Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Poëzie van Karel Van de Woestijne
Karel Van de Woestijne

Karel Van de Woestijne
(1878 - 1929)

-Gedichten uit:

Het Vaderhuis  (1896-1903)
De Boom-gaard der Vogelen en der Vruchten  (1903-1905)
De gulden Schaduw  (1905-1910)
Het zatte Hart  (1914-1924)
De modderen Man  ((1909-1915)
God aan Zee  (1919-1926)
Het Berg-meer  (1926-1928)

-Biografie



HET VADERHUIS


Wijding aan mijn vader


O Gij, die kommrend sterven moest, en Vàder waart,
en mij liet leven, en me téder léerde leven
met uw zacht spreken, en met uw strelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard ;

- ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt,

en zingt soms, onverschillig, en zijn zangen glijden
wijd-suizend over 't matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...

Zó vaart mijn leve' in vrede en waan van dóod begeren,
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.



VOOR-ZANG

Het huis mijns vaders waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
- Ik was een kind, en mat het leven aan den lach
van mijne moeder, die niet blij was, en aan 't waren
der schemeringen om de boomen, en der jaren
om 't vredig leven van den roereloozen dag.

En 'k was gelukkig in de schaduw van dit leven
dat naast mijn dromen als een goede vader ging...
- De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van groote vooglen hing,
iederen avond, in de teedre zomer-luchten
die zeegnend om de ziel der needre menschen gaan,
als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten
die rustig-zwaar in 't loof der stille boomen staan.

...Toen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren
als schaemle bloemen in den avond, o mijn kind.
En 'k minde u. - En zoo 'k vele vrouwen heb bemind
sindsdien, met moeden geest of smekende gebaren:
u minde ik; want ik zag uw kinder-ogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken troostend zijn,
in 't huis mijns vaders, waar de dagen trage waren.




KOORTS-DEUN

't Is triestig dat het regent in den herfst,
dat het moe regent in de herfst daar buiten,
- En wat de bloemen wégen in den herfst;
- en de óude regen lekend langs de ruiten...

Zwaai-stil staan grauwe bomen in het grijs,
de goede sidder-boomen, ritsel-wenend;
- en 't is de wind, en 't is een lamme wijs
van kreun-gezang in snakke tonen stenend...

- Nu moest me komen de oude drentel-tred;
nu moest me 't oude vreê-beeldje gaan komen,
mijn grijs goed troost-moedertje om 't diepe bed
waar zich de warme koorts een licht dierf dromen
en 't wegend wee in leede tranen berst...

...'t Is triestig dat mijn droefheid tháns moet komen,
en lomen in 't atone van de bomen;
- 't Is triestig dat het regent in den herfst...




Uit cyclus 'Verzen aan ene vrouw'


GIJ DIE GEBAARD HEBT

Gij die gebaard hebt, en in moeder-smart gestaan,
hoe ben ik als een tuin voor uw gepijnd verlangen?
Hoe gaat ge in barre hoop, hoe draagt ge onvruchtbren waan,
en heeft uw liefde een liefde om mijn gelaat gehangen?...

Al slaat in mijn moe hoofd uw zware zomer-geur,
vergéefs zult ge, als een roos, uw adem mij-waarts keren;
want, ben ik úw door al de macht van uw begeren,
gij kunt niet mij zijn, daar 'k om eigen liefde treur.



THANS ZIJT GIJ BETER

Thans zijt gij béter, daar ge vredig zijt, en kuis,
gelijk de dorpel van een fris en duister huis.
En zijn uwe ogen droef, zij hebben kláar gesproken:
ik heb de doornen van uw liefde-boom gebroken...

- Zó is het góed, dat ge in mijn kálleme armen rust...
Een nieuwe lent kan thans om uw gebaren groenen...
En zo ge nóg mijn mond, herdénken-lievend, kust...
gij kust een schonen dood, de zoon van onze zoenen.




IK ZAL U NIET BEMINNEN

Ik zal u niet beminnen,
gij, die in vreê-gewaad
voorbij mijn torve zinnen
langs-heen mijn leven gaat.

Ik zie uw rústige ogen,
en 'k weet hoe góed ge zijt:
úw tederheid, gebogen
over mijne eenzaamheid.

En 'k heb u niets verborgen
van blijheid, drift en leed,
en hoe uw plegend zorgen
me in stilte wenen deed.

Maar - 'k zal u niet beminnen,
met brandend hart en brein;
ik wil u niet beminnen:
ik wil gelúkkig zijn.


torve (Lat. 'torvus'): nors; ruw; woest



ALS, BIJ MOE-TANEND AVOND-LICHTEN

Als, bij moe-tanend avond-lichten,
angst daalt in onze aanwezigheid,
zijt gij 't, die voor onze aangezichten
de vreê der avond-lampe breidt.

Wij zitten, en ons leden wegen,
zwaar van stil-naedre dage-dood;
gij hebt zacht woorden die verplegen,
en breekt het vredige avond-brood.

