Klavertjes Vier

 

Briesend en stampend, zij vieren hun vrijheid

In golvende weiden, de paarden in ’t wild.

Ik, in die tijden, was nog lang niet gestild.

Maar nu moet ik werken, ‘k had het anders gewild.

 

 

Het werk is weer gedaan.

‘k Kan iets zinnigs gaan beginnen.

Kon ik maar iets verzinnen,

Maar mijn kop is hol vanbinnen.

 

 

Als de zon laag staat en weerkaatst

op de blaadjes van de berken,

ben ik rijk, rijker dan king Fahd.

Maar zonder u, is ook dit

Verre van volmaakt.

 

 

Ik loop onder regenbogen voort

Naar de glinsteringen in de verte

En zweef tot hoog aan de poort

Waar mijn kloppen echoot zonder gehoor.

 

 

Kerkhofkatten

Spinnen op de graven

En verjagen muizenissen

Bij de vrome stille wakers.

 

 

De koers daalt en daalt.

Alle stats zijn achterhaald.

Niemand blijft aan de kant

In dit gat zonder rand.

 

 

De objectieve wetenschapper

Wist zijn sporen voor zich uit,

Speurt, op zoek naar feiten, de einder af

En hij zet stappen achteruit

Tot ook die horizon verdwijnt

En zijn licht als enigste nog schijnt.

 

 

De grond van de zaak

Is eerder oppervlakkig.

Dacht de korrel op het strand

En liet zich pakken door de wind.

 

 

De okkernoot, zonet ternauwernood

Uit de ijzeren greep ontsnapt,

Geeft zich van zelve bloot

Voor wat honing siroop

Bij zijn gekarameliseerde dood.

 

 

De chips naast z’n sterfbed zijn op

Hij staart naar zijn leven,

Fleurt op, nog heel even,

Bij ’t allerlaatste reclameblok.

 

 

Dubai

 

Sell your old life, shed your ways

Buy a new one in Dubai

Then dream on about the good old days

When life was hard, but you knew why.

 

Like a fata morgana in the desert of life,

It is coming soon, will be going even sooner.

For the green dream they all strive,

While the sands on the dunes keep on laughing at the moon.

 

The cage is gold and has no limits,

They are in it and can’t grow old,

Except at night, when they pray and cry

Bye bye Dubai, bye bye.

 

 

Ode aan de fraude 
(vrije vertaling van een tekst van F. Schiller, alternatief Europees volkslied)

 

Kom vrienden, niet zo getreurd.

De trog is nog vol, niets ergs is gebeurd.

Laat de zoete geur u doen draaien,

En de zachte wind door uw hoofdjes maar waaien.

 

Fraude, o schoon godenkind,

dochter uit het Elysée

Arm en rijk door u verlinkt,

allen samen in de zee.

 

Alle broeders worden loeders

in deze grote zwijnenstal.

Wie niet meedoet, is bescheten

In dit ondermaatse tranendal.

 

Jubelt, jubelt, gespruit op deze kluit

Want hij keert vandaag weer uit.

Neemt en drinkt hier allen van

Tot op de bodem van de kan.

 

 

 

Ranting single #5

 

Mijn waarde parochianen, hoedt u

voor de lokroep van de single

want vandaag de dag

staan decibels voor ambiance

en alcohol voor geluk,

sex voor liefde

en bezigheid voor vervulling.

 

’t Refrein gaat als volgt:

kicken is leven

nemen is geven

hebben is zijn

en de waarheid doet pijn.

 

denken is stroef

middelmaat troef

alles is iets

maar de paus toch maar niets.

 

Ik trap het af

nog één keer zingen

kijk in mijn ogen

wij heffen het glas.

 

 

Dood van een neuroot

 

Dit wordt een markante dag

De stand van de sterren, de dag van de maand

De krenten in de pap, ’t aantal treden op de trap

Alles staat in zijn teken, dit wordt zijn dag.

 

Opgewekt en blij verwachtend,

de 15 treden van de trap af.

eentje links, eentje rechts,

13 slaat hij over, zoals het past.

 

En stipt op tijd stopt daar de bus,

Perfectie maakt hem goedgemutst

Dit wordt de dag die zijn lot zal keren,

boude plannen durft hij weer te smeden.

 

Elke dag op perron zeven,

staat de vrouw daar van zijn leven.

Zal zij hem vandaag herkennen?

Of misschien geeft de automaat

eens koffie zonder poeder smaak?

 

Argeloos en zelfverzekerd,

in het kader van zijn nieuw besluit

kijkt hij richting perron zeven.

Maar hij glijdt en schuift uit,

Onder de trein van kwart voor negen.

 

 

Een aanval

 

Yzig, heet, razend en moe.

Het hart bonkt en wil eruit.

Een anker drukt op de borst.

Zijn vel kookt, de jeuk slaat toe.

 

Nagels krabben harder, dieper.

Broze huid springt open.

Pus, vocht en stoom komt vrij.

Die koelte zalft, niets is hem liever.

 

Die taaie strijd voor zijn veeg bestaan,

Zijn zwakke zelf tegen ‘t beest van binnen,

Elk moment kan het herbeginnen.

Kon hij zichzelf maar zinneloos slaan.

