, 150 balen mousseline (= licht zijden weefsel), 120 "cassen" porselein, 3 zakken met poedergoud, 130 "cassen" fijne kostbare stoffen, een partij kostbare gesteenten en snoeren, parels, enz. ... ; 's anderendaags 's morgens om zeven uur werd een gezongen mis gecelebreerd op het altaar van de Heilige Drievuldigheid onder het luiden van de klokken en tot vreugde van iedereen.

Bij latere vrijkopingen van de bemanning van de "Keyserinne Elisabeth" werden dan keer op keer opnieuw weer massale dankprocessies georganiseerd met de verloste slaven als grote blikvanger : in Brugge waren er alleszins processies in 1730, 1733, 1735 en 1737. Bij de vrijlating van nog eens elf slaven anno 1735 ging in Oostende een ommegang uit, waarin deze vrijgekochte slaven meestapten, wat door de Oostendse kroniekschrijver Jacob Bowens wel werd meegedeeld:

Op 14 december (1735) kwamen hier elf slaven aan, vooral Oostendenaars. Het waren de laatsten vanop het schip van kapitein Geselle, die in 1724 door twee Algerijnse zeerovers gevangen genomen werden en sedertdien in slavernij geweest waren. Vele van hun metgezellen waren al in 1731 verlost geworden en naar huis gekomen. Ze zijn allen afgekocht geworden door het Broederschap van de Allerheiligste Drievuldigheid. Enkele dagen na hun aankomst werd in de parochiekerk een plechtige mis gezongen met een algemene processie, waarin die elf slaven rondgeleid werden door een zeker aantal kinderen, verkleed als engelen. En men betoonde een grote blijdschap over hun terugkeer.

In de kronieken van andere West-Vlaamse steden, waar eveneens actieve Drievuldigheidsconfrerieën bestonden, lezen we niets over dergelijke processies ( wel in 1730 in Antwerpen, Sint-Niklaas en Gent). Vermoedelijk waren die slavenoptochten zo "gewoon" dat de meeste stedelijke kroniekschrijvers en annalisten er op de duur geen grote aandacht meer aan schonken in hun kronieken, waarin ze alleen de "merck-weerdighe" gebeurtenissen voor het nageslacht vastlegden...

De laatste Brugse slaaf was Frans De Mulder, die in 1781 werd vrijgekocht. Schilder Garemyn vereeuwigde de vrijkopingsscène in een doek, dat nog in de Brugse Sint-Gilliskerk hangt. De allerlaatste Vlaamse slaaf was waarschijnlijk Simon De Grave uit Ieper (parochie Sint-Maartens). In 1783 betaalde het bisdom Ieper ruim 1633 gulden voor zijn vrijlating uit Turkse gevangenschap.

(uit L. VAN ACKER, De laatste grote Vlaamse slavenprocessies, - Biekorf, LXXXIV (1984), p. 122-127)

 

1. (a) Waartoe werden de broederschappen van de Heilige Drievuldigheid opgericht?

(b) Door wie?

2. Welke functie hadden de slavenprocessies?

3. Waarom vinden we zo weinig inlichtingen over die slavenprocessies in de eigentijdse kronieken?