Herman Vos (1889-1952)

Tijdens de Eerste Wereldoorlog treedt Vos toe tot de Raad van Vlaanderen. Een hervorming van de Belgische staat tijdens de Duitse bezetting kan hij niet aanvaarden en daarom wil hij al in augustus 1917 uit de Raad stappen. Uiteindelijk doet hij dit pas in januari 1918 nadat de Raad de onafhankelijkheid van Vlaanderen heeft uitgeroepen. Met het activisme breekt hij echter niet.

Na de oorlog wordt Vos veroordeeld tot drie jaar hechtenis. Op het einde van 1920 komt hij vrij en wordt door de Antwerpse Fronters met open armen ontvangen. Hij zet zich vooral in voor amnestie. In 1925 wordt hij volksvertegenwoordiger. Hij heeft goede contacten met Frans van Cauwelaert en Camille Huysmans. Vos is de architect van de Bormsverkiezing in december 1928. Hij maakt er een referendum voor amnestie van.

Na de verkiezingen van 1929 stelt hij samen met de Nederlandse historicus Pieter Geyl het Federaal Statuut op. Dit wetsvoorstel voorziet in een statenbond van Vlaanderen en Wallonië.

In de zomer van 1933 is Vos betrokken bij de onderhandelingen tot de oprichting van het VNV. Voor hem, als democraat, is er echter geen plaats in de nieuwe partij. Op 1 november 1933 verlaat hij het Vlaams-nationalisme en treedt toe tot de BWP. Vanaf 1936 wordt hij gecoöpteerd senator. Hij strijdt voor democratie en noemt het VNV ronduit fascistisch.. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft Vos een leidende rol in de illegale BWP. Na de oorlog wordt hij minister van Openbare Werken en Openbaar Onderwijs. Vanaf 1949 is hij lid van het Centrum-Harmel.