Iphone and smartphone optimized content

Anna Bijns
Wyff sonder man

Anna Bijns
Refreinen

A. de Roovere
Rondelen

Anna Bijns - Meer zuers dan soets
Anna Bijns


Anna Bijns wordt soms gedoodverfd als kwezel, begijn, oude vrijster of katholieke pitbull. Ze was echter meer dan dat en een vrouw van vlees en bloed, die ook minnedichten schreef. Deze 'refereynen int amoureuse' werden meestal niet gedrukt, maar ze werden opgenomen in manuscripten, zoals het Brusselsche- en het Brugsche handschrift. Anna Bijns was een ervaringsdekundige, want in 1625 had ze een intense liefdesverhouding met een man, die haar naderhand bedroog met andere vrouwen. Zij trachtte haar liefdesverdriet van zich af te dichten en te versmoren in werelds vertier en met wat zij 'creaturen' noemde. Dat het haar menens was geweest met haar gevoelens van liefde bewijst het volgende fragment:
Al moeste ic met u gaen bidden mijn broodt Door hagel, door sneeu, door windt, door wagen En dondervlagen, Ic en achtes al niet, mocht ic u behagen; Ic zoude scheyden van vrienden en magen En wandelen met u door scherpe wegen...

 Meer zuers dan soets

Veel zwaerder gepeysen mij therte doorwroeten,
   
Ongenuechte hout mij heel onder de voeten,                  (1)
 
Mijn lichaem dat smelt als was bij den viere. 
 
Waer ic mij stiere, 
  
Esser druck ter werelt, hij sal mij ontmoeten; 
  
En zeer zelden gebeurt mij eenich versoeten 
  
Maer altijt moet ic drincken van sueren biere; 
  
Dit es de maniere. 
  
Alle vruecht die es tot mijnent diere; 
  
Herpe noch liere en mach mij verlichten. 
  
Ic en can gemaken geen blijde chiere                            (2)  
  
Ic calengiere dees bitter gerichten;                                 (3)  
  
Wenende moet ic als geslagen wichten 
  
Troosteloos dichten door dit overdincken 
  
Want vrienden en magen, neven en nichten  
  
Tegen mij vichten en willen mij crincken. 
  
Meers zuers dan soets moet ic eenpaerlijck drincken 

    
Mocht mij noch zoo veele soets gebueren 
  
Als zuers, ic bedanckte mij der aventueren; 
  
Veel te minder zoude wesen mijn verdriet: 
  
Ic vertrooste mij iet. 
  
Maer aylaschen! neent, dit doet mij soo trueren 
  
Dat mij therte dunckt van rouwe schueren 
  
Altijt druck lijden, ende anders niet 
  
Noeyt scerper spriet! 
  
Waer es troost van menschen, daer ic mij toe verliet? 
  
Die voermaels mijn vrient hiet heeft mij bedroogen  
  
Schoon bueselen hij mij int oore stiet.                              (4)
  
Wankelbaer als een riet, dobbel en doortoogen                (5) 
  
Heb icken vonden, al scheen hij schoon voor oogen. 
  
Trouwe es vervloogen; dit doet mijnen moet sincken 
  
Dlijden es groot dat ic moet gedoogen  
  
Ic segt ongeloogen - die woorden clincken: 
 
Meer zuers dan zoets moet ic enpaerlijck drincken.
Meer zuers dan zoets es bitter om smaken. Mijn hertken zou wel na wat anders snaken; Maar neen, ic moet derven alle jolijt Zonder eenich respijt. Als vrienden faelgieren, zoo mach men wel waken; (6) Wat zelen dan openbaer vianden maken? Geveysde vrientschap, valsch, ypocrijt, In eens lams habijt Te lijden van vrienden es daldermeeste spijt. Dus wie dat ghij zijt, en betrout niemant te wel; Siet na elcken omme; twerdt u groot profijt. Ic segt sonder verwijt: geen lijden zoo fel Vrients ontrouwe en es geen kinderspel! En gelooft niet te snel, die schoon woorden schincken; Zelck spreect wel schoone, maer therte meynt el, (7) Door zelcken bestel moet mijn vruecht mincken: Meer zuers dan zoets moet ic eenpaerlyck drincken.
Waer ic rijck van goede, haddic geldt en schat, Dat yeghelyck van mij mocht crijgen te bat (8) Zoo zouden mij wel veel vrienden aencleven In mijn leven. Maer nu es mijn borse van gelde plat; Dus vallen mijn vrienden tot mij waert prat. (9) Waer ic come, ic werde verdreven; Dat doet mij beven. Die lutter heeft, wert zeer zelden verheven (10) Ic hebt wel beseven. Elck wilt mij verdrucken Hebbic letter goeds dat werdt mij ontkeven Ontelt en ontscreven: Dit sijn mijn gelucken. Gae ic te rechte, trecht gaet op crucken Daerme sietmen plucken als gansen en vincken Ic moet mij lijden, zwijgen en ducken (11) Al gebueren mij stucken die trecht doen hincken Meer zuers dan soets moet ic eenpaerlyck drincken Prince, Tegen een vruecht gebueren mij dusendt suchten. Ic en weet mij waer keeren: waer sal ic vluchten? Mijn wangen moet ic dagelycx bespraeyen, Met tranen besaeyen. Wanneer sal ic plucken der vruechden vruchten? Nemmermeer, aeylaschen! dit soudic duchten. Den windt en wil in mijn zeyl niet waeyen Ten baet geen craeyen. Geen spel ter weerelt en maech mij verfraeyen Als verbrande caeyen moet mijn smout afleken (12) Mocht goey aventuere tot mij waert draeyen Zoo zoudic paeyen al mijn gebreken. Maer, wachermen! Die es van mij geweken (13) Die somtijts schoon spreken en vriendelijck wincken Zijn dicwils dobbel, vol looser treken; (14) Trouwe es besweken, ontrouwe dunckt mij stincken: Meer zuers dan soets moet ic eenpaerlyck drincken. (15)

