♣ Klavertjes Vier ♠
Briesend en stampend, zij vieren hun vrijheid
In golvende weiden, de paarden in ’t wild.
Ik, in die tijden, was nog lang niet gestild.
Maar nu moet ik werken, ‘k had het anders gewild.
Het werk is weer gedaan.
‘k Kan iets zinnigs gaan beginnen.
Kon ik maar iets verzinnen,
Maar mijn kop is hol vanbinnen.
Als de zon laag staat en weerkaatst
op de blaadjes van de berken,
ben ik rijk, rijker dan king Fahd.
Maar zonder u, is ook dit
Verre van volmaakt.
Ik loop onder regenbogen voort
Naar de glinsteringen in de verte
En zweef tot hoog aan de poort
Waar mijn kloppen echoot zonder gehoor.
Kerkhofkatten
Spinnen op de graven
En verjagen muizenissen
Bij de vrome stille wakers.
De koers daalt en daalt.
Alle stats zijn achterhaald.
Niemand blijft aan de kant
In dit gat zonder rand.
De objectieve wetenschapper
Wist zijn sporen voor zich uit,
Speurt, op zoek naar feiten, de einder af
En hij zet stappen achteruit
Tot ook die horizon verdwijnt
En zijn licht als enigste nog schijnt.
De grond van de zaak
Is eerder oppervlakkig.
Dacht de korrel op het strand
En liet zich pakken door de wind.
De okkernoot, zonet ternauwernood
Uit de ijzeren greep ontsnapt,
Geeft zich van zelve bloot
Voor wat honing siroop
Bij zijn gekarameliseerde dood.
De chips naast z’n sterfbed zijn op
Hij staart naar zijn leven,
Fleurt op, nog heel even,
Bij ’t allerlaatste reclameblok.
Dubai
Sell your old life, shed your ways
Buy a new one in Dubai
Then dream on about the good old days
When life was hard, but you knew why.
Like a fata morgana in the desert of life,
It is coming soon, will be going even sooner.
For the green dream they all strive,
While the sands on the dunes keep on laughing at the moon.
The cage is gold and has no limits,
They are in it and can’t grow old,
Except at night, when they pray and cry
Bye bye Dubai, bye bye.
Ode aan de
fraude
(vrije vertaling van een tekst
van F. Schiller, alternatief Europees volkslied)
Kom vrienden, niet zo getreurd.
De trog is nog vol, niets ergs is gebeurd.
Laat de zoete geur u doen draaien,
En de zachte wind door uw hoofdjes maar waaien.
Fraude, o schoon godenkind,
dochter uit het Elysée
Arm en rijk door u verlinkt,
allen samen in de zee.
Alle broeders worden loeders
in deze grote zwijnenstal.
Wie niet meedoet, is bescheten
In dit ondermaatse tranendal.
Jubelt, jubelt, gespruit op deze kluit
Want hij keert vandaag weer uit.
Neemt en drinkt hier allen van
Tot op de bodem van de kan.
Ranting single #5
Mijn waarde parochianen, hoedt u
voor de lokroep van de single
want vandaag de dag
staan decibels voor ambiance
en alcohol voor geluk,
sex voor liefde
en bezigheid voor vervulling.
’t Refrein gaat als volgt:
kicken is leven
nemen is geven
hebben is zijn
en de waarheid doet pijn.
denken is stroef
middelmaat troef
alles is iets
maar de paus toch maar niets.
Ik trap het af
nog één keer zingen
kijk in mijn ogen
wij heffen het glas.
Dood van een neuroot
Dit wordt een markante dag
De stand van de sterren, de dag van de maand
De krenten in de pap, ’t aantal treden op de trap
Alles staat in zijn teken, dit wordt zijn dag.
Opgewekt en blij verwachtend,
de 15 treden van de trap af.
eentje links, eentje rechts,
13 slaat hij over, zoals het past.
En stipt op tijd stopt daar de bus,
Perfectie maakt hem goedgemutst
Dit wordt de dag die zijn lot zal keren,
boude plannen durft hij weer te smeden.
Elke dag op perron zeven,
staat de vrouw daar van zijn leven.
Zal zij hem vandaag herkennen?
Of misschien geeft de automaat
eens koffie zonder poeder smaak?
