Gerard Romsée (1901-1976)

Van huize uit is Romsée belgicist en francofiel, maar rond 1917 wordt hij flamingant en zelfs Vlaams-nationalist. Vanaf 1920 volgt hij rechten aan de universiteit van Leuven en wordt actief in Vlaamsgezinde studentenverenigingen. Op 26 mei 1929 wordt hij verkozen tot volksvertegenwoordiger voor de Katholieke Vlaamsche Volkspartij Limburg (KVVL), die organisatorisch losstaat van de Frontpartij. Zij huldigt een uitgesproken katholiek standpunt, zweert bij een federalistische staatshervorming en verwerpt Groot-Nederland. De KVVL groeit vanaf 1936 uit tot de tweede sterkste partij in Limburg. Romsée wordt zo een van de topfiguren in de Vlaams-nationale Kamerfractie.

Hoewel de KVVL in 1933 formeel tot het VNV toetreedt, blijft zij tot na de verkiezingen van 1936 een onafhankelijke koers varen. Pas dan stuurt Romsée haar een extreem-rechtse richting in. Hij spreekt zich uit voor een Nieuwe Orde en een corporatief georganiseerde samenleving.

Vanaf de Duitse inval stemt Romsée zijn houding af op die van koning Leopold III. Hij keurt de capitulatie van het Belgische leger goed. Vanaf juli 1940 kiest Romsée voor de 'collaboratie van het minste kwaad'.

Op 17 augustus 1940 wordt hij dankzij Duitse druk gouverneur van de provincie Limburg en op 2 april 1941 secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid. Hij blijft dit tot het einde van de oorlog. Hij levert een grote bijdrage aan de 'greep naar de macht' van het VNV door duizenden Vlaams-nationalisten te benoemen.

Begin september 1944 vlucht Romsée naar Oostenrijk. In mei 1945 komt hij terug naar België. In 1948 wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar. Zes jaar later komt hij vervroegd vrij en op 22 juni 1966 krijgt hij eerherstel. Hij speelt geen rol meer in het openbare leven.