
|
X De wereld gaat en gaat, als lang na dezen Mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen Wij werden voor ons komen niet gemist, Na ons vertrek zal het niet anders wezen. Uit Rubaiyat Jezus die door de wereld gingJezus, die door de wereld ging, was in een landstad aangekomen en had zijn ongemerkten weg over het marktplein heen genomen En zag een hond stroef als een wolf, plat op de stenen, onbewogen, wiens leven heengeweken was, wiens Jozef uit de put getogen. En om het kreng verrot en vocht stonden de mensen stil en keken en waren bits: een gierenzwerm, die op een aas is neergestreken. En een: de walg van dit gezicht benevelt en verwart het hoofd met troebelingen als een kaars roetwalmend door de wind gedoofd. Een ander: van dit gistend vod en vuil het enigste gewin is duisternissen voor het oog en schrik en afschuw voor de zin. Zo zong een ieder daar zijn lied maar allen in denzelfden toon en overstelpten met verwijt en spraken bitterheid en hoon. Jezus zag naar het liggend dier en sprak en zeide enkel dit en was beschamend rondom: de tanden zijn als paarlen wit O, als ik dood zal zijn"O, als ik dood zal, dood zal zijn kom dan en fluister, fluister iets liefs, mijn bleke ogen zal ik opslaan en ik zal niet verwonderd zijn. En ik zal niet verwonderd zijn; in deze liefde zal de dood alleen een slapen, slapen gerust een wachten op u, een wachten zijn." Uit 'Verzen' 1895 6Laat ik nu leggen lichte dingenop haren lijf en gauw verganke- lijke, laat het zijn rozeranken en bloemen andere en trosseringen en wiekevlokken van groote bleeke vlinders en blanke dauw geregen aan herfstrag, alles wat van de veege lente nog is, die gauw verstreken; en iets van zonlicht, nu ik het kuisch en koel en treurig heb bevonden, nu mocht ik het sprenkelen in het ronde rijkelijk om in de doodenkluis... en ijl gerucht van een mompelwoord van menschen, die gaan onder het raam, daar wordt gesproken met uw naam en "zij is dood, ze is dood" gehoord. Uit 'Verzen' 1895 Om mijn oud woonhuis peppels staanOm mijn oud woonhuis peppels staan"mijn lief, mijn lief, o waar gebleven" een smalle laan van natte blaren, het vallen komt. Het regent, regent eender te hooren "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven" en altijd door en den treuren uit, de wind verstomt. Het huis is hol en vol duisternis "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven" gefluister is boven op zolder, het dakgebint. Er woont er een voorovergebogen "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven" met leege oogen en die zijn vrede en rust niet vindt. Uit 'Verzen' 1897 RegenDe bui is afgedreven;aan den gezonken horizont trekt weg het opgestapelde, de rond- gewelfde wolken; over is gebleven een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen. En hier nog aan het vensterglas aan de bedroefde ruiten beeft in wat nu weer buiten van winderigs in opstand was een druppel van den regen, kleeft aangedrukt er tegen, rilt in het kille licht... en al de blinking en het vergezicht, van hemel en van aarde, akkerzwart, stralende waters, heggen, het verward beweeg van menschen, die naar buiten komen, ploegpaarden langs den weg, de oude boomen voor huis en hof en over hen de glans der daggeboort, de diepe hemeltrans met schitterzon, wereld en ruim heelal: het is bevat in dit klein trilkristal. Uit 'Verzen' - 1914 NachtSoms, als ik sluimerloos de maanden,De jaren tel, die ik op haar wacht, Hoor ik veel verre, doffe stemmen, Die tot mij komen door de nacht. Dan meen ik vaak haar naam te horen. Ik luister,- ging een geest voorbij, Die honend lachte om mijn verlangen? Sprak mijn bedrogen hart tot mij? Uit 'Vroege gedichten' Weet gij nog wel, hoe zomers avondsWeet gij nog wel, hoe zomers avondsWij gingen door het bloeiend veld En hoe we lachende toen zeiden, wat onze harten was ontweld? 