klik op de afbeelding om ze groter te maken klik op de afbeelding om ze groter te maken 15 september 1819

Met een Koninklijk Besluit verplicht koning Willem I de overheid in de provincies Antwerpen, Limburg, Oost- en West-Vlaanderen het Nederlands te gebruiken als het publiek dat wenst. Vanaf 1823 zal het Nederlands exclusief gebruikt moeten worden.

Na de nederlaag van Napoleon in Waterloo (1814) en de verdrijving van de Fransen uit de Zuidelijke Nederlanden worden in 1815 de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Om Noord en Zuid een tot een natie te smeden voert de Nederlandse vorst Willem I een vernederlandsingspolitiek. Hij beschouwt het Nederlands als de nationale taal en Frans en Duits als lokale talen.

Willem I vaardigt vanaf 1819 taalwetten uit voor de vernederlandsing van de Vlaamse gewesten. Het KB van 1819 wordt in 1822 ook van toepassing op de arrondissementen Leuven en Brussel. Het aantal Franstaligen in Brussel is tussen 1760 en 1821 van 5 à 10% van de autochtone bevolking tot 25% gestegen. Actief in strategische sectoren zoals de pers verhogen ze het prestige van het Frans en remmen de invoering van het Nederlands af. De vernederlandsingspolitiek van de regering slaagt er dan ook niet.

De taalwetgeving is ook gericht op de introductie van het Nederlands als officiële taal in Wallonië. Een KB van 18 juni 1823 voorziet in de volledige vernederlandsing van het middelbaar onderwijs tegen 1929.

De beoogde Nederlandse natievorming draait uit op een mislukking. Noord- en Zuid-Nederlanders hebben sedert de scheiding op het einde van de 16de eeuw al te zeer een eigen identiteit ontwikkeld. Op de dieperliggende culturele en mentale kloof enten zich politieke tegenstellingen. Het katholieke protest tegen de kerkpolitiek van de koning en het misnoegen over zijn autoritaire regeringsstijl groeien. De oppositie verenigt zich in het zgn. monsterverbond van liberalen en katholieken. De unie streeft naar de vestiging van een parlementair regime met pers- en onderwijsvrijheid en ministeriële verantwoordelijkheid (waardoor de koning niet meer eigenmachtig kan regeren). Zij krijgt aanvankelijk steun van een aantal mensen uit het Noorden maar evolueert in 1828-1829 tot een uitgesproken Belgische oppositie, terwijl de Noordelijke publieke opinie zich achter de vorst schaart. Die doet in 1829 en 1830 nog toegevingen aan de oppositie (o.a. op taalgebied), maar blijft op het meest cruciale punt, de ministeriële verantwoordelijkheid, onwrikbaar. Tijdens het conflict wordt zowel het Hollandse als het Belgische nationale bewustzijn versterkt.

De taalpolitiek heeft in het anti-Nederlandse verzet maar een beperkte rol gespeeld. Zij heeft evenwel gunstige gevolgen gehad voor het Nederlands in Vlaanderen. Er is een groep taalbewuste intellectuelen, de taalminnaren, ontstaan. De taal is door haar contact met het Noorden op een hoger niveau getild en bruikbaar gemaakt voor een modern beleid. Door het onderwijs is de kennis van het Nederlands bovendien verbeterd. Dat alles zal op termijn effect hebben op het Vlaamse taalbewustzijn en het ontstaan van de V.B.

vorige | volgende

NEVB

Bestuur
Brussel
Taalpolitiek en —wetgeving
Willem I

terug naar de tijdlijn