En wij, die uwe gaven eten,
wij rusten in uw blijden haard,
en zien, ons leed bijna vergeten,
uw hand die stil de kruimels gaêrt;

en slapen in uw têre zorgen,
en raden niet hoe, troost-gewijd,
gij, voor u-zelf misschien verborgen,
van lijde' een béetre liefde zijt.




Uit cyclus 'Verzen aan de terug-kerende'


October draagt in vreê wie sober heeft genoten

October draagt in vreê wie sober heeft genoten
de zomer-vruchte', in lusteloze rustigheid.
Maar ik, wiens dagen als een vlucht van vooglen vloden,
steeds onvoldaan, naar u die de een'ge Zomer zijt,
mij heeft de rille Herfst zijn wrangsten wijn gegoten...

Zult ge thans keren?... Mijn bezweren is te moe
dat het de laatste reize om uwe liefde doe.
- Misschien, misschien?... Ik voel in mij den tróost bezinken
dat beiden wij misschien, gesluiërd, de ogen toe,
denzelfden schampren wijn terzelfde schale drinken.




IK HOOR DE NACHT DIE NADER-ZIJGT

Ik hoor de nacht die nader-zijgt, -
en beider zwijgen...
Ik voel uw hoofd naar mij geneigd,
- zal 't mijne neigen?

Uw aangezicht is vreemdlijk stil
in 't schemer-leven...
Ik zie het laatste dag-geril
in de avond-dreven.

- Is dit een einde of een begin?... Uw handen glanzen;
uw blik is als violen in
verslenste kransen...

- - Ach, is ons lijf voor eéuwig moe,
en onze zinnen?...
Mij faalt de kracht, te zeggen hoe
'k u durf beminnen.




HET WEZE DAN, DAT IK THANS WEÊR
          UW LIEF ZAL WEZEN


Het weze dan, dat ik thans weêr uw lief zal wezen,
o spiegel die het beeld van mijnen glim-lach draagt;
en dat mijn liefde, in schroom naar úwen schijn gerezen,
met vroegre woorde' uw liefde in schaamlen eerbied vraagt,
- meêlijdend om haar-zelf, zó als een vooglaar waagt
met suizend fluite' een kranken vogel te genezen...

Ik ben gewond; ik heb een wonde, en die nog bloedt,
en die ik thans in liefde om úw geluk wou dragen...
- Ik weze uw lief, gij die geduldig zijt, en goed
dat gij mijn vreemden waan met eigen waan wilt schragen,
- meêlijdend om de vooglaars die 't genezen wagen,
met zoet gefluit, van 't vogelken, dat sterven moet.




WAT DEERT ME NIEUWE LIEFDES-TIJD

Wat deert me nieuwe liefdes-tijd;
wat deren waan'ge dagen?
'k Heb mij in bedden neêr-geleid
waar vreemde doden lagen...

Wat schade aan hergenoten waan?
Misschien zal ik vergeten
hoe doornen langs een liefde-laan
mijn lede' aan stukken reten...

- Ik ben zo blij, ik ben vreemd-blij,
te kunnen stil gelóven
in nieuw-aanblazend min-getij
door oud-gekende hoven.


Naar boven

DE BOOM-GAARD DER VOGELEN
EN DER VRUCHTEN


AAN MIJNE VROUW

Gij spraakt: "En slaak uw vreugd, noch laat uw ogen toe
die 't dralend waren van uwe oude wanen weren:
de reinste dag is zwaar van avond-zwoel begeren;
de blijdste nacht verloomt en laat u morgen moe.

Leef voort. Neem deze Toorts: ze is as; ze en weegt; en hoe
uw kommer slenke in hoop, of hope in kommer kere:
en merk heur smeule', hoe 't druilt in duistren of vermêren,
maar slaap gerúst, gij wien 'k dees schaamle gave doe.

Ten zoomre van uw jaar, ter zonne van uwe ure,
ter felle laaië van uw helste levens-koorts
en zal haar vonke in u meer dan uw weren duren...

- Maar naêrt de herfst die de' avond zeult: o Liefde-toorts,
niet-waar, niet-waar, wanneer hij rilt van heulloos denken,
zal bréed uw vlamme zijn, die hem te mij zal wenken"...




Uit cyclus 'Ernstige liederen'


DE VROUWEN DIE IK HEB GEKEND

De vrouwen die ik heb gekend
zijn mij voorbij-getreden
als zwaarden, in vaste vuist geklemd,
die bevriezenden sneeuw door-sneden.

Hun hoop, hun schoonheid en hun schroom
bleef in mijn oog geschreven;...
- maar groeide er ooit tot in den boom
wat werd in bast gedreven?

Zo draag 'k - mijn eigen vreugde wáard -
in naderend minnens-duister,
mijn ongenaakbare min, bewaard
onder scheuren-schonen kluister.




