Filip de Pillecyn (1891-1962)

De Pillecyn studeert in 1914 af in de Germaanse filologie aan de Leuvense universiteit. Bij het begin van de vijandelijkheden wijkt hij uit naar Nederland. In 1915 komt hij als oorlogsvrijwilliger aan het front terecht. Hij wordt secretaris van de Legervergadering van de Frontbeweging en plaatsvervanger van ‘ruwaard’ (leider) Adiel Debeuckelaere. Samen met Hendrik Borginon schrijft hij in 1917 het pamflet Vlaanderens dageraad aan den IJzer. Aan het front schrijft hij ook een twintigtal gedichten, die na de oorlog uitgegeven worden.

In 1919 wordt De Pillecyn redactiesecretaris van de krant De Standaard. Hij wordt een van de leiders van het VOS en neemt mede het initiatief tot de IJzerbedevaarten. In 1922 verlaat hij De Standaard omdat de krant te minimalistisch is in zijn ogen. In 1926 wordt hij leraar. Hij publiceert nu romans en novellen.

Na de Duitse inval in mei 1940 sluit de Pillecyn zich aan bij het VNV en de DeVlag. In augustus 1940 ondertekent hij de oproep van VNV-leider Staf de Clercq tot een brede Vlaamse volksbeweging. Op 13 oktober 1940 wordt hij benoemd tot lid van de Vlaamsche Cultuurraad, waarvan hij samen met DeVlag-leider Jef van de Wiele de facto de leiding heeft. In mei 1941 wordt hij benoemd tot directeur-generaal voor het middelbaar onderwijs.

In september 1944 wordt De Pillecyn afgezet als ambtenaar en in 1947 tot tien jaar hechtenis veroordeeld. Hij komt in juli 1949 vrij. Van 1957 tot 1960 is hij lid van het IJzerbedevaartcomité. Zowel tijdens als na zijn gevangenschap blijft hij een productief auteur, met onder meer romans als Mensen achter de dijk (1949) en De veerman en de jonkvrouw (1950).