't Werd stil en stiller. Op uw lippen bestierf eensklaps het schalkse woord En hoe wij aan elkander dachten We wisten 't, maar wij gingen voort. Weet gij nog wel, hoe ik toen vermeten Mij op uw lippen nederboog? Gij beefdet voor mijn kus. Toen zag ik Een traan, die glinsterde in uw oog. Er volgde op deze zonnestralen Een lange nacht. Gij noemdet spel Wat andren levenslente heetten. O zeg, mijn lief, weet gij 't nog wel? Uit de bundel: Vroege gedichten MijmerijWanneer ik overdenk, hoe minzaamHaar stralend oog in 't mijne zag, Hoe vriend'lijk hare woorden waren En hoe bekoorlijk hare lach, Dan bonst mijn hart en vreugde komt er En trots in mijn bewogen geest, Dat ze eens haar gunst mij heeft geschonken En mij genegen is geweest. En als ik aan 't geluk durf vragen, Dat eens de dag verschijnen mocht, Waarop hare armen mij omhelsden, Waarop haar mond de mijne zocht, O God! dan kan ik niet beseffen De zaligheid van zulk een lot, En mij besluipt een stil vermoeden, Dat ik moet sterven van genot! Uit 'Vroege gedichten' JeugdVeel gure regendagen bij de boekenin studie doorgebracht; veel winternachten bij wijn en vrienden lachend doorgewaakt. En in de zomer verre wandeltochten en dromen in het gras, veel grote plannen, nog groter woorden; meisjes plagen, stoeien, gezoen en nu en dan een vleugje liefde, een wenk, een oogopslag, een stout begeren als blauwe heuvels, schemerend hier en daar door dichte stammen van het donkre bos. Uit de bundel 'Vroege gedichten' In gedempten toonEen stille dag is om mij heenen in mij is het leven flauw, ik voel de angst des wezens nauw en ben in mijne vrede alleen. Is er in mij de aandacht niet van verzen en hun stil verricht inschikken tot dit klein gedicht van iets geluk en licht verdriet? dat gij nog eens mij waart nabij en ik u koel en zuiver vond en wel in droefenis verstond het verre tussen u en mij. OvereindZij tilt zich overeind en inhet licht en maakt een stil begin stil met zich zelve, langs het smalle lijf liet zij het hemd afvallen, dat zakt tot in een dunne kring van plooien, een weinig mijmering zet zich, zij ziet naar beneden de blootheid van haar eigen leden, het vreemde van het nu gebleken lichaam en de schemerbleke benen, de voeten uitgespreid en in hun zachte nederigheid de tenen, die bijeen gedoken schuilen, al de onafgebroken opvolging en het tesaambehoren der leden alle, die zonder storen vervloeiende zijn en als te horen met zacht muziek, die werd geboren in hunne overgangen. In de rust van hare lijdelijkheid wordt zij bewust hoe vreemd, hoe wonderlijk het haar aan- komt, nu zij zich liet begaan, alsof dit alles buiten haar was en zag zij het in een spiegelglas; is zij dit zelve, is zij er in en ziet zich zelve, waar is het begin van dit wat te denken bezig is aan zich zelve en ongewis wordt zij hier, haar gedachten zouden niet verder kunnen, teruggehouden in deze bedeesdheid, alleen er hing een voelen van herinnering van vroeger, alsof het al een keer zo was, en over het wanneer denkt zij nog even en dan met kleuren om haar vreemddoen gaat zij zich beuren uit haar verzonkenheid en nog is zoet haar naglimlachen bij wat zij doet in verder kleden. Uit 'Morgen' Die morgen was zij moe en zwaarDie morgen was zij moe en zwaaren talmende opgestaan en had met achteloos besef haar dagelijks doen gedaan. Zij ging verloren door het vertrek met ongevoelde schreden, behaspelende dit en dat, verschikkende zonder reden. Als plotseling met een vreemd gevoel zich iets in haar bewoog en een nieuwe en wondere zekerheid haar door de gedachten vloog, en met een dipere ademtocht was zij even neergezegen en toefde een ogenblik totdat zij zichzelve had herkregen. en in trots en in deemoedig zijn boog zij het hoofd ter neer en fluisterde met toegevende mond 'zie uwe dienstmaagd, Heer.' Uit de bundel 'Verzamelde verzen' SaadiNacht om den tuin en gij zijt neergezeten onder den lommerboom, uw lieveling. O bitterheid, die door het diepste ging: eenzaam te zijn, alleen en zich miskend te weten. En toch, in u ook stormt de aandrift op tot groote dingen of ook maar tot dit: de liefste te voldoen in stil bezit, in