(1) Ongenuechte (ongenuchte) = onbehaaglijk gevoel. (2) chiere = vrolijke sier. (3) Ic calengiere = Ik eis op.       calengieren = opeisen, in rechte vorderen; (soms ook) beschuldigen.       gherichte = recht, vonnis. (4) Schoon bueselen = mooie praatjes. (5) Wankelbaer als een riet = heen en weer bewegend.       Hier betekent het 'onbetrouwbaar'. (6) faelgieren (mnl. felgieren, falgieren) = failleren,       in gebreke blijven, failliet gaan. (7) el = anders.       maer therte meynt el = het hart denkt er anders over. (8) yeghelyck = elk wanneer en waar ook, om het even wie. (9) Het mnl. prat betekent normaliter 'trots', 'fier'.       Bijns gebruikt prat hier nogal geforceerd om te rijmen op plat. (10) lutter: luttel, weinig. (11) Ic moet mij lijden = ik moet het verdragen; er mee leven. (12) caeyen (caden) = vetstukken. (13) wachermen = ocharme, ojee. (14) treken = listen, intriges, gemene streken.        looser treken = valse streken. (15) eenpaarlijk (Mnl. eenpaerlike): aanhoudend, onafgebroken.
Naar boven

 Wat liefs te dervene es groote pijne

‘Al mocht ic hoveeren, eten ende drincken, Al waerder alle vruecht, diemen mocht bedincken, Tamboeren, velen, herpen ende luten, Geen spel en mach mij in dooren clincken; Maer alle genuechte die dunct mij stincken; Uut my en can geen blijscap gespruten; Het derven van lieve mij therte doet sluten Vruecht blijfter buten. Al hoordic oec uuten Consteghe woordekens der rethorijken soet, Refereynen, baladen, oft ander cluten, Ic bleve in muten; Ten baet geen fluten Oft soeten sang der eedelder musijcken goet. Liefs derven na lieve altijt omkijcken doet, Want tes quaedt langhe van lieve te sijne. Duer tderven van lieve therte beswijcken moet: Dus seg ic noch eens te desen termijne: Wat liefs te dervene es groote pijne. ‘Al ben ic bij gheselscap genoodt uut trouwen Daer vruecht anthieren mannen ende vrouwen, Al te samen en acht icx niet een haer Al mach ic van buyten tghelaet me houwen, Van binnen es mij therte vol rouwen Als dalderliefste verre es van daer. Och, wat liefs te derven es alte swaer! Elcken dach, voorwaer, Schijnt meer dan een jaer, Wanneer dalderliefste moet absent sijn; Therte heeft dagelijcx anxt, vreese ende vaer Voer sijn liefste paer, En daer haket naer, Altijt zoudt gheerne zijnen lieve omtrent sijn. Als twee herten beyde vol liefden geprent zijn, Eendrachtelijc treckende altijt een lijne, Het scheyen van desen moet wel groot torment zijn, Bitter als galle, vol van venijne; Wat liefs te dervene es groote pijne.
‘Liefs derven doet somtijts veel nachten waken Ic weet bij mij zelven van deser saken, Dus derf ic te stouter tvonnisse gheven’...
Naar boven

 Fragmenten uit haar amoureuse refereynen

...'Den geest begeert al hemelsche dingen. Het vleesch wilt lachen , spelen en singen , Hovei'en , boeleren , dansen en springen , Ydelheyt hantieren.'
...O milde Heere, ghy hebt my veel gaven Gegeven, beyde geestelijc en natuerlijc .... Ghy hebt my verleent cloecke sinnen , Subtijl verstant."

Maar, voegt zij er aan toe:
...'Myne lichamelijke gaven, die heb ie meest Tegen God gebruyct en deerlijc verquist.'
Anna Bijns is smoorverliefd geweest:
...'Veel bat ben ic met u, liefken, te vreden. U eerbaer seden mij zoo zeer behagen, Al waert dat alle menschen haer beste deden Met giften, met beden, bij nachte, bij dagen, Ja, dat sij mij ooc dreyghden met allen plagen, Die dooghen oeyt sagen, zij en zouden niet moogen Mijn liefde tuwaert doen vertragen: Ghij blijft int herte, al sijdij uut den oogen.’