Uit cyclus 'Stille zangen'


WAT IS HET GOED AAN 'T HART

Wat is het goed aan 't hart van zacht verliefd te zijn,
zijn luimen naar een verre' of naêren lach te meten,
en, te elken avond weer het kommer-brood gegeten,
weer blij te mogen rijze' in iedren morgen-schijn,
deed nieuwe liefde-lach het oude leed vergeten.

Ik weet niet wat geluk is; maar uw schoon gelaat
is kalm, en maakt me blijde, en doet mijn leden rillen;
— en 'k lach, gelijk een kind dat door een water waadt,
en, vreemde vreugde in de ogen, aarzelt, in den killen
en ringlend-zilvren vloed die zijne voeten baadt.

Want ik bemin, u, vrouw; en zo mijn dralend schromen
slechts de ogen toe uw tegen-lachen is genaakt:
zo was ik als een kind dat, gerens-blij gekomen
naar glanz'ge vruchten-pracht in lomende avond-bomen,
beducht om zóveel schoons, geen enkle vrucht en raakt.


Naar boven

DE GULDEN SCHADUW


Uit cyclus 'Het huis van de dichter'


IK HEB EEN VROUW; IK HEB EEN KIND

Ik heb een vrouw; ik heb een kind;
en 'k heb in 't harte harde zorge...
o Kommer-knagen voor wie mint,
te weiflen aan den dag van morgen.

- Ik sla de zwarte netten uit
en berg in 't roerig moer de fuiken;
maar, vóor de hoop op weel'ge buit,
zie 'k drabben uit de drasse duiken.

Soms komt, voor diepre schoonheid borg,
me een water-roos heur blaêre' ontvouwen...
o Knagen van mijn harde zorg;
- maar 'k heb een kind, en 'k heb een vrouwe.

drab(be): troebele dikke vloeistof
dras(se): zeer vochtige weke grond; slijk; modder




NIET WAAR ?

Niet waar? Een snede vlees op deze snede brood,
en, dankend nóg, een stillen sluier om de zorgen...
De ruste naêrt. Gelijk een aarzelende morgen
wacht ons de slaap, bijna nog schoner dan de dood...

't En is niet veel wat ons van vroeger hopen rest;
maar draagt ge niet het kind van onze zaligheden,
o vrouwe? En hoe ge om onzentwille hebt geleden:
de tranen zijn een bron die 't goed betrouwen lest.

Ik min u, vrouwe; ik min u, kind. Gaat slapen. 'k Blijf,
want 'k voel hoe verzen, barens-rede; mij bewonen...
- o God, mijn tóch betrouwde God, gedoog te lonen
dees wankelende ziel in dit doorhunkerd lijf...




IK LIJD

Ik lijd... - Gij die, gedwee, mijn luimen hebt geleden
en om uw eigen leed dees ijdel hoofd bemint;
die 't zoete linnen plooit, en teedre huislijkheden
gaêrt om de wiege van onze arme weelde : ons kind;
gij, die me uw zorg bereidt gelijk een zoele sponde:
o, waar is 't sterk beleid van mijne min belonden,
dat ik zo gans alleen me, en met dées leed bevind?

- Daarbuiten huivert blijde en kwijnt het moede marren,
meêwarig als een zoen, der ure om onze woon;
in melkig slieren draalt door de armen van de sparre,
gelijk een druil'gen droom, de mane, sluier-schoon...
En - 'k lijde, ik, o mijn vrouw, die 't eigen vroom verblijden
om nieuwe lente dwingt tot teder medelijden,
en wier geduld 'k alleen met deze zuchten loon...

Het huis is stil. Gij plooit het linne'. Een zelfde lampe
waakt om uw liefde-zorge en deze dorre pijn.
Een zelfde lente laat van koorts mijn slapen tampen
en een geloken vreugde in úwen boezem zijn...
Gij glimmelacht. Gij plooit, bij lampe-licht, het linnen.
En - gene liefde in mij, dan eigen leed te minnen,
en gene lente, dan herlevend smart-geschrijn...


marren (Middelnederlands): 1) tegenhouden; belemmeren; vertragen
2) pijn doen; last veroorzaken; hinderen
3) vastleggen; treuzelen; aarzelen; talmen


Naar boven

HET ZATTE HART


Uit cyclus 'Verzen aan zee en in een tuin''


O LATE DAG

o Late dag, gij smaakt naar water en naar rozen.
- Ik weet me alléen te zijn in 't wijde, koele huis,
'k geniet mijn eenzaamheid, ik voel mijn vrees verblozen;
ik voel 't verléen vergaan in teder blaêr-gesuis.

Reeds neigt de zon ter rust en lijkt 't gerijs der mane.
Er is geen komst die hoopt; er is geen leed dat wijkt.
Een vreed'ge staat regeert die, buiten wens en wanen,
vermeert een zoet betrouwe' en dat me-zelf gelijkt.

En de avond staat gestrekt aan dezen muur vol bloemen
rijzig en ijl, gelijk de schaaûw der eeuwigheid...
Een bijen-zwerm die keert: ik hoor dees woorden zoemen
die 'k, zwaar aan dracht, maar blijde en vroom, der Stilte wijd.