 

Rillend, bloedend, uitgeteld,

In de stank van rottend vel,

De valse rust daalt neer.

Respijt tot de volgende keer.

 

 

 

Dolers

 

De man met rugzak en open blik

wrijft het stof uit zijn baard en trek voort

naar de zoveelste anekdote

tussen twee connectievluchten in.

 

Maar bij elke adempauze,

in moesson regens of  zandstorm,

Bij elke trek van zijn sigaret,

in de ruisende branding of op een besneeuwde top,

komt hij steeds weer uit op dat ene punt.

 

De meren in de Andes

waren net zo diep en koel als haar ogen.

Het zand van de Sahara

brandde en sneed diep als haar lippen.

De golven op de Zuidzee

deinden zoals zij die nacht.

 

Duizend mijlen daarvandaan, in Suburbia,

met een blikje aan het open vensterraam,

stijgt de rook van zijn sigaret langzaam

tussen sterren en maan.

 

Achter zijn rug ruist zachtjes de adem van zijn vrouw.

Het licht van de nacht op haar huid is als ongerepte sneeuw.

Hij krabt, waar het jeukt, tijdens een langgerekte geeuw.

En droomt van witte palmen stranden op een veld van azuurblauw.

 

 

Joggen in trance

Door donkere strepen grijs

Even vergeten

In ’t nachtelijk paradijs

 

 

Verval

 

Tussen ijle nevels

vanuit de barre rots

sijpelt de druppel

 

Een perfecte spiegel

van land boven lucht

in vloeibaar kristal

 

Vele druppels later

van hoge rotsen langs steile paden

Stuimelt geklater

 

Van dorre takken en losse blaad’ren

Door de wind verzameld

Dansend op ‘t water

 

Beneden in het dal

komen de waters samen

waar de weerstand ’t laagst is

waar helder zwart wordt

 

Van op een oude brug

In ‘t midden van de poel

Staar ik in ‘t diepe

 

Een gitzwarte omtrek

kronkelt ongrijpbaar

zwelt aan en slokt op

 

 

Burt Lancaster

 

Gentleman krachtpatser

Rots in de branding of koele desperado

Wij kruipen in het aanschijns uw karakter.

 

Held voor de zoutlozen

Hoop voor de muurbloempjes

Uw lach strale en uw haren wuiven

En omring u met het schone

Uw rijk kome.

 

 

WTC Terter’s Wee

 

Tussen hekkens en lochtings en kotegerijen

Kan de oude Vlaming het best gedijen

Een goeiendag van een boer zonder tanden

Met een goeie trappist tussen zijn koude handen

Een weitje met badkuip en een knol die zich lest

In de zoete geur van stro met koeiemest

In de verte zwarte rook van opgestookte autobanden

Wat heeft een mens meer nodig om zich te warmen?

 

 

 

Catechese centerfold

 

Als de vuurtoren schijnt in een spiegelpaleis

Als de meerpalen op wieltjes staan

Als de sporen rollen onder de trein

En je vraagt je af wat is leven en wat is straf

Wat te ondergaan en wat te verslaan

Zoek dan het licht binnenin

Veranker je ziel

Langs het oude rechte spoor

 

 

 

Economie voor 1ste jaars

(naar De Leeuw van De Schoolmeester)

 

Een bankier is eigentlijk iemand,

Die verantwoordelijk is voor niemand,

Zijnen nek en zijn beurs

Zijn dikker dan die van een reus;

Met zijn klauw

Is hij heel erg gauw;

En met zijn tanden

Durft hij al uw centjes aan te randen.

 

Als iemand hem toch met den vinger wijst

Dan gaat hij jokken en mokken

En kruipt onder mama staat haar rokken.

 

Komt ooit een bankier rechtstreeks op u aan,

Dan is ’t beste om maar regelrecht uit den weg te gaan.

Doch niet als hij opgezet of dood is,

Daar er in dat geval geen nood is.

 

 

 

Lamstraal treft doel

 

Een uitstap met de klas naar de Kluisbergse bossen,

Liever bleef hij thuis dan daar vrolijk rond te hossen.

Maar mama gaf zo’n preek dat hij uiteindelijk snel bezweek.

Dus in’t bos streek hij neer, zonder effectief verweer.

 

Beukennootjes pletten met de hak van zijn schoen

Wat anders valt er hier in godsnaam nog te doen.

Blaadjes voor herbaria, of de bittere boleet,

Al dat gezwam, is niet aan hem besteed.

 

Maar plots kijkt hij op

als tegen zijn harde kop

een kastanje klopt.

 

Door het bladerdak

Breekt een gouden straal,

Badend in licht, lacht Liesje.

 

Sinds zijn ze nog veel gaan hossen

in Kluisbergse en andere bossen.

Zijn interesse is toen gegroeid

in al wat buiten bloeit en stoeit.

 

Nu, jaren en een scheiding later,

Leidt hij zijn eigen klas door ‘t bos.

Ze staan stil bij de bittere boleet.

Vraagt onze leraar zich plots af

Waarom hij ooit die studies deed.

 

 

 

Ergens in ’t stad

Persoon aarzelt, stapt binnen.

Ober meewarig: Tafel voor een?

 

Mensen alleen

Liggen dagen te stinken

Vooraleer de buren ze vinden.