Argeloos en zelfverzekerd,
in het kader van zijn nieuw besluit
kijkt hij richting perron zeven.
Maar hij glijdt en schuift uit,
Onder de trein van kwart voor negen.
Een aanval
Yzig, heet, razend en moe.
Het hart bonkt en wil eruit.
Een anker drukt op de borst.
Zijn vel kookt, de jeuk slaat toe.
Nagels krabben harder, dieper.
Broze huid springt open.
Pus, vocht en stoom komt vrij.
Die koelte zalft, niets is hem liever.
Die taaie strijd voor zijn veeg bestaan,
Zijn zwakke zelf tegen ‘t beest van binnen,
Elk moment kan het herbeginnen.
Kon hij zichzelf maar zinneloos slaan.
Rillend, bloedend, uitgeteld,
In de stank van rottend vel,
De valse rust daalt neer.
Respijt tot de volgende keer.
Dolers
De man met rugzak en open blik
wrijft het stof uit zijn baard en trek voort
naar de zoveelste anekdote
tussen twee connectievluchten in.
Maar bij elke adempauze,
in moesson regens of zandstorm,
Bij elke trek van zijn sigaret,
in de ruisende branding of op een besneeuwde top,
komt hij steeds weer uit op dat ene punt.
De meren in de Andes
waren net zo diep en koel als haar ogen.
Het zand van de Sahara
brandde en sneed diep als haar lippen.
De golven op de Zuidzee
deinden zoals zij die nacht.
Duizend mijlen daarvandaan, in Suburbia,
met een blikje aan het open vensterraam,
stijgt de rook van zijn sigaret langzaam
tussen sterren en maan.
Achter zijn rug ruist zachtjes de adem van zijn vrouw.
Het licht van de nacht op haar huid is als ongerepte sneeuw.
Hij krabt, waar het jeukt, tijdens een langgerekte geeuw.
En droomt van witte palmen stranden op een veld van azuurblauw.
Joggen in trance
Door donkere strepen grijs
Even vergeten
In ’t nachtelijk paradijs
Verval
Tussen ijle nevels
vanuit de barre rots
sijpelt de druppel
Een perfecte spiegel
van land boven lucht
in vloeibaar kristal
Vele druppels later
van hoge rotsen langs steile paden
Stuimelt geklater
Van dorre takken en losse blaad’ren
Door de wind verzameld
Dansend op ‘t water
Beneden in het dal
komen de waters samen
waar de weerstand ’t laagst is
waar helder zwart wordt
Van op een oude brug
In ‘t midden van de poel
Staar ik in ‘t diepe
Een gitzwarte omtrek
kronkelt ongrijpbaar
zwelt aan en slokt op
Burt Lancaster
Gentleman krachtpatser
Rots in de branding of koele desperado
Wij kruipen in het aanschijns uw karakter.
Held voor de zoutlozen
Hoop voor de muurbloempjes
Uw lach strale en uw haren wuiven
En omring u met het schone
Uw rijk kome.
WTC Terter’s Wee
Tussen hekkens en lochtings en kotegerijen
Kan de oude Vlaming het best gedijen
Een goeiendag van een boer zonder tanden
Met een goeie trappist tussen zijn koude handen
Een weitje met badkuip en een knol die zich lest
In de zoete geur van stro met koeiemest
In de verte zwarte rook van opgestookte autobanden
Wat heeft een mens meer nodig om zich te warmen?
Catechese centerfold
Als de vuurtoren schijnt in een spiegelpaleis
Als de meerpalen op wieltjes staan
Als de sporen rollen onder de trein
En je vraagt je af wat is leven en wat is straf
Wat te ondergaan en wat te verslaan
Zoek dan het licht binnenin
Veranker je ziel
Langs het oude rechte spoor
Economie voor 1ste jaars
(naar De Leeuw van De Schoolmeester)
Een bankier is eigentlijk iemand,
Die verantwoordelijk is voor niemand,
Zijnen nek en zijn beurs
Zijn dikker dan die van een reus;
Met zijn klauw
Is hij heel erg gauw;
En met zijn tanden
Durft hij al uw centjes aan te randen.