Naar boven

DE MODDEREN MAN


VERVARELIJK FESTIJN

Vervarelijk festijn voor onverzaedlijk dorsten:
zo hebben ze u gekend, bij smaad- of smeek-gebaar,
die, donker van begeerte of heller liefde klaar,
van u besmaald misschien, misschien u tarten dorsten.

o Bralle broeiïng van het schroeiïg-hete haar
dat ge als de kromme vlam van ene toortse torste';
uitdagend dreigement der driest-gedragen borsten;
o buik die glooit en glanst gelijk een beukelaar;

- zó kenden ze u. En ik, waar 'k uwe schoonheid schenne,
ik, die me-zelven miek de' in vrees begeerden Man
die u bevrijden kon en sloeg in slaven-ban;

zelfs ik, uw grauwe Heer, wien géen vrouw ooit zal kennen:
hoe bibbert op mijn lip de bede - o wrang bekennen -,
de bede, uw doem te ontvliên, en die 'k niet bidden kan...


Beukelaar: (beukel = ronde knop) soort rond schild



Weêr gaat het veege licht der asters bloeien

Weêr gaat het vege licht der asters bloeien;
weêr naêrt een herfst. - En dit doorhunkerd hart
waar smokend 's zomers toortse gaat vergloeien,
wordt huiverend, en mart...

- Ik, in wiens hand de zoele vruchten wogen
maar wien de zoen ontzegd werd van den beet;
die, naar 'k u weet, o herfstig mededogen,
me des te allèner weet;

eeuwige maaier, ik, die sneed het koren
maar nimmer voor zich-zelf de garve bond;
eindlooze vaarder in zijn vochte voren
die nooit de haven vond:

weêr naêrt een herfst; en weêr naêrt wrang het derven
dit hart dat, hooploos, steeds verlangen kent;
dat, immer hunkrend naar dit herfstlijk sterven,
na 't wintren weet een lent'...

- Weêr brandt mijn najaars-bloed in smeek-gebaren;
weêr weent het hart waar de oude wonde schroeit...
- Hoe bronst het goud in de kastanjelaren!
De zilvren aster bloeit...


mart van het Middelnederlandse 'marren': vertragen; hinderen, pijn doen; aarzelen



IK BEN MET U ALLEEN, O VENUS, FELLE STAR

Ik ben met u alleen, o Venus, felle star.
En, waar 'k vergeefs in mij uw stralend gloeien zoeke,
blijft leêg mijn marrend harte, en bar.

Mijn harde mond is strak aan beiden starren hoeke.
Geen vraag. En zelfs wat 't eerst me naêrt en 't laatste scheidt :
zelfs àngst en komt mijn ijlt' bezoeken.

Ik ben met u alleen, mijn ogen droog en wijd;
terwijl de wijde nacht welft mijn verlaten kilte
naar uwe gloeiende eenzaamheid.

- De venstren blind, de kaemren naakt en ijl de dilte;
het huis eens beedlaars, onbetreên en haveloos:
aldus mijn ziel in 't land der Stilte;

alwaar ge, alleen ten hemel-tuine een helle roos,
een vurig-felle roos in Stilte's donkren lande,
staêg-nodend waakt en blaakt, altoos;

en ik, met de armoê van mijn hoofd en van mijn handen,
in de armoê van mijn hart ontbere, leêg en bar,
zelfs de arme vreugd van eenzaam branden...




IK VRAAG DEN VREDE NIET

Ik vraag den vrede niet; ik vraag alleen de rust.
-o Tedere avond-glans der lippen en der lampen,
als de êle nacht ontrijst aan lage dage-dampen:
wanneer wordt van uw zuivren gloed mijn angst gesust?

De schroeiige ogen tot kalmen droom gekust;
geblust het zwoele bloed van 't dagelijkse kampen;
en, waar ter slaap de laatste zorgen trager tampen,
de liefde en 't leed verzoend tot één weemoed'gen lust...

- o Tedere avondglans der lampen en der lippen...
- Maar gij, mijn harde geest, die stoot aan alle klippen
vergééfs een onwil waar geen genster aan ontschampt...

- Ik vraag den vrede niet: ik vraag alleen te pozen;
ik vraag alleen de rust die, maagdelijke roze,
gelijk de maan den moeden dag ontrijst, die dampt...




WANNEER IK STERVEN ZAL


Wanneer ik sterven zal (o glimlach om de vreze
en om 't begeren dat ik eindlijk sterven zou!):
neem dan dit pijnlijk boek; wil deze verzen lezen
waarin ik u miskenne, o vrouw.

