Contrareformatie in West-Vlaanderen

Een voorbeeld van plaatselijke geschiedenis

Bart Vandenbussche

 

3. GODS- EN DUIVELSBEELD

3.13 Moordlied over de lustmoord op een jong meisje in Torhout (1736)


 

Onder de vele soorten marktliederen heeft het moordlied zich steeds in een heel bijzondere belangstelling mogen verheugen. Wanneer een zanger op de markt verscheen met een lied over een moord die onlangs was gebeurd, was hij zeker van een aandachtige schare toehoorders. Iedereen had van de zaak al gehoord en men luisterde met spanning toe om te vernemen wat de zanger, die het hele land bereisde en overal zijn oor te luisteren legde, nog meer over de zaak had vernomen.

Op zo'n dag deed de zanger gouden zaken. Het moordlied stond dan ook steeds op de eerste pagina van het blaadje dat hij de koop aanbood. Dat was het lied dat met zijn grote actualiteitswaarde zijn dag goed ging maken: geweld, brutaliteit, berouw na de zonde, sensatie van de bovenste plank ...

 

Landloper-bedelaar Bonifaes Bonaventure Baesel kwam op 2 mei 1736 te voet van de omgeving van Torhout naar Loppem, waar hij op de hoeve van Sebastiaan Jonckheere vroeg om in de schuur de nacht te mogen doorbrengen. Voor hij ging slapen, praatte hij met de boer en diens gezin en met de hoeveknechten over allerlei koetjes en kalfjes om de avond door te brengen. Daarbij liet hij zich ontvallen "datter een meijsen lelick vermoort was in de bosschen van Thourout", maar dat hij de dader niet kende. Zijn rugzak hield hij angstvallig dicht bij zich. Ook zag men op zijn klederen enige bloedsporen, maar veel aandacht schonk men daar niet aan.

Op diezelfde dag, 2 mei 1736, werd inderdaad in de bossen bij Torhout een zestienjarig meisje, Marij Rijde, vermoord. Haar lijk werd pas 's anderendaags ontdekt. De dader bleef onbekend. Het duurde bijna twee jaar vooraleer boer Jonckheere te Loppem in dit verband dacht aan de bedelaar die op 2 mei al op de hoogte was van de moord, alhoewel het lijk toen nog niet was gevonden.

Op 12 februari 1738 wordt Baesel opgepakt en naar Brugge gevoerd. Pas na elf uur folteringen en ondervragingen ging hij tot bekentenissen over :

1) Hij kende het meisje al langer, maar had haar toevallig ontmoet. Hij had haar voorgesteld om wat te vrijen, maar zij had daar geen zin in. Omdat zij verder niet wilde dat hij een kind maakte, had hij haar driemaal in de bil gestoken. Hij sleurde ze dan in het bos. Zij riep om hulp en bood weerstand, maar tevergeefs. Baesel verkrachtte haar en doodde haar met nog drie steken van zijn mes.

2) Hij ontkleedde het lijk en stopte alle kledingstukken in zijn rugzak, die hij enkele dagen later weggaf of verkocht. Dan hing hij een wisse van wilgenhout om haar hals. Niemand zag hem het bos verlaten.

3) Voor hij het lijk naakt achterliet, schond hij het ook nog door twee brokken vlees uit de bil weg te snijden en ze in zijn rugzak te stoppen. Een stuk had hij aan de hond gegeven, een ander stuk weggesmeten in het bos bij Ruddervoorde.

Omwille van zijn imbeciliteit werd een publiek uitgevoerde doodstraf hem bespaard en werd hij levenslang opgesloten in het Gentse Rasphuis. Hij werd bovendien nog van een tweede moord op een meisje verdacht, nl. in augustus 1735 nabij zijn oorspronkelijke woonplaats Nieuwkerke.

