Omer Vanaudenhove (1913).

Vanaudenhove stamt uit een liberaal gezin. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is hij lid van het verzet. Na de oorlog doet hij diverse radicale anticollaboratie-uitspraken. Hij wordt nog jong liberaal senator en in 1961 voorzitter van de liberale partij, die hij autoritair leidt. Op het partijcongres van 8 oktober 1961 geeft hij de partij een nieuw programma en een nieuwe naam: PVV. Het antiklerikalisme wordt definitief afgezworen en hij trekt ook enkele Vlaamsgezinde jongeren aan. Met deze partijvernieuwing wil Vanaudenhove ook de anticollectivistische en de unitaristische krachten verenigen.

Bij de parlementsverkiezingen van 1965 springt de PVV van 20 naar 48 Kamerzetels. Na deze overwinning wil Vanaudenhove een gemeenschappelijk PVV-standpunt inzake de taalvraagstukken uitwerken. Op 22- 23 januari 1966 komt het taalcompromis van Luik uit de bus. Dit bevat enkele duidelijke toegevingen aan de Franssprekende liberale Brusselaars. Essentiële punten van de taalwetgeving van 1962-1963 worden in twijfel getrokken. In de Vlaamse vleugel van de partij ontstaat verzet. Vanaudenhove reageert zeer krachtig tegen deze Vlaamse dissidentie. Op het partijcongres van 29 september en 1 oktober 1967 slaat hij een rechts-unitaire koers in.

Bij de verkiezingen van 1968 voert de PVV campagne rond de persoon van Vanaudenhove en diens belgicistische standpunten. De kwestie ‘Leuven Vlaams’ beroert de gemoederen echter en de PVV boekt dan ook verlies. Na deze nederlaag raakt de PVV intern verdeeld en een zwaar teleurgestelde Vanaudenhove neemt op 13 september 1968 ontslag als voorzitter. In 1974 trekt hij zich terug uit de actieve politiek.