- Ik weet: gij zult er niets dan bitters ondervinden;
niets dat u om de zwaart der dode ontgoochling troost:
slechts 't hunkren naar de duizendvoudige beminde
dat zijne schroei'ge zuchten loost;

slechts om uw trouwe zorg de wroeging, te vermoeden
dat gij hem niets dan uwe schoonheid geven mocht:
den onverzaadbaar-zatte' en spijt'gen levens-moede
die aldoor heter leven zocht;

hij die van u de dolste en wreedste gaven eiste
en die in uwen schoot het àl-bezit bejoeg,
maar, wreed en laf, tot in uw troostende armen krijste
om de onmacht die hem sarrend sloeg.

Gij zult er niets in vinde', o vrouwe, dan de wrake
dat hij geen wonden beet dan aan úw liefde-mond,
en dan den wrok, dat naast zijn blakerende wake
hij steeds úw angst'ge wake vond.

Gij zult er niets, helaas, gij zult er nimmer horen,
zelfs geen gekreun dat om uw medelijden smeekt:
slechts, waar 't de duisternis van uw getreur komt storen,
een maatlijk dropken bloed, dat leekt;

niets dat u node naar een eindelijke stilte
gelijk van verre een bron naar lafenisse noodt:
slechts aan uw hoofd, o gij die leest, de hete kilte
der laatste koorts van vóor den dood;

slechts aan uw arrem hart den wrangen angst der vrage
wat gij dan ooit, voor wie dit dichtte, zijt geweest,
en dan - de zekerheid een eeuw'gen doem te dragen,
o gij die deze verzen leest...

En toch...- Wanneer ik sterven zal (o geerte en vreze!)
en om uw kommrend hoofd de dode-wake fleemt,
en gij dit brallend boek, om niet alléén te wezen,
ter bleke en moede handen neemt;

en gij zult lezen, en de bitterheid zal rijzen
in al haar strakheid aan uw mager weeûw-gelaat;
en gij zult voelen, gij die mij niet kúnt misprijzen,
het smaden dat u tegenslaat;

en gij zult verder gaan, en vers na vers zal branden
ter fellre kone en in het traanloos oog-geschrijn;
en 't boek zal worden gelijk lood in uwe handen,
die bleek en moede en machtloos zijn:

dàn zult ge - armzaliger dan wie het ergste leden,-
dan zult gij nóg, o mijne vróuw, me wezen góed.
En gij zult zien hoe 'k lig, mijn leven uitgegleden
tot bij het laatste zweet en bloed;

gij zult de grauwe lok van voor mijne ogen keren
en zien hoe nóg de drift zwart om mijn schalen kringt;
hoe, nors van vragen en vertrokken van begeren,
de laatste kreet mijn lip verwringt.

Maar gij en zult geen woorden zoeken, die vergeven;
geen zoenens-tranen zelfs ter zoete tuigenis
dat deze slechte dode uit uw vernietigd leven
in eeuwigheid verscheiden is;

gij zult uw hand niet meer aan 't zwijgend hart me leggen:
gij weet hoe't aan uw schrik zijn laatste bonzen sloeg;
want reeds, o vrouwe, hoort ge uw hart de woorden zeggen
die u de laatste zorge vroeg.

Gij zult, in nieuw ontroere', het boek ter zijde laten;
een zoet gepeinzen wekt een nieuwe tederheid;
en gij zult voelen hoe mijn doem tot niets kon baten,
omdat gij toch mijn vróuwe zijt;

gij zult het weten, en een tomeloze liefde
zal zwellen in uw borst en kroppen in uw keel,
en uit wat meest u kwelde en u het innigst griefde
wordt u het hoogste heil ten deel.

Want hoe ge, toen gij laast, ter borst moest voelen nijpen
de pijn van wie, miskend, zelfs om zijn onschuld treurt:
veel beter dan ik-zelf zoudt gij mijn woord begrijpen
dat nóg in trots het hoofd u beurt.

Gij, de een'ge die mijn rustloos hart hebt voelen kloppen
gelijk een zoete last aan 't eigen vragend hart:
gij weet hoe 'k machteloos weende, en - hoe de doop der droppen
U heilig miek van mijnen smart.

Omdat ik slechts aan ú mijn driften zou verzaden,
was 'k, onverzaadb're zatte, uw duld'ge schoonheid moe;
en 'wijl mijn dorre mond uw jonst'ge lip versmaadde,
ging mijn begeren àndre toe;

maar gij alléen toch weet de kreten van mijn vreugde
al hadde ik ze in mijn waan ook àndere gewijd;
maar niemand had, wat van mijn toorn u 't meeste heugde:
ùw eigen schone zékerheid;

de vlammen-schone zekerheid waar de Getuigen
- hoe fel de gesel strieme en 't onbegrijpen spott' -,
bij de onverdiende schand waar blijde ze onder buigen,
ter hoogt' meê rijzen van hun God.

- Want gij, ge weet, mijn vrouw, de allenige te wezen
aan wie 'k de volle maat van heel mijn wezen gaf...
Daarom, wen 'k sterven zal, wil deze verzen lezen
zo onuitsprekelijk-droef en -laf,

- daar gij alleen, mijn lieve lieve, in u kunt voelen
hoe heel het boek van mijne en ook úw liefde gloeit,
en in úw oog alleen misschien 't geween zal zoelen
dat, wen 'k dit schrijf, mijn schale schroeit...

