Hugo Schiltz (1927)

Schiltz wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog lid van de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV). Tijdens de repressie wordt hij als zestienjarige een paar maanden opgesloten. Daarna studeert hij rechten, economische wetenschappen en thomistische wijsbegeerte in Leuven. Hij raakt er voorgoed betrokken bij het Vlaams-nationalisme.

In 1953 vestigt Schiltz zich in Antwerpen als advocaat. In 1963 treedt hij officieel toe tot de VU. Hij wordt Kamerlid (1965-1991) en senator (1992-1995). Schiltz drukt meteen zijn stempel op de VU. Hij introduceert meer linkse Vlaamsgezinden in de partij en verruimt het partijprogramma met standpunten die het communautaire overstijgen. In 1975 wordt hij na een bitsige interne machtsstrijd voorzitter.

Schiltz’ relatie met de traditionele V.B. zou steeds moeilijk zijn. Hij kiest bewust voor een deelname aan de macht en is bereid compromissen te sluiten en toegevingen te doen aan de Walen, tot groot ongenoegen van de traditionele rechtse Vlaams-nationalisten. In 1975 mislukken de onderhandelingen over de kabinetsvorming. In 1978 leidt Schiltz zijn partij in de regering om het Egmontpact over de nieuwe staatshervorming uit te voeren. In het najaar van 1978 loopt het pact op de klippen en lijdt de VU een zware verkiezingsnederlaag. Schiltz wordt verantwoordelijk gesteld. In 1979 neemt hij ontslag als partijvoorzitter.

In 1981 wordt hij minister van Begroting in de eerste Vlaamse executieve. In de tweede helft van de jaren 1980 wordt hij samen met Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene een van de grote architecten van het gefederaliseerde België. Hij wordt in 1988 federaal minister van Begroting, Wetenschapsbeleid en vice-premier.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 stapt hij in een kartel met de CVP en een paar onafhankelijken, "Antwerpen 1994", dat een dam wil opwerpen tegen het Vlaams Blok. Na de verkiezingen wordt Schiltz schepen van Financiën in Antwerpen. In 1995 wordt hij minister van Staat.