Iphone and smartphone optimized content

J.H. Leopold - Poëzie
J.H. Leopold

Jan Hendrik Leopold
('s Hertogenbosch 1865 - Rotterdam 1925)
Dichter en classicus
(1865-1925)

X

De wereld gaat en gaat, als lang na dezen
Mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen
Wij werden voor ons komen niet gemist,
Na ons vertrek zal het niet anders wezen.


Uit Rubaiyat

Jezus die door de wereld ging

Jezus, die door de wereld ging,
was in een landstad aangekomen
en had zijn ongemerkten weg
over het marktplein heen genomen

En zag een hond stroef als een wolf,
plat op de stenen, onbewogen,
wiens leven heengeweken was,
wiens Jozef uit de put getogen.

En om het kreng verrot en vocht
stonden de mensen stil en keken
en waren bits: een gierenzwerm,
die op een aas is neergestreken.

En een: de walg van dit gezicht
benevelt en verwart het hoofd
met troebelingen als een kaars
roetwalmend door de wind gedoofd.

Een ander: van dit gistend vod
en vuil het enigste gewin
is duisternissen voor het oog
en schrik en afschuw voor de zin.

Zo zong een ieder daar zijn lied
maar allen in denzelfden toon
en overstelpten met verwijt
en spraken bitterheid en hoon.

Jezus zag naar het liggend dier
en sprak en zeide enkel dit
en was beschamend rondom:
de tanden zijn als paarlen wit

  O, als ik dood zal zijn

"O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleke ogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.

En ik zal niet verwonderd zijn;
in deze liefde zal de dood
alleen een slapen, slapen gerust
een wachten op u, een wachten zijn."

Uit 'Verzen' 1895

  6

Laat ik nu leggen lichte dingen
op haren lijf en gauw verganke-
lijke, laat het zijn rozeranken
en bloemen andere en trosseringen

en wiekevlokken van groote bleeke
vlinders en blanke dauw geregen
aan herfstrag, alles wat van de veege
lente nog is, die gauw verstreken;

en iets van zonlicht, nu ik het kuisch
en koel en treurig heb bevonden,
nu mocht ik het sprenkelen in het ronde
rijkelijk om in de doodenkluis...

en ijl gerucht van een mompelwoord
van menschen, die gaan onder het raam,
daar wordt gesproken met uw naam
en "zij is dood, ze is dood" gehoord.

Uit 'Verzen' 1895

Om mijn oud woonhuis
peppels staan

Om mijn oud woonhuis peppels staan
   "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven"
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te hooren
  "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven"
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis
  "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven"
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen
   "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven"
met leege oogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.

Uit 'Verzen' 1897

  Regen

De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van den regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht...

en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.

Uit 'Verzen' - 1914

  Nacht

Soms, als ik sluimerloos de maanden,
De jaren tel, die ik op haar wacht,
Hoor ik veel verre, doffe stemmen,
Die tot mij komen door de nacht.

Dan meen ik vaak haar naam te horen.
Ik luister,- ging een geest voorbij,
Die honend lachte om mijn verlangen?
Sprak mijn bedrogen hart tot mij?

Uit 'Vroege gedichten'

Weet gij nog wel,
hoe zomers avonds

Weet gij nog wel, hoe zomers avonds
Wij gingen door het bloeiend veld
En hoe we lachende toen zeiden,
wat onze harten was ontweld?

't Werd stil en stiller. Op uw lippen
bestierf eensklaps het schalkse woord
En hoe wij aan elkander dachten
We wisten 't, maar wij gingen voort.

Weet gij nog wel, hoe ik toen vermeten
Mij op uw lippen nederboog?
Gij beefdet voor mijn kus. Toen zag ik
Een traan, die glinsterde in uw oog.

Er volgde op deze zonnestralen
Een lange nacht. Gij noemdet spel
Wat andren levenslente heetten.
O zeg, mijn lief, weet gij 't nog wel?

Uit de bundel: Vroege gedichten

  Mijmerij

Wanneer ik overdenk, hoe minzaam
Haar stralend oog in 't mijne zag,
Hoe vriend'lijk hare woorden waren
En hoe bekoorlijk hare lach,

Dan bonst mijn hart en vreugde komt er
En trots in mijn bewogen geest,
Dat ze eens haar gunst mij heeft geschonken
En mij genegen is geweest.