Gij mensen, die misschien me in laetren tijd gedenkt,
als deze mond, en zónder morren, heeft gezwegen,
maar, woordloos op verzaden dood open-gezegen,
de ijlte betekent die uw vragende ijlte wenkt,

weet: als een straf heb 'k stroeve waarheid mee-gekregen;
geen krankheid, die mijn lijf niet kreunend heeft gekrenkt;
en 't spijt, dat dit mijn vers gelijk een hostie drenkt,
mag heilig op uw tong als 't leven-zelve wegen.

Ziet: dit gelaat is lood, en zorge is 't zuur dat vreet
door 't lood, en 't diepst van al de hete voren beet
om God, o mijn begeert, die borgde 't pijnlijkst beiden.

En toch: hij die dit zeide in dood-gedoemde tijden,
en, leed hij waarlijk àl te zeer wanneer hij leed,
- hij droeg 't gevoelen, nooit genoeg te mogen lijden... 

Naar boven

GOD AAN ZEE


Uit cyclus 'De hete as'


'k Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend

'k Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend
al wemelt twijfel in de opalen van mijne ogen;
'k heb in mijn leven meer geloochend dan gelogen,
en ziet: de bitterheid ligt om mijn mond versteend.

O Gij, die morgen om mijn laatste bed gebogen,
u voor het raadsel van dees ziele hebt vereênd:
uw zucht trilt door een ijlt die gij vol wisheid meent
en mijn gebrek aan smart vervult gij met meêdogen.

Of ik genieten wil dan of ik lijden mag:
ik wacht op tranen in de dorheid van een lach
en 'k vrees mijn tand waar hij de lippe Gods zal bijten.

Ik ben de lafaard die, voor eigen vreugd bedeesd,
zich-zelf van alle paradijzen heeft verweesd,
en 'k voel me schoon alleen waar 'k beef voor zelf-verwijten.




O BLIK VOL DOOD EN STERREN

o Blik vol dood en sterren,
o hart vol licht en leed.
De dag is spijtig verre;
de nacht is hel en wreed.

Mijn mond vol wondre smaken
dien géne vrucht verzaadt.
Niemand, o hunkrend waken,
die langs mijn venster gaat...

Wij zullen nimmer wezen
dan Godes angst'ge wezen.
- God, laat ons waan en schijn
dat we Uwe wezen zijn.




Uit cyclus 'Geboorte van den honing'


SLUIT UWE OGEN OP HET LICHT

Sluit uwe ogen op het licht:
dieper zal het branden...
Nimmer is me uw lief gezicht
liever, dan waar ’t veilig ligt
binnen mijne handen.

Keer uw zinnen van den dag:
langer zal hij duren...
Rijker langend wordt uw lach
waar hij schemert door het rag
der verleden uren.

Neuren als een voorjaarswind
bij geloken wachten...
Mondje, dat geen vraag ontbindt;
ogen zonder vrees, o kind;
en uw haren, bleek en blind
als de maan bij nachte.


Naar boven

HET BERG-MEER


Uit cyclus 'De modderhaven'


ZOU'N WIJ GEEN GLAASKEN MOGEN DRINKEN?

Zou'n wij geen glaasken mogen drinken?
zou'n wij daarom een zat-lap zijn?
- De droesmen van de driften stinken
nog meer dan moer van zieken wijn.

Zou'n wij geen meisken mogen kussen?
Zou'n wij daarom een vuil-baard zijn?
- Maar wèlke boezem wordt het kussen
voor deze lang-verzopen pijn?...

Als koningen kwamen we uit den Oosten
en hadden de zilveren matten aan boord.
- Wij hebben de wàlg om ons te troosten.
Aan elke ra daar hangt een koord.

Wij werden nuchter tot bewusten
al bennen onze daden groot.
En als men moede is, kan men rusten
in uwe warme haven, Dood.


moer: bezinksel van gistende wijn



DE MEISKENS UIT DE TAVEERNEN

De meiskens uit de taveernen,
Zij hebben een malsen schoot.
Zij zien er de jongens geerne.
Zij baren haar kindren dood.

Zij dragen van vurige zijde
een keursken dat spant en splijt.
We ontwaken aan haar zijde
met den houten mond van de spijt.

De ronde zee waar wij zwalken,
die eindeloos wenkt en geeuwt,
en ons doet van begeren balken,
en ons verre vrouwe verweêwt:

wij ankren in de taveernen
waar geniepig een rust ons smijt.
Daar wachten ons rood de deernen.
Daar raken wij 't leven kwijt.




Uit cyclus 'Het bergmeer'


DE ZON LIGT IN MIJN LINKER-HAND

De zon ligt in mijn linker-hand,
en zijpelt door mijn vinger-brand
van laag en logger bloed, in 't welkend westen,
op dak en droom, alover vout en veste.
De maan rijst uit mijn rechter-hand
en zeeft haar weemlend zilver-zand
alover wuiv'ge wake en schemer-weven
van 't graan, waar de aedmen, blauw, van 't graan in beven.