Was haar 'care' een monnik -Bonaventura Vorsel?- zoals soms geopperd wordt, of was hij een zeeman of koopman, die gevaarlijke reizen maakte (over zee, over sandt, door wilde foreesten)...? Dit zal wel een enigma blijven.
...‘Rethorizienen, oratueren, poëten, Mercurius geesten, Baerdt nu u consten in alle feesten, Verblijdt u met mij, minste met den meesten, Tot mijnen gelucke Es mijn liefken verlost uut veel tempeesten, Over zee, over sandt, door wilde foreesten, Uut grooten drucke; Door zijn comste ic vruchten van minne plucke.’
Anna was blijkbaar niet preuts of frigide, want zij liet haar minnaar aan zijn trekken komen: ...'Der minnen vruchten ic u mildelijck gaf, Maer een eewich zuchten houde ic daer af: Ic salt draghen int graf.'

Anna komt er achter, dat haar minnaar leugenachtig en ontrouw is: ...‘Ic moet daghelijcx scouwen Dat ghij sprect teghen maechden en vrouwen... Waer ic slape oft wake, Altijt comt mij dit ghepeys te voren... Ic heb u ghegheven mijn herte reene, In mijn herte staet ghij alleen ghescreven'... ...'Met ander vrouwen houdij u bancketten !'... ...‘Die voermaels mijn vrient hiet, heeft mij bedroghen, Schoon bueselen hij mij int ooren stiet; Wanckelbaer als een riet, dobbel en duertoghen Heb ic hem vonden, al scheen hij schoon voor oghen. Trouwe es vervloghen, dit doet mijnen moet sincken. Dlijden es groot, dat ic moet ghedoghen: Ic segt ongheloghen, die woerden clincken, Meer suers dan soets moet ic eenpaerlijc drincken.’

Na enige tijd smoort zij haar liefdesverdriet met nieuw amoureus vertier:
...‘Heb ic eenen verlooren, Twee daer voore vercooren, dwelck de seden fijn Opten dach van heden zijn’.... ‘Want mijn lief heeft eerst gebroken de trouwe, Dus, wat ic brouwe, het werdt hem verweten’.... ‘Sot ben ic, dat ic om hem dus druck verpachte, Bij dage, bij nachte gae suchten en trueren; Ic salt aventueren En ontfangen wat goedts alst mij mach gebueren. Trouwe wil ic schueren als oudt en versleten En sluyten alle droefheydt buyten der dueren; Nieuwe vrueght doet ouden druck vergeten.’
...‘Dleven lust my, tvleesch trect my, de werelt vleyt,’
...‘Mijnen tijdt versleten in ijdelheden, Heel daghen lanck aenden disch gheseten,' en ...‘In teghenspoet ghesocht troost in creaturen*.’
...‘Mindt men creaturen*, oft is men daer af gemint, Ontrouwe is int eynde de gagie.’
...'Als u vaderlijcke hant my wilde castien Geenen troost aen u gesocht in mijn lijen, Maer inde creaturen*.

*Ik veronderstel, dat deze 'creaturen' mannen waren, ofte scharrels...

Na haar liederlijke uitspattingen komt Anna tot inkeer:
...‘Ick sangck, ic sprangck, ic verkeerde, ic speelde... Duer vleeschelijcken wellust, die in mij brande, Verquiste ic Gods gaven menigherande;’
...'Dat tot wellust des lichaems scheen profijtelijc Heb ic gesocht seer appetijtelijck, Niet achtende, al wast der sielen schadelijc; Van eertscher genuchten, was ic onversadelijc, En hoe meer gepleecht, hoe meer gebrekelijc’
...'Den geest begeert al hemelsche dingen, Het vleesch wilt lachen en singen, Hoveren, boeleren, dansen en springen, Ydelheyt hantieren’
...‘Mijnen tijdt versleten in ijdelheden, Heel daghen lanck aenden disch gheseten',
...'Zoe en dunct mij smaken spijse noch dranck Gheen snaren gheclanck mij oock verhuecht, Rethorijcke, musijcke, der voghelen sanck'.
...‘Princhelijcke Prinche, daer alle princhen voer beven, Zoet euwich leven, Al begheven mij vrienden, nichten en neven, Nu wil ic hopen.... Heb ic van eerdtscher weelden ghesopen, Levende beestelijck, Wilt mijn herte met uwer gracien nopen: Als de verloorne zone come ick gheslopen, Ontfanct mij feestelijck. Mijn vleeschelijck herte wilt maken geestelijck, Laet aen mij niet verloren u bitter doot, Als den windt der temptatien waeydt tempeestelijck. Troost mij, bone Jesu, ic hebs groot noot'.
...‘Al heb ic onredelijc geleeft als een beeste, In deerde gewroet, gelijc de swijns’...
...‘Ic heb leggen wroeten jaren, maenden, weken In den dreck der sonden’...
...‘Niet en mach ons versaden dan God alleene'.
...‘Des biddic genade op beyde mijn knien',