stom geluk rustig gevoerd ten top. Aanzie de bloemen van de struikjasmijn, de bleeke sterren in den nacht der blaren, aanzie het blank geheim, dat zij verklaren, aanvaard de lessen, die hun gave zijn.Uit de bundel 'Verzamelde verzen' Saadi was een Perzische geleerde (ca. 1212-1295) en dichter. Zijn belangrijkste dichtwerken zijn 'Bustan' (Vruchtentuin) en 'Gulistan' (Rozentuin). Duizend en een nachtZij kwam en droeg een wa melkwit en -zacht en hare ogen waren ingevangen in mijmering; de rozen harer wangen zegenden Hem, Die ze had voortgebracht. En ik: gij gaat voorbij en ziet mij niet, terwijl dat ik mij geef in uwe handen als het gewillig lam der offerande, dat zelf zijn gorgel aan de slachter biedt. En zij: laat af van spreken en geniet des Scheppers gave in stilte van bezit; wit is mijn lijf en wit is mijn gewaad, wit mijn gezicht en wit mijn levensdraad en dit is wit op wit en wit op wit. Zij kwam en droeg een stromend vlammenkleed rood als haar hoogmoed zonder mededogen en ik riep uit verwonderd en bewogen: gij, die u blanker dan het maanlicht weet, hoe durft gij komen met een wangenpracht, waarop de druppels onzes harten tronen, en met het trots satijn der anemonen! En zij: de morgen leende eerst zijn dracht, nu werd de middagzon mijn bondgenoot; rood zijn mijn wangen, rood het bloedsatijn, rood is mijn mond, rood de gedronken wijn en dit is rood op rood en rood op rood. Zij kwam en droeg nachtzwart een slippenkleed en sloeg haar ogen afwaarts van mijn schande en ik: ziet gij dan niet, hoe mijn vijanden uitbundig zijn over mijn diepste leed? O nu besef ik al mijn wanhoopssmart! Zwart zijn uw ogen en zwart zijn uw haren zwart is uw kleed, zwart zijn mijn levensjaren en dit is zwart op zwart en zwart op zwart.Uit de bundel 'Oostersch II' Staren door het raamEr is een leven in wat bewegen,de takken beven een beetje tegen elkaar. Een even beginnen schudt elke boom: een bezinnen dit, een schemeren gevend van eerste denken, met loome vingers gaan zij wenken wenken, wenken, brengen uit een vreezend meenen nauw geuit. En lichte dingen, herinneringen lispelen zij, vertrouwelingen, zouden wel willen, willen – dan dood staan zij in de lucht, de boomen bloot. De lucht, die leeg is en zonder ziel, waar uitgetuimeld de wind uitviel. Uit 'Verzameld Werk'
Leopold en Valéry lieten zich in de volgende gedichten inspireren ![]() |
Beknopte Biografie
Leopold, Jan Hendrik , dichter en classicus ('s Hertogenbosch 1865 - Rotterdam 1925).
Zoon van Martinus Leopold (leraar) en Anna Elizabet Plaat. Hij bleef ongehuwd.
De romantisch-dromerige dichter, volbracht als nuchter filoloog met succes zijn studies.
Vóór zijn promotie maakte Leopold als gouverneur bij een familie een reis naar Italië.
Hij ontmoette een ten dode opgeschreven jonge vrouw voor wie hij blijkens zijn dagboek
een ongelukkige liefde opvatte die zijn weerslag vindt in 'Verzen 1895'.
Ongelukkig eindigde ook zijn verloving (1892) met Fimi (Aeffiene) Rijkens*. Zij huwde
enkele jaren later met zijn broer Joes.Oeuvre'Zes Christus-verzen' in De Nieuwe Gids (1893)Verzen (1895) Verzen (1897) Uitgave van zijn gedichten door P.C. Boutens (1912) Gedichten (1913) Cheops (1916) De uitgave van 'Verzamelde verzen' werd verzorgd door P.N. van Eyck (Rotterdam, 1935) Werken van J.H. Leopold - Uitg. G.A. van Oorschot (1951-1952) Nieuwe varianten van enkele Leopold-gedichten. Uitg. door J.M. Jalink, Amsterdam, [1958]. O rijkdom van het onvoltooide - bloemlezing (1977) Verzamelde verzen - A.L. Sötemann en H.T.M. Vervliet, dl. 1 (1982) Vertalingen door J.H. LeopoldRubaiyat (1911)Oostersch - Soefisch (1922 - 1924) Omar Khayam (1926) De Rubáiyát van Omar Khayyám en andere kwatrijnen. Uitgegeven door Thomas & Eras - 's-Gravenhage (1979) Kwatrijnen van Omar Khayyam, uitg. door A.L. Sötemann en H.T.M. Vervliet (1981) Filosofische werkenAd Spinozae opera posthuma (1902)Stoïsche wijsheid (1904) M. Antonius Imperator (1908) Uit den tuin van Epicurus (1910) ![]() |