Ik stijg al hoger uit het dal.
Ik weet niet of ik keren zal.
Weldra zijn over alle horizonnen
mijn ongeziene blikken de een'ge zonnen.


voute: gewelf




Uit cyclus 'De voedster'


GEUR VAN HET REEUWSE BEEST

Geur van het reeuwse beest; geur van de beurse vrucht;
geur van de zee; geur van ene aarde zonder lucht;
- ik ben de late; ik ben de slechte; ik ben de dwaze;
ik ben de zieke hoop waarop geen hoop zal azen.

Ik ben de laatste peer in de ijlte van den boom.
Ik ben alléen ter killen herfst, en ik ben lóom,
Ik ben geboden nood; ik ben vergeten have;
Ik ben de zwaarste en rijpste en zal geen kele laven.


reeuws: 1) een lijklucht hebbend 2) geil; wellustig
'reeuwse beest': tochtig of loops dier
have: bezit, eigendom, vermogen




IK BEN DE HAZEL-NOOT

Ik ben de hazel-noot. - Een bleke, weke made
bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt.
Ik ben die van mijn zaad een duisternis verzade.
En 'k word een leêgt', die klaagt noch vraagt.

'k Verlaat me-zelf; 'k lijd aan me-zelven ijle schade.
Ik ben 't aanhoudend maal, in een gesloten kring,
van ene domme, duldeloze, ondankb're made.
Maar raak' de vinger van een kind me, dat me rade:
hij hoort mijn holte; ik luid; ik zing.




'k Heb mij verlaten aan de druif en aan de roos

'k Heb mij verlaten aan de druif en aan de roos;
'k heb me aan mijn fierste bloed, 'k heb me aan mijn ziel verlaten;
en - ben 'k de wepele? Alle gave is eigen bate
waar alle liefde is bateloos.

Ben 'k de vergeten lêge en dien geen loon zal wachten?
- Ik vol het uur met geur, ik vol het hart met wijn;
en, zal 'k voortaan alleen de laatste naakte zijn:
mijn naaktheid wordt de klaart der nachten.


wepele: leeg; onbewoond; beschikbaar; ongetrouwd



Naar boven


BIOGRAFIE

-Karel Van de Woestijne werd geboren te Gent op 10 maart 1878.
Zijn ouders behoorden tot de gegoede verfranste burgerij.
-Studeerde aan het atheneum te Gent, maar maakte zijn middelbare studies
niet af.
-Studeerde Germaanse filologie aan de Rijksuniversiteit te Gent
als vrije student.
-1896-1901: medewerker van 'Van Nu en Straks'.
-1898-1903: verbleef met zijn broer Gustave in de kunstenaarskolonie
van Sint Martens Latem.
-1904: trouwde met Mariette van Hende en vestigde zich in Sint Amandsberg.
-1905-1906: trok terug naar Latem. Geboorte van zijn zoon.
-1907: verhuisde naar Brussel. Was ambtenaar en journalist (Nieuwe
Rotterdamse Courant).
-1915: vestigde zich in Pamel.
-1918: schreef de novelle 'De boer die sterft'.
-1919: verhuisde terug naar Brussel, waar zijn dochter werd geboren.
-1920: doceerde Nederlandse literatuur aan de Gentse universiteit.
Medestichter van 'Het roode zeil'. Ontving de 'Staatsprijs voor Poëzie'.
-1920-1925: woonachtig te Oostende.
-1920: werd benoemd tot hoogleraar in de Nederlandse letteren te Gent.
-1925: verhuisde naar Zwijnaarde. Hij woonde in villa 'La Frondaie'.
-1928: schreef de brievenroman 'De lemen torens' (met Herman Teirlinck).
-1929: Karel Van de Woestijne overleed te Zwijnaarde op 24 augustus.



Naar boven

Karel Van de Woestijne schreef zowel gedichten als proza. Hij was
hypersensitief en zorgde met zijn impressionistisch-symbolistische
gedichten voor de opwaardering en vernieuwing van de Vlaamse poëzie.
Voor de hedendaagse lezer zal zijn taal wellicht nogal bombastisch
overkomen.
Van de Woestijne behoorde tot de tweede generatie "Van Nu en Straks".
Onder invloed van de Franse symbolisten ontpopte hij zich als een verfijnd
en gevoelig dichter.
Zijn eerste gedichtenbundels zoals o.a. "Het vaderhuis" (1903)
en "De gulden schaduw" (1910) waren doordrongen met een zinnelijke
melancholie. Daarna namen het geestelijke en het mystische de bovenhand
zoals in "God aan zee" (1926) en "Het bergmeer" (1928).
In de cyclus "De modderhaven" (1926) legde hij hier en daar ook andere
accenten. Hij bezong het volkse en de zelfkant (De meiskens uit de taveernen).
Zijn fijngevoeligheid maakte hier soms plaats voor cynisme.
Ook zijn verhalend proza was merkwaardig. Denken we hierbij maar aan
de novelle "De boer die sterft" (1918).
Karel Van de Woestijne was gevoelig en zwaarmoedig. Ook zelfkwelling
was hem niet vreemd:

En toch: hij die dit zeide in dood-gedoemde tijden,
en, leed hij waarlijk àl te zeer wanneer hij leed,
- hij droeg 't gevoelen, nooit genoeg te mogen lijden...