 

Nieuw ende waerachtigh Liedeken van de schroomelycke Moort gedaen by Thourout in Vlaenderen aen een Meysken van sesthien jaeren in April 1736
 
1
Aenhoorders luyster naer dit lied,
Vervloeckt de grouwsaemheden (= gruweldaden)
Die gy voor ooghen siet,
't Schynt dat heel 't Nederlant
De boosheydt overmant
En 't quaedt heeft d' overhandt
 
2
Den tydt schynt my schier al te kort
Om 't quaedt bedryf te segghen
Aen 't Menschdom ingestort,
By desen moordenaer,
En oudsten logenaer (= leugenaar)
Onkuysheydt voorderaer (= bevorderaar, dus de duivel)
 
3
Godt in het H. Schrift beklaeght
Sigh dees grouwe feyten (= gruwelfeiten),
En gansch de weirelt plaeght (= straft),
Door grouwsaem water-vloedt,
Sodoma sonder boet (= boetedoening, voornemen tot beterschap)
Met 's hemels vier verdoet (= vernietigt).
 
4
Geen landt is onbekent de straf
Die Godt voor dese sonden
In Moyses tyden gaf,
Dogh 't schynt 't is al voor niet,
Wat Godt dreyght oft ghebiedt,
Geen sondaer 't quaedt aensiet (= hier : ontziet, vermijdt).
 
5
Een jongeman in de maendt April
't Is korten tydt gheleden
't Is een grouwsaem (= verschrikkelijke) wil,
Heeft een goey herderin,
Uyt drift van valsche min
Gebrocht al tot sijn sin (= verkracht).
 
6
By Thourout hoort naer myn vermaen,
Van dien verblinden dwaesen
Sulck schelm-stuck begaen,
Een maegt van sesthien jaer,
O boosheydt al te swaer
Bracht hy in 't ziel-gevaer
 
7
De dochter in het jeughdig gras
Hadt nimmer sulck vermoeden
Mits sy godtvruchtigh was,
Sy weirt sigh voor haer eer,
Dogh al voor hem te teer,
Quelt hy haer meer en meer.
 
8
Sy thoonde van die sonde schroom (= zij weigerde zich aan hem te geven)
Daerom wiert sy ghebonden
Met wissen aen een boom,
En wiert soo met ghewelt,
In 't vyants macht ghestelt
Onteert in 't open veldt.
 
9
Sy riep om hulp den hemel aen
Badt met gevronghen handen
En d' oogen vol getraen,
Doch 't was vergeefs gepleyt,
De geyle dertelheydt
Heeft haer genaede ontseyt.
 
10
Den duyvel raedt den dwingelant
Haer lichaem op te snyden
En 't hert uyt 't ingewandt,
't Haelen met helsch ghemoedt,
Siet wat de boosheydt doet,
Als imandt is verwoedt.
 
11
Hy liet het lichaem moeder-naeckt,
't Is schandelyck te singehn,
Waer den sondaer gheraeckt,
Wanneer hy Godt verlaet,
Volgende Satans raedt,
Vervalt van quaet tot quaet.
 
12
Als nu de dolheydt (= waanzin) scheen bedaert
En geylen lust bedreven,
Den moorder wiert vervaert (= kreeg schrik),
En gaf sigh op de vlucht,
Ja vreest des loofs gerucht (= het geritsel van de bladeren)
Om soo ghevloeckte tucht (= misdrijf).
 
13
Het hert van dees ontschaeckte (= met geweld genomen) maegt
Heeft noch (= nog) mede genomen
Wiens doodt wiert seer beklaeght,
Dees ouders heel betreurt,
De moort hun kindt gebeurt,
Ja d'harste-steen-rots scheurt.
 
14
Dien moorder is de straf ontgaen
Misschien voor korte tyden,
Doch kan Godt niet verraen (= ontgaan),
Wiens oogh het al doorsiet,
En weet al wat geschiet,
Mensch van de sonden vliedt (= wegvlucht)!
 

(uit W.L. BRAEKMAN, Zeven moordliederen uit West-Vlaanderen, - Biekorf, C (2000), p. 127-147 en 201-213)

 

1. Hoe weet je dat het lied werd gezongen, toen de dader nog onbekend was?

2. De enige informatie, die de zanger ter zijner beschikking had, was wat van mond tot mond werd voortverteld. Deze gegevens zijn weinig talrijk en bovendien ofwel geheel verkeerd ofwel een verdraaide weergave. Toon aan voor

(a) de datum

(b) de omstandigheden van de moord

(c) de plaats van de moord

3. Waaruit blijkt verder nog dat de tekstschrijver slechts over weinig concrete gegevns beschikte?

4. Welke "rol" spelen respectievelijk God en Satan in dit verhaal?