Joris Helleputte (1852-1925)

Al tijdens zijn ingenieursstudie in Gent (1868-1873) laat Helleputte zich kennen als ultramontaan en Vlaamsgezind. Hij wijdt zich aan "het herstellen van de christelijke sociale orde" en pleit voor een volledige vernederlandsing van het middelbaar onderwijs.

In 1889 wordt Helleputte volksvertegenwoordiger. In de Kamer neemt hij een Vlaamsgezinde houding aan. Op zijn initiatief wordt in 1890 bij wet bepaald dat in het Vlaamse land niemand een rechterlijk ambt kan uitoefenen, tenzij hij slaagt voor een Nederlandstalig examen over strafrecht. Hij legt de grondslag tot de Belgische Boerenbond (1890) en de Belgische Volksbond (1891).

In 1893 stelt hij tevergeefs een samenwerking voor tussen de VKL, de Boerenbond en de Volksbond om kandidaten op te eisen op de kieslijsten van de katholieke partij. Hij beschouwt de Vlaamsgezinde intellectuelen en kleine burgerij, die zich verenigen in de Landsbond, als een stand, die naast de boeren en de arbeiders de katholieke zuil vormen.

Het optreden van Helleputte in de jaren 1889-1895 is essentieel voor de verbinding tussen de V.B. en de christen-democratie binnen de katholieke partij, maar na 1895 komt hij als Vlaamsgezinde minder op de voorgrond. Als minister van Spoorwegen, Posterijen, Telegrafie en Telefonie (1907-1910) verbetert hij de positie van de Vlamingen in zijn departement. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verzet Helleputte zich tegen de opname van liberalen en socialisten in de regering van nationale eenheid. Na de oorlog erkent hij het leiderschap van Frans van Cauwelaert in de katholieke V.B., maar binnen de Katholieke Vlaamsche Kamergroep remt hij meermaals het radicalisme van Van Cauwelaert af.