Desalniettemin evoceerde de dichter treffend het spleen van het fin de siècle
van de negentiende eeuw en was hij samen met Guido Gezelle, Prosper
van Langendonck
en Paul van Ostaijen één van de betere Vlaamse dichters.
Karel Van de Woestijne kreeg ook het etiket van 'halve heilige' opgeplakt,
maar dat blijkt niet helemaal te kloppen met de werkelijkheid.
Zo werden zijn huwelijksproblemen vroeger doodgezwegen, alhoewel hijzelf
ze wel suggereerde in 'De modderen man' (1920).
Vooral in het aangrijpende gedicht 'Wanneer ik sterven zal'  komen bitterheid,
frustratie, wanhoop, schuldbesef, maar ook medelijden en gekwetste liefde
schrijnend tot uiting.



Nog meer biografische gegevens over Karel Van de Woestijne
en over 'zijn Gent', waar hij een haat-liefdeverhouding mee had,
vindt u op de webstek "Literair Gent".

Naar boven

BIBLIOGRAFIE

-1902 De Vlaamsche Primitieven (kritiek)
-1903 Het Vaderhuis (gedichtenbundel)
-1904 Laethemsche brieven over de lente aan Adolf Herckenrath (proza)
-1905 De Boomgaard de Vogelen en de vruchten (beschrijving van zijn jeugd)
-1908 Janus met het dubbele voorhoofd (proza)
-1910 De gulden Schaduw (huwelijk en vaderschap)
-1910 Afwijkingen (proza)
-1910 Homerus, Ilias (vertaling)
-1911 Kunst en geest in Vlaanderen (literaire en kunstkritieken)
-1912 Interludiën I (epische poëzie)
-1914 Interludiën II
-1918 De boer die sterft (novelle)
-1918 De bestendige aanwezigheid (proza)
-1920 De modderen Man (poëzie)
-1924 Zon in den rug (poëzie)
-1924 Substrata (poëzie)
-1926 God aan zee (poëzie)
-1926 Het zatte hart (poëzie)
-1926 De modderhaven (poëziecyclus)
-1928 Het berg-meer (poëzie)
-1928 De schroeflijn (literaire en kunstkritieken)
-1928 De leemen torens (briefroman, samen met H. Teirlinck)
-1931 G. van de Woestijne (kritiek)
-1933 De nieuwe Esopet (proza)
-1933-1936 Over schrijvers en boeken - 2 delen (kritiek)
-1942 Zes duizend en één dag verhalen (briefroman, samen met H. Teirlinck)
-1942 Nagelaten gedichten (poëzie)
-1942 Wiekslag om de kim - trilogie (verzamelbundel)
-1944 Verhalen (briefroman, samen met H. Teirlinck)
-1989 Aan de hoogste kim - Bloemlezing samengesteld door Anne Marie Musschoot
          Uitgegeven door Poëziecentrum Gent
-1989 Dichters van nu 11 - Bloemlezing samengesteld door Anne Marie Musschoot
          (1994 - 2e druk). Uitgegeven door Poëziecentrum Gent
-1996 Wiekslag om de kim - Verzamelbundel (uitgave L. Jansen)


Naar boven

Karel Van de Woestijne - Het vaderhuis

Karel Van de Woestijne - De modderen man I

Karel Van de Woestijne - De modderen man II

Karel Van de Woestijne - De modderen man III

Karel Van de Woestijne - De modderhaven

Karel Van de Woestijne - God aan zee I

Karel Van de Woestijne - God aan zee II

Karel Van de Woestijne - God aan zee III

Karel Van de Woestijne - God aan zee IV

Karel Van de Woestijne - God aan zee V

Karel Van de Woestijne - God aan zee VI

Karel Van de Woestijne - God aan zee (bloemlezing)

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer

Karel Van de Woestijne - Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne - Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne - Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne - Een ster

Karel Van de Woestijne - Verzen

Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Van Nu en Straks

Vlaamse dichters - Overleden vóór 1942

Nederlandse dichters - Overleden vóór 1942

Naar Dode-dichterssoos - Nederlandse & Vlaamse dichters


Homepage


Poëzieweb-Poetryweb: pageviews since/sinds 21-03-2002 
Statist. Poëzieweb-Poetryweb
  Free counter and web stats       © Gaston D'Haese: 01-12-2002.
Laatste wijziging 07-12-2011.   E-post:: webmaster