Als iemand hem toch met den vinger wijst
Dan gaat hij jokken en mokken
En kruipt weg onder moeders lange rokken.
Komt ooit een bankier rechtstreeks op u aan,
Dan is ’t beste om maar regelrecht uit den weg te gaan.
Doch niet als hij opgezet of dood is,
Daar er in dat geval geen nood is.
Lamstraal treft doel
Een uitstap met de klas naar de Kluisbergse bossen,
Liever bleef hij thuis dan daar vrolijk rond te hossen.
Maar mama gaf zo’n preek dat hij uiteindelijk snel bezweek.
Dus in’t bos streek hij neer, zonder effectief verweer.
Beukennootjes pletten met de hak van zijn schoen
Wat anders valt er hier in godsnaam nog te doen.
Blaadjes voor herbaria, of de bittere boleet,
Al dat gezwam, is niet aan hem besteed.
Maar plots kijkt hij op
als tegen zijn harde kop
een kastanje klopt.
Door het bladerdak
Breekt een gouden straal,
Badend in licht, lacht Liesje.
Sinds zijn ze nog veel gaan hossen
in Kluisbergse en andere bossen.
Zijn interesse is toen gegroeid
in al wat buiten bloeit en stoeit.
Nu, jaren en een scheiding later,
Leidt hij zijn eigen klas door ‘t bos.
Ze staan stil bij de bittere boleet.
Vraagt onze leraar zich plots af
Waarom hij ooit die studies deed.
Ergens in ’t stad
Persoon aarzelt, stapt binnen.
Ober meewarig: Tafel voor één?
Mensen alleen
Liggen dagen te stinken
Vooraleer de buren ze vinden.
Vrijdagavond
Onbestemde noden en verwachtingen
zijn routine voor de gebruiker die afkickt,
maar vertroebelen traag zijn nuchtere rust.
Aan hem likt het vuur. De mist rondom verstikt.
Uitgaan
De honger knaagt, de lust ontwaakt,
Zijn bestemming heeft groen ogen.
Maar de roes die normaal obstakels klaart
Heeft weeral niets vermogen.
Steeds tweede keus, dan derde keus.
Dus blijven drinken, beurt afwachten,
Bij elk shot ietsje meer dubieus
Tot hij haar vormen in zijn glas bespeurt.
Uitgaan tot voorbij de laatste illusie,
Uitgaan als een kaars,
Uitgaan tot de laatste muziek,
Uit in de ontwenningskliniek.
Powerplay
Hij kan geen ja zeggen,
Toegeven maakt hem broos.
Zij kan geen nee horen,
De hunker maakt haar radeloos.
Kan hij zonder, ook zonder zijn neen tegen haar?
Is zij zo blind of bestrijkt zij slechts zijn ego?
Wie speelt hier met wie?
Beiden verslaafd aan zichzelf en elkaar.
Parels ( voor de …)
In een nieuw rood
kleedje kwam ze binnen,
onbevangen en koket. Als een kat, trots en
aandachtig, liet zij haar blik door de zaal glijden.
Het spel zou duidelijk volgens haar regels gespeeld
worden of helemaal niet.
Althans, dat was de intentie.
Onwrikbaar van aan
de bar, met een diepe fonkel in
de harde blauwe ogen, schoot hij, vlotjes en trefzeker,
raak. Er was geen nood om de prooi te gaan
inspecteren, zij kwam zelf al flemend naderbij.
Nu kon de finale destructie beginnen in de vorm van sloten bier.
Tot bij hem thuis is ze nog geraakt.
In de hoge hal van
het oude herenhuis hielden ze halt
voor een belichte muurplank. Hij verzamelde oude
parels die hun glans al lang hadden verloren. Liever
zag hij de laatste flikkering uitdoven dan dat zo’n
parel zou blijven schijnen tot na zijn korte stonde op deze aarde.
Gebiologeerd bleef ze luisteren.
De dag erna, lag
er op de plank een nieuwe parel,
een rode. Een zonnestraal brak door het loden glas
van het hoge raam, sneed door het stof, en deed de
parel nog even oplichten. Die avond zat hij aan de bar
met een vernieuwde fonkel in de ogen. Een kat lag
moe en lusteloos aan zijn voeten te flemen.
Van het rode meisje geen spoor.
Yacta yawn (Yet another call to arms, yawn), anno 2010
This whole nation’s going down the drain
We keep on laughing but we’ll die in pain
We’re all basking in the last rays of sun
We should be fighting but prefer to have fun.
The trunk’s dead, the branches don’t know it yet.
We all have our reasons to look away.
Do we want the last sunset?
Or do we want a new day?
Will the last good men please stand up?
While the rest stays stuck in the sucking mud.
Round the suckers up, we should break their back,
but they have no spine. What should we do instead
to get this state back up?
Zelf referentie in het eendimensionaal vlak
(of hoe zonder goede ijkpunten, iedereen de grootste idioot begint na te apen)
Blond en blauw ogen werd ooit veracht als van de barbaren,
Maar is nu deel van het gevestigd ideaal.
De Venus van Wollendorf was ooit als schoonheid niet te evenaren,
Haar figuur zou vandaag worden afgedaan als marginaal.
Tijd blijft als enige gegeven, de rest valt tegenwoordig vrij te kiezen.
Zo vrij dat de maatstaf dicteert en niemand voor zichzelf nog meet.
Maar op een golf kan je wel drijven maar niet sturen en weet
dat sturen duurt tot we de poolster uit het oog verliezen.
Atol
Op de zachte regelmatige adem van de slapende aarde spoelen de golven over het platina strand, onophoudelijk en onverzettelijk.
Na elke golf, in het zilveren licht van de maan die lacht vanuit de tribune, herhaalt zich het bekende spel:
Eén korreltje houdt vast, laat los, rolt en duikt het diepe in.
Verderop, op het vastere zand, lopen twee sporen.
Zigzaggend tussen helmgras, half uitgewist door de wind, nu eens uit elkaar dan weer samenkomend.
Hun fietswielen knarsen, het zand en de wind hebben hun jeugdige blos weggevaagd en hun gezichten verweerd, mechanisch trappen ze voort. Op de vlucht voor de grote blauwe leegte, op zoek naar vaste grond. Met spijt over die plekken waar ze indertijd hun anker hadden kunnen uitgooien maar aan voorbij gingen, op zoek naar hoger en beter.
De wielen zakken steeds dieper weg. Het zand wordt natter en natter. Haar fiets blokkeert en zakt weg. Hij grijpt haar, probeert de angst uit haar blik te verjagen. Zij drukt zicht tegen zijn borst en hoort snelle luide hartslagen. Verstard volgen hun ogen hoe het mulle drijfzand de fiets opslokt. Enkele seconden blijft het stuurwiel nog boven, als laatste groet aan de maan.
Ze moeten verder, en vlug, met twee op één fiets, langs de weinige harde grond.
Waarom hebben ze hun schoonheid en jeugd voor elkaar gespaard als alles hier eindigt?
De grond verdwijnt als maar sneller. Het water stijgt. Al zijn laatste krachten richten zich op de pedalen. Zij knelt zich vast. Even drijft een wolk voor de maan. Plots trapt hij in het ijle. Gedurende een fractie lijken ze te zweven. Dan komt het koude water. Verschrikt klimmen ze op de rand en happen naar adem. De wolk drijft voorbij en in het licht van de maan zien ze hoe de fiets langzaam wegzakt in de barst, en steeds kleiner en donkerder wordt, totdat het zwarte gat enkel nog hun verslagen gezicht weerspiegeld.
Hij wil haar nog kussen, zoals vroeger, nog even ter afscheid de herinnering aan hun mooie toekomst oproepen, wat anders rest er nog? Maar de veer in haar was gebroken, haar ogen staan mat en als verdoofd gaat ze liggen op het ondergelopen strand. Haar haren dansen op het stijgende water. Vanonder het oppervlak glinsteren haar ogen een laatste keer, alsof ze hem wenkt naar de andere kant. Het water staat nu tot aan zijn knieën. Er is geen grond meer te bespeuren.
Het laatste korreltje heeft los gelaten. Bedeesd komen de eerste tinten lichtblauw en roze aan de hemel en de maan houdt het voor bekeken. Met zachte regelmaat deinen de golven van de blauwe oceaan, onophoudelijk, onverzettelijk, onmetelijk.