En als ik aan 't geluk durf vragen,
Dat eens de dag verschijnen mocht,
Waarop hare armen mij omhelsden,
Waarop haar mond de mijne zocht,

O God! dan kan ik niet beseffen
De zaligheid van zulk een lot,
En mij besluipt een stil vermoeden,
Dat ik moet sterven van genot!

Uit 'Vroege gedichten'

  Jeugd

Veel gure regendagen bij de boeken
in studie doorgebracht; veel winternachten
bij wijn en vrienden lachend doorgewaakt.
En in de zomer verre wandeltochten
en dromen in het gras, veel grote plannen,
nog groter woorden; meisjes plagen, stoeien,
gezoen en nu en dan een vleugje liefde,
een wenk, een oogopslag, een stout begeren
als blauwe heuvels, schemerend hier en daar
door dichte stammen van het donkre bos.

Uit de bundel 'Vroege gedichten'

  In gedempten toon

Een stille dag is om mij heen
en in mij is het leven flauw,
ik voel de angst des wezens nauw
en ben in mijne vrede alleen.

Is er in mij de aandacht niet
van verzen en hun stil verricht
inschikken tot dit klein gedicht
van iets geluk en licht verdriet?

dat gij nog eens mij waart nabij
en ik u koel en zuiver vond
en wel in droefenis verstond
het verre tussen u en mij.

  Overeind

Zij tilt zich overeind en in
het licht en maakt een stil begin
stil met zich zelve, langs het smalle
lijf liet zij het hemd afvallen,
dat zakt tot in een dunne kring
van plooien, een weinig mijmering
zet zich, zij ziet naar beneden
de blootheid van haar eigen leden,
het vreemde van het nu gebleken
lichaam en de schemerbleke
benen, de voeten uitgespreid
en in hun zachte nederigheid
de tenen, die bijeen gedoken
schuilen, al de onafgebroken
opvolging en het tesaambehoren
der leden alle, die zonder storen
vervloeiende zijn en als te horen
met zacht muziek, die werd geboren
in hunne overgangen. In de rust
van hare lijdelijkheid wordt zij bewust
hoe vreemd, hoe wonderlijk het haar aan-
komt, nu zij zich liet begaan,
alsof dit alles buiten haar was
en zag zij het in een spiegelglas;
is zij dit zelve, is zij er in
en ziet zich zelve, waar is het begin
van dit wat te denken bezig is
aan zich zelve en ongewis
wordt zij hier, haar gedachten zouden
niet verder kunnen, teruggehouden
in deze bedeesdheid, alleen er hing
een voelen van herinnering
van vroeger, alsof het al een keer
zo was, en over het wanneer
denkt zij nog even en dan met kleuren
om haar vreemddoen gaat zij zich beuren
uit haar verzonkenheid en nog is zoet
haar naglimlachen bij wat zij doet
in verder kleden.

Uit 'Morgen'

Die morgen was zij
moe en zwaar

Die morgen was zij moe en zwaar
en talmende opgestaan
en had met achteloos besef
haar dagelijks doen gedaan.

Zij ging verloren door het vertrek
met ongevoelde schreden,
behaspelende dit en dat,
verschikkende zonder reden.

Als plotseling met een vreemd gevoel
zich iets in haar bewoog
en een nieuwe en wondere zekerheid
haar door de gedachten vloog,

en met een dipere ademtocht
was zij even neergezegen
en toefde een ogenblik totdat
zij zichzelve had herkregen.

en in trots en in deemoedig zijn
boog zij het hoofd ter neer
en fluisterde met toegevende mond
'zie uwe dienstmaagd, Heer.'

Uit de bundel 'Verzamelde verzen'

  Saadi

Nacht om den tuin en gij zijt neergezeten
onder den lommerboom, uw lieveling.
O bitterheid, die door het diepste ging:
eenzaam te zijn, alleen en zich miskend te weten.

En toch, in u ook stormt de aandrift op
tot groote dingen of ook maar tot dit:
de liefste te voldoen in stil bezit,
in stom geluk rustig gevoerd ten top.

Aanzie de bloemen van de struikjasmijn,
de bleeke sterren in den nacht der blaren,
aanzie het blank geheim, dat zij verklaren,
aanvaard de lessen, die hun gave zijn.

Uit de bundel 'Verzamelde verzen'

Saadi was een Perzische geleerde
(ca. 1212-1295) en dichter.
Zijn belangrijkste dichtwerken zijn 'Bustan'
(Vruchtentuin) en 'Gulistan' (Rozentuin).


