Contrareformatie in West-Vlaanderen

Een voorbeeld van plaatselijke geschiedenis

Bart Vandenbussche

 

6. DOOPSEL

6.14 De kerkgang in NIEUWKERKE (eind 18de eeuw)


 

Pastoor P.J. Vandendorpe werd als pastoor van Nieuwkerke benoemd na de concursus of het pastoorsexamen van 22 juni 1769. Hij stierf er in 1806 en liet een handboek na, waarin hij nauwkeurig al zijn ontvangsten bij de verrichte diensten vermeldde. Over de kerkgang van de vrouw na de bevalling, een soort zuiveringsceremonie, schreef hij het volgende:

Het recht van den priester bedraagt : vijf stuivers voor de kaars plus datgene wat de vrouw op het altaar legt als zij het altaar kust. Ook de offerande in de mis gaat naar de pastoor. De misdienaars worden betaald als zij de offerandepateen van de kerkgaande vrouw en de vroedvrouw dragen.
Er valt ook aan te merken dat de kerkgang onder de toren begint. Het is namelijk een misbruik, wanneer men de kerkgang aan de grote kerkdeur laat beginnen, zoals in sommige andere parochies geschiedt. De rest van de gebeden eindigen nooit aan het altaar van het Heilig Sacrament (= hoofdaltaar) om oneerbiedigheid te vermijden, maar aan het altaar van Sint-Andries of van Sinte-Anna (= zijaltaren).
Mijn achterdocht op dat gevaar berust op het lichtvaardig vertrouwen van vele vrouwen, die zo snel mogelijk hun kerkgang willen voltrekken, maar zij zijn mogelijks nog niet voldoende gezuiverd "a profluvio sequente partum " (de bloedvloeiing, die op de geboorte volgt).
Ik heb met veel moeite hun haast verhinderd en ik wil niet dat zij hun kerkgang doen, vooraleer veertien dagen voorbij zijn. Toch ben ik door hen al menige keren bedrogen geweest. Ik bid mijn opvolgers hier ook op te letten, niet alleen om de genoemde onbetamelijkheid te vermijden, maar ook omwille van het doodsgevaar, waaraan sommigen zich in mijn tijd hebben blootgesteld door hun lichaam te vermoeien en te verkoelen door zo snel na de bevalling naar de kerk te komen.
 

(uit J. GELDHOF, Het handboek van P.J. Vandendorpe, pastoor van Nieuwkerke (1730-1806), p. 147)

 

1. Welke misbruiken wil deze pastoor bij de kerkgang vermijden?

2. Waarom voelde de pastoor zich door sommige vrouwen bedrogen?

3. (a) Welke maatregel stelde hij voor?

(b) Welke dubbele doelstelling had hij daarbij voor ogen?

4. Voor wie schreef hij zijn handschrift? Motiveer.