Klavertjes Vier

 

Briesend en stampend, zij vieren hun vrijheid

In golvende weiden, de paarden in ’t wild.

Ik, in die tijden, was nog lang niet gestild.

Maar nu moet ik werken, ‘k had het anders gewild.

 

 

Het werk is weer gedaan.

‘k Kan iets zinnigs gaan beginnen.

Kon ik maar iets verzinnen,

Maar mijn kop is hol vanbinnen.

 

 

Als de zon laag staat en weerkaatst

op de blaadjes van de berken,

ben ik rijk, rijker dan king Fahd.

Maar zonder u, is ook dit

Verre van volmaakt.

 

 

Ik loop onder regenbogen voort

Naar de glinsteringen in de verte

En zweef tot hoog aan de poort

Waar mijn kloppen echoot zonder gehoor.

 

 

Kerkhofkatten

Spinnen op de graven

En verjagen muizenissen

Bij de vrome stille wakers.

 

 

De koers daalt en daalt.

Alle stats zijn achterhaald.

Niemand blijft aan de kant

In dit gat zonder rand.

 

 

De objectieve wetenschapper

Wist zijn sporen voor zich uit,

Speurt, op zoek naar feiten, de einder af

En hij zet stappen achteruit

Tot ook die horizon verdwijnt

En zijn licht als enigste nog schijnt.

 

 

De grond van de zaak

Is eerder oppervlakkig.

Dacht de korrel op het strand

En liet zich pakken door de wind.

 

 

De okkernoot, zonet ternauwernood

Uit de ijzeren greep ontsnapt,

Geeft zich van zelve bloot

Voor wat honing siroop

Bij zijn gekarameliseerde dood.

 

 

De chips naast z’n sterfbed zijn op

Hij staart naar zijn leven,

Fleurt op, nog heel even,

Bij ’t allerlaatste reclameblok.

 

 

Dubai

 

Sell your old life, shed your ways

Buy a new one in Dubai

Then dream on about the good old days

When life was hard, but you knew why.

 

Like a fata morgana in the desert of life,

It is coming soon, will be going even sooner.

For the green dream they all strive,

While the sands on the dunes keep on laughing at the moon.

 

The cage is gold and has no limits,

They are in it and can’t grow old,

Except at night, when they pray and cry

Bye bye Dubai, bye bye.

 

 

Ode aan de fraude 
(vrije vertaling van een tekst van F. Schiller, alternatief Europees volkslied)

 

Kom vrienden, niet zo getreurd.

De trog is nog vol, niets ergs is gebeurd.

Laat de zoete geur u doen draaien,

En de zachte wind door uw hoofdjes maar waaien.

 

Fraude, o schoon godenkind,

dochter uit het Elysée

Arm en rijk door u verlinkt,

allen samen in de zee.

 

Alle broeders worden loeders

in deze grote zwijnenstal.

Wie niet meedoet, is bescheten

In dit ondermaatse tranendal.

 

Jubelt, jubelt, gespruit op deze kluit

Want hij keert vandaag weer uit.

Neemt en drinkt hier allen van

Tot op de bodem van de kan.

 

 

 

Ranting single #5

 

Mijn waarde parochianen, hoedt u

voor de lokroep van de single

want vandaag de dag

staan decibels voor ambiance

en alcohol voor geluk,

sex voor liefde

en bezigheid voor vervulling.

 

’t Refrein gaat als volgt:

kicken is leven

nemen is geven

hebben is zijn

en de waarheid doet pijn.

 

denken is stroef

middelmaat troef

alles is iets

maar de paus toch maar niets.

 

Ik trap het af

nog één keer zingen

kijk in mijn ogen

wij heffen het glas.

 

 

Dood van een neuroot

 

Dit wordt een markante dag

De stand van de sterren, de dag van de maand

De krenten in de pap, ’t aantal treden op de trap

Alles staat in zijn teken, dit wordt zijn dag.

 

Opgewekt en blij verwachtend,

de 15 treden van de trap af.

eentje links, eentje rechts,

13 slaat hij over, zoals het past.

 

En stipt op tijd stopt daar de bus,

Perfectie maakt hem goedgemutst

Dit wordt de dag die zijn lot zal keren,

boude plannen durft hij weer te smeden.

 

Elke dag op perron zeven,

staat de vrouw daar van zijn leven.

Zal zij hem vandaag herkennen?

Of misschien geeft de automaat

eens koffie zonder poeder smaak?

 

Argeloos en zelfverzekerd,

in het kader van zijn nieuw besluit

kijkt hij richting perron zeven.

Maar hij glijdt en schuift uit,

Onder de trein van kwart voor negen.

 

 

Een aanval

 

Yzig, heet, razend en moe.

Het hart bonkt en wil eruit.

Een anker drukt op de borst.

Zijn vel kookt, de jeuk slaat toe.

 

Nagels krabben harder, dieper.

Broze huid springt open.

Pus, vocht en stoom komt vrij.

Die koelte zalft, niets is hem liever.

 

Die taaie strijd voor zijn veeg bestaan,

Zijn zwakke zelf tegen ‘t beest van binnen,

Elk moment kan het herbeginnen.

Kon hij zichzelf maar zinneloos slaan.

 

Rillend, bloedend, uitgeteld,

In de stank van rottend vel,

De valse rust daalt neer.

Respijt tot de volgende keer.

 

 

 

Dolers

 

De man met rugzak en open blik

wrijft het stof uit zijn baard en trek voort

naar de zoveelste anekdote

tussen twee connectievluchten in.

 

Maar bij elke adempauze,

in moesson regens of  zandstorm,

Bij elke trek van zijn sigaret,

in de ruisende branding of op een besneeuwde top,

komt hij steeds weer uit op dat ene punt.

 

De meren in de Andes

waren net zo diep en koel als haar ogen.

Het zand van de Sahara

brandde en sneed diep als haar lippen.

De golven op de Zuidzee

deinden zoals zij die nacht.

 

Duizend mijlen daarvandaan, in Suburbia,

met een blikje aan het open vensterraam,

stijgt de rook van zijn sigaret langzaam

tussen sterren en maan.

 

Achter zijn rug ruist zachtjes de adem van zijn vrouw.

Het licht van de nacht op haar huid is als ongerepte sneeuw.

Hij krabt, waar het jeukt, tijdens een langgerekte geeuw.

En droomt van witte palmen stranden op een veld van azuurblauw.

 

 

Joggen in trance

Door donkere strepen grijs

Even vergeten

In ’t nachtelijk paradijs

 

 

Verval

 

Tussen ijle nevels

vanuit de barre rots

sijpelt de druppel

 

Een perfecte spiegel

van land boven lucht

in vloeibaar kristal

 

Vele druppels later

van hoge rotsen langs steile paden

Stuimelt geklater

 

Van dorre takken en losse blaad’ren

Door de wind verzameld

Dansend op ‘t water

 

Beneden in het dal

komen de waters samen

waar de weerstand ’t laagst is

waar helder zwart wordt

 

Van op een oude brug

In ‘t midden van de poel

Staar ik in ‘t diepe

 

Een gitzwarte omtrek

kronkelt ongrijpbaar

zwelt aan en slokt op

 

 

Burt Lancaster

 

Gentleman krachtpatser

Rots in de branding of koele desperado

Wij kruipen in het aanschijns uw karakter.

 

Held voor de zoutlozen

Hoop voor de muurbloempjes

Uw lach strale en uw haren wuiven

En omring u met het schone

Uw rijk kome.

 

 

WTC Terter’s Wee

 

Tussen hekkens en lochtings en kotegerijen

Kan de oude Vlaming het best gedijen

Een goeiendag van een boer zonder tanden

Met een goeie trappist tussen zijn koude handen

Een weitje met badkuip en een knol die zich lest

In de zoete geur van stro met koeiemest

In de verte zwarte rook van opgestookte autobanden

Wat heeft een mens meer nodig om zich te warmen?

 

 

 

Catechese centerfold

 

Als de vuurtoren schijnt in een spiegelpaleis

Als de meerpalen op wieltjes staan

Als de sporen rollen onder de trein

En je vraagt je af wat is leven en wat is straf

Wat te ondergaan en wat te verslaan

Zoek dan het licht binnenin

Veranker je ziel

Langs het oude rechte spoor

 

 

 

Economie voor 1ste jaars

(naar De Leeuw van De Schoolmeester)

 

Een bankier is eigentlijk iemand,

Die verantwoordelijk is voor niemand,

Zijnen nek en zijn beurs

Zijn dikker dan die van een reus;

Met zijn klauw

Is hij heel erg gauw;

En met zijn tanden

Durft hij al uw centjes aan te randen.

 

Als iemand hem toch met den vinger wijst

Dan gaat hij jokken en mokken

En kruipt weg onder moeders lange rokken.

 

Komt ooit een bankier rechtstreeks op u aan,

Dan is ’t beste om maar regelrecht uit den weg te gaan.

Doch niet als hij opgezet of dood is,

Daar er in dat geval geen nood is.

 

 

 

Lamstraal treft doel

 

Een uitstap met de klas naar de Kluisbergse bossen,

Liever bleef hij thuis dan daar vrolijk rond te hossen.

Maar mama gaf zo’n preek dat hij uiteindelijk snel bezweek.

Dus in’t bos streek hij neer, zonder effectief verweer.

 

Beukennootjes pletten met de hak van zijn schoen

Wat anders valt er hier in godsnaam nog te doen.

Blaadjes voor herbaria, of de bittere boleet,

Al dat gezwam, is niet aan hem besteed.

 

Maar plots kijkt hij op

als tegen zijn harde kop

een kastanje klopt.

 

Door het bladerdak

Breekt een gouden straal,

Badend in licht, lacht Liesje.

 

Sinds zijn ze nog veel gaan hossen

in Kluisbergse en andere bossen.

Zijn interesse is toen gegroeid

in al wat buiten bloeit en stoeit.

 

Nu, jaren en een scheiding later,

Leidt hij zijn eigen klas door ‘t bos.

Ze staan stil bij de bittere boleet.

Vraagt onze leraar zich plots af

Waarom hij ooit die studies deed.

 

 

 

Ergens in ’t stad

Persoon aarzelt, stapt binnen.

Ober meewarig: Tafel voor één?

 

Mensen alleen

Liggen dagen te stinken

Vooraleer de buren ze vinden.

 

 

Vrijdagavond

Onbestemde noden en verwachtingen

zijn routine voor de gebruiker die afkickt,

maar vertroebelen traag zijn nuchtere rust.

Aan hem likt het vuur. De mist rondom verstikt.

 

Uitgaan

De honger knaagt, de lust ontwaakt,

Zijn bestemming heeft groen ogen.

Maar de roes die normaal obstakels klaart

Heeft weeral niets vermogen.

 

Steeds tweede keus, dan derde keus.

Dus blijven drinken, beurt afwachten,

Bij elk shot ietsje meer dubieus

Tot hij haar vormen in zijn glas bespeurt.

 

Uitgaan tot voorbij de laatste illusie,

Uitgaan als een kaars,

Uitgaan tot de laatste muziek,

Uit in de ontwenningskliniek.

 

 

Powerplay

 

Hij kan geen ja zeggen,

Toegeven maakt hem broos.

Zij kan geen nee horen,

De hunker maakt haar radeloos.

 

Kan hij zonder, ook zonder zijn neen tegen haar?

Is zij zo blind of bestrijkt zij slechts zijn ego?

Wie speelt hier met wie?

Beiden verslaafd aan zichzelf en elkaar.

 

 

Parels ( voor de …)

 

In een nieuw rood kleedje kwam ze binnen,
onbevangen en koket. Als een kat, trots en
aandachtig, liet zij haar blik door de zaal glijden.
Het spel zou duidelijk volgens haar regels gespeeld
worden of helemaal niet.

 

Althans, dat was de intentie.

 

Onwrikbaar van aan de bar, met een diepe fonkel in
de harde blauwe ogen, schoot hij, vlotjes en trefzeker,
raak. Er was geen nood om de prooi te gaan
inspecteren, zij kwam zelf al flemend naderbij.
Nu kon de finale destructie beginnen in de vorm van sloten bier.

 

Tot bij hem thuis is ze nog geraakt.

 

In de hoge hal van het oude herenhuis hielden ze halt
voor een belichte muurplank. Hij verzamelde oude
parels die hun glans al lang hadden verloren. Liever
zag hij de laatste flikkering uitdoven dan dat zo’n
parel zou blijven schijnen tot na zijn korte stonde op deze aarde.

 

Gebiologeerd bleef ze luisteren.

 

De dag erna, lag er op de plank een nieuwe parel,
een rode. Een zonnestraal brak door het loden glas
van het hoge raam, sneed door het stof, en deed de
parel nog even oplichten. Die avond zat hij aan de bar
met een vernieuwde fonkel in de ogen. Een kat lag
moe en lusteloos aan zijn voeten te flemen.

 

Van het rode meisje geen spoor.

 

 

Yacta yawn (Yet another call to arms, yawn), anno 2010

 

This whole nation’s going down the drain

We keep on laughing but we’ll die in pain

We’re all basking in the last rays of sun

We should be fighting but prefer to have fun.

 

The trunk’s dead, the branches don’t know it yet.

We all have our reasons to look away.

Do we want the last sunset?

Or do we want a new day?

 

Will the last good men please stand up?

While the rest stays stuck in the sucking mud.

Round the suckers up, we should break their back,

but they have no spine. What should we do instead

to get this state back up?

 

 

Zelf referentie in het eendimensionaal vlak

(of hoe zonder goede ijkpunten, iedereen de grootste idioot begint na te apen)

 

Blond en blauw ogen werd ooit veracht als van de barbaren,

Maar is nu deel van het gevestigd ideaal.

De Venus van Wollendorf was ooit als schoonheid niet te evenaren,

Haar figuur zou vandaag worden afgedaan als marginaal.

 

Tijd blijft als enige gegeven, de rest valt tegenwoordig vrij te kiezen.

Zo vrij dat de maatstaf dicteert en niemand voor zichzelf nog meet.

Maar op een golf kan je wel drijven maar niet sturen en weet

dat sturen duurt tot we de poolster uit het oog verliezen.

 

 

Atol

 

Op de zachte regelmatige adem van de slapende aarde spoelen de golven over het platina strand, onophoudelijk en onverzettelijk.

Na elke golf, in het zilveren licht van de maan die lacht vanuit de tribune, herhaalt zich het bekende spel:

Eén korreltje houdt vast, laat los, rolt en duikt het diepe in.

 

Verderop, op het vastere zand, lopen twee sporen.

Zigzaggend tussen helmgras, half uitgewist door de wind, nu eens uit elkaar dan weer samenkomend.

 

Hun fietswielen knarsen, het zand en de wind hebben hun jeugdige blos weggevaagd en hun gezichten verweerd, mechanisch trappen ze voort. Op de vlucht voor de grote blauwe leegte, op zoek naar vaste grond. Met spijt over die plekken waar ze indertijd hun anker hadden kunnen uitgooien maar aan voorbij gingen, op zoek naar hoger en beter.

 

De wielen zakken steeds dieper weg. Het zand wordt natter en natter. Haar fiets blokkeert en zakt weg. Hij grijpt haar, probeert de angst uit haar blik te verjagen. Zij drukt zicht tegen zijn borst en hoort snelle luide hartslagen. Verstard volgen hun ogen hoe het mulle drijfzand de fiets opslokt. Enkele seconden blijft het stuurwiel nog boven, als laatste groet aan de maan.

Ze moeten verder, en vlug, met twee op één fiets, langs de weinige harde grond.

 

Waarom hebben ze hun schoonheid en jeugd voor elkaar gespaard als alles hier eindigt?

 

De grond verdwijnt als maar sneller. Het water stijgt. Al zijn laatste krachten richten zich op de pedalen. Zij knelt zich vast. Even drijft een wolk voor de maan. Plots trapt hij in het ijle. Gedurende een fractie lijken ze te zweven. Dan komt het koude water. Verschrikt klimmen ze op de rand en happen naar adem. De wolk drijft voorbij en in het licht van de maan zien ze hoe de fiets langzaam wegzakt in de barst, en steeds kleiner en donkerder wordt, totdat het zwarte gat enkel nog hun verslagen gezicht weerspiegeld.

 

Hij wil haar nog kussen, zoals vroeger, nog even ter afscheid de herinnering aan hun mooie toekomst oproepen, wat anders rest er nog? Maar de veer in haar was gebroken, haar ogen staan mat en als verdoofd gaat ze liggen op het ondergelopen strand. Haar haren dansen op het stijgende water. Vanonder het oppervlak glinsteren haar ogen een laatste keer, alsof ze hem wenkt naar de andere kant. Het water staat nu tot aan zijn knieën. Er is geen grond meer te bespeuren.

 

Het laatste korreltje heeft los gelaten. Bedeesd komen de eerste tinten lichtblauw en roze aan de hemel en de maan houdt het voor bekeken. Met zachte regelmaat deinen de golven van de blauwe oceaan, onophoudelijk, onverzettelijk, onmetelijk.

 

 

 

Just a little bit

 

Er was eens een jongen, nogal naïef maar met een goede inborst, en voor de rest eerder normaal. Zo dacht hij toch over zichzelf.

 

Op een dag, eigenlijk duurde het langer, want hij was niet van het impulsieve type, werd hij verliefd op een mooi, lief, spontaan meisje.

 

Zij was wel enigszins geflatteerd door zijn aandacht maar dat hinderde haar niet om haar warmte te delen met vele anderen maar niet met hem. Nadat hij zijn gevoelens verwoord had en zij niet nee en niet ja had gezegd (wel, eigenlijk had ze nee gezegd), bleven ze echter vrienden, in die zin dat zij bij gepaste gelegenheden wel nood had aan zijn vriendschap, vooral aan zijn luisterend oor en aan zijn wagen. Hij was niet zo naïef om dit niet te snappen, maar zij was nu eenmaal de zwakke plek in zijn harnas.

 

Mettertijd had hij het afgeleerd om haar te overtuigen en zelfs om voor haar het beste te hopen, maar zoals aardplaten die niet op elkaar zijn afgestemd om de zoveel tijd schokken veroorzaken, zo ook leidde de scheve situatie van hun vriendschap bij hem tot bepaalde, verbale, opwellingen. Bij de laatste keer, begon ze zoals altijd in zo een situatie, luid, verongelijkt en met veel gebaar hem de les te spellen, waar hij toch het lef en het recht vandaan haalt om haar niet in alles kritiekloos te steunen.

 

Dat deed hem wel telkens pijn, maar toch ook wel telkens wat minder.

 

Terwijl hij haar een beetje verdrietig aankeek, zag hij dat ze zich wel heel boos maakte. Plots kwamen er pluimpjes uit haar keel. Haar tirade ging over in gekakel. Aan haar kin wapperde een lichtroze lelletje. Haar zwaaiende armen veranderden in vleugels. Verbouwereerd zat hij nu naar een kip op een stoel te kijken.

 

Hij nam haar mee in de auto en zette haar vanachter in de tuin.

 

Hij voederde haar elke dag. De kip schonk hem om de paar dagen verse eitjes.

 

Om haar gezelschap te geven, ging hij op een dag naar de beestenmarkt om een haan te kopen. Uit de vele mooie sterke hanen koos hij de lelijkste, die toevallig ook de goedkoopste was en zette deze bij haar in de ren. De haan liet zijn interesse blijken en zij leek wel enigszins geflatteerd, maar kuikentjes kwamen er niet.

 

Als het echt te koud werd legde haar binnen aan de drempel van de achterdeur, om de tocht tegen te houden. En dan liet hij zo af en toe zijn blik eens zakken vanuit zijn luie zetel, en zei:

“Ma poule, het is nooit iets geworden tussen ons, maar uw eieren zijn echt wel lekker.” Luid en boos en met veel misbaar begon ze dan te kakelen.

 

Op een zonnige ochtend in de herfst deed hij de achterdeur open en zag in het gras een hele hoop blonde en bruine pluimpjes. Een vos had haar opgepeuzeld.

 

“Vreemd, ik had gedacht dat ze met vossen wel kon omgaan.”, dacht hij nog. Hij respecteerde een moment van stilte en sindsdien koopt hij zijn verse eitjes in de supermarkt.

 

 

Psychosomatisch

 

De jongeman ligt in bed en ademt zwaar. Hij houdt de ogen dicht en wil verdomme slapen. Maar zoals elke nacht, eenmaal op de rand van de halfslaap beginnen zijn vermoeide geest en lichaam aan een razende rit die pas stopt als hij zich ‘s ochtends nog vermoeider weer uit bed sleept.

 

Twee uur ‘s nachts.  Met bonkend hart zoeft hij in een achtbaan langs landschappen, gezichten en abstracte ruimtes, door herschreven herinneringen en vertrouwde verlangens.

 

Drie uur ‘s nachts. Voor de zoveelste keert draait hij zich om, als een schip dat maar half is vastgemeerd en steeds tegen de kade slaat. Hij staat op, dit is toch zinloos, schuift de deur van de kamer open en stapt naar buiten op het balkon van de chalet.

 

De plotse koelte kalmeert en maakt hem helder. Voor hem ligt de besneeuwde bergkam die als een stille kracht gloeit onder het licht van de kwartmaan en alle sterren van het universum. Hij laat de kou verder bijten, wil erdoor verdoofd worden.

 

Een wit-rode streep flitst door de hemel en verdwijnt achter de bergkam. Dat stofdeeltjes  uit de ruimte opbranden wanneer ze de aardse atmosfeer binnendringen was hem wel bekend. Dat bij een vallende ster een wens hoort voelde hij aan als een diepere waarheid. De opportunist in hem dacht dan weer, baat het niet dan schaadt het niet.

 

Intens en met gesloten ogen denkt hij aan het enigste dat hem tot rust kan brengen. Afgekoeld kruipt hij weer onder de lakens en kan eindelijk slaap vatten.

 

Het ontwaken is zacht, een welkome afwisseling. Op het nachtkastje knippert het blauwe verklikker-lampje van zijn GSM toestel. Hij leest het bericht.

“Kom je nog terug? XXX”

 

Hij sluit de ogen weer. Een gloed verwarmt zijn binnenste. Zou het dan toch baten ... ?

 

Opgewekt en hoopvol staat hij op en zet de radio aan voor het nieuws van 9 uur.

“De hoodpunten: Om drie uur deze nacht is een vlucht van United Airlines neergestort in de Zwitsere Alpen. Alle inzittenden zijn vermoedelijk omgekomen. ...”

 

 

 

 

Ostaijense vlaai

 

Wanneer wij zonder slapen

Breien aan één droom

Komt in de bleke maan

vanuit een lange boom

het zandmannetje

en strooit zijn

witte zand

 

Hete lijven

Natte   tongen

Longen         hijgen

Handen        grijpen

Bloempje sproeien

Oogjes toe

 

 

De pianist

 

Gezeten op een kruk

staart hij naar de toetsen

wit en zwarte deuren op slot

 

Maar de stilte is te sterk, zegt alles

Hij knijpt de ogen dicht

en bidt opdat hij binnen mag

 

Dan komt de flits

Zijn handen dansen op ’t klavier

Een ongezien ballet

Z’n lied stroomt uit de kleine kamer

Wervelt en verslindt

elk atoom in de kosmos

 

Hij blaast uit, leeg

Opent traag de ogen

Door de witte toetsen

sijpelt zijn rode bloed

 

 

 

Heils Blues

 

In de laatste vale straat van de slapende stad

Klinken vanuit de verte snelle schichtige passen.

Het geluid zwelt aan, tot het galmt,

Even steunt hij tegen een lantaarnpaal.

Een zwarte schaduw tekent zich scherp op de kasseien.

Hij druppelt bloed, loopt snel weer voort.

 

Aan het eind van de straat begint het brakke veld.

Kreupelhout en hoog gras schuren hard,

buigen onder zijn vermoeide voeten

en sluiten zich weer achter zijn natte rug.

In het licht van de maan lijkt het alsof een onzichtbare speler

hem achteloos voortschopt over het veld.

 

Aan het einde van het veld blinkt door het riet de zwarte stroom.

De grond wordt zwaarder en zuigt aan zijn schoenen.

Met zijn laatste krachten wrikt hij zich los, stap voor stap, dichter bij de rivier.

In de blinkende bedding zakt hij op z’n knieen, blootsvoets, uitgeteld.

 

Over het gestage ruisen van de stroom komt gedempt gezang in  flarden aangewaaid,

als helende balsem op al wat hij ooit en nooit gehoord en gezegd heeft.

In het zwarte water beeft een roodachtige omtrek en z’n doffe ogen volgen naar een kapel aan de overkant met verlicht kruis.

Even gloeien zijn ogen, een laatste vlam van de laatste kans.

 

Aan het einde van de nacht begint weer een dag, en zwart wordt gewoon weer grijs.

Van over het vale water schelt een electrische bel.

De rode neon letterverlichting op het dak van slachthuis Thienpont, of liever de eerste letter ervan,

de enigste die nog werkt, wordt gedoofd

en de ochtendploeg sloft door de poort.