  Duizend en een nacht

Zij kwam en droeg een wa melkwit en -zacht
en hare ogen waren ingevangen
in mijmering; de rozen harer wangen
zegenden Hem, Die ze had voortgebracht.
En ik: gij gaat voorbij en ziet mij niet, 
terwijl dat ik mij geef in uwe handen
als het gewillig lam der offerande,
dat zelf zijn gorgel aan de slachter biedt.
En zij: laat af van spreken en geniet
des Scheppers gave in stilte van bezit;
wit is mijn lijf en wit is mijn gewaad,
wit mijn gezicht en wit mijn levensdraad
en dit is wit op wit en wit op wit.

Zij kwam en droeg een stromend vlammenkleed
rood als haar hoogmoed zonder mededogen
en ik riep uit verwonderd en bewogen:
gij, die u blanker dan het maanlicht weet,
hoe durft gij komen met een wangenpracht,
waarop de druppels onzes harten tronen,
en met het trots satijn der anemonen!
En zij: de morgen leende eerst zijn dracht,
nu werd de middagzon mijn bondgenoot;
rood zijn mijn wangen, rood het bloedsatijn,
rood is mijn mond, rood de gedronken wijn
en dit is rood op rood en rood op rood.

Zij kwam en droeg nachtzwart een slippenkleed
en sloeg haar ogen afwaarts van mijn schande
en ik: ziet gij dan niet, hoe mijn vijanden
uitbundig zijn over mijn diepste leed?
O nu besef ik al mijn wanhoopssmart!
Zwart zijn uw ogen en zwart zijn uw haren
zwart is uw kleed, zwart zijn mijn levensjaren
en dit is zwart op zwart en zwart op zwart.

Uit de bundel 'Oostersch II'

  Staren door het raam

Er is een leven in wat bewegen,
de takken beven een beetje tegen
elkaar. Een even beginnen schudt
elke boom: een bezinnen dit,

een schemeren gevend van eerste denken,
met loome vingers gaan zij wenken
wenken, wenken, brengen uit
een vreezend meenen nauw geuit.

En lichte dingen, herinneringen
lispelen zij, vertrouwelingen,
zouden wel willen, willen – dan dood
staan zij in de lucht, de boomen bloot.

De lucht, die leeg is en zonder ziel,
waar uitgetuimeld de wind uitviel.

Uit 'Verzameld Werk'

Jan Hendrik Leopold en Paul Valéry lieten zich
in de volgende gedichten inspireren door
een Oudgrieks thema en bewerkten het elk
op hun eigen manier.


Oinou hena stalagmon - Van de wijn een druppel

Waar op de plecht, gekarteld uit het hout
het zwart verweerde, van de offerschaal
de wijn geplengd wordt en een purperregen
zijgt in de blauwte van het watervlak
bij priesterlijke lofspraak en gebeden,
opdat de zee, opdat de barre winden
genadig zijn en blank naar hartewensch,
daar kleurt de druppel uit den kelk gevloten
den Oceaan;

J.H. Leopold

J'ai, quelqe jour, dans l'Océan,
(Mais je ne sais plus sous quels cieux),
Jeté comme offrande au néant,
Tout un peu de vin précieux...

Qui voulut ta perte, " liqueur?
J'obéis peut-être au divin?
Peut-être au souci de mon coeur,
Songeant au sang, versant le vin?

Sa transparence accoutumée
Aprés une rose fumée
Reprit aussi pure la mer...

Perdu ce vin, ivres les ondes!...
J'ai vu bondir dans l'air amer
Les figures les plus profondes...

Paul Valéry

Eens heb ik in de Oceaan
(Maar onder welke zonneschijn?)
Gestort als offer aan de waan
Een druppel precieuze wijn...

Likeur wie wou uw ondergang?
Een godheid die het mij gebood?
Ofwel mijn onderhuidse drang,
Op bloed belust, die wijn vergoot?

Zijn transparante leven
Nam na een roze walm even
Gezuiverd weer het water aan...

Verspilde wijn, beschonken baren!...
Ik zag in de zilte lucht ontstaan
Gestalten zonder evenaren...

© Vertaald door Lepus

Naar boven

Rubaiyat

Oostersch - Soefisch

Omar Khayam in het Nederlands

Omar Khayam in English

Cheops


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 20-04-2003.
Laatste wijziging 15-09-2017.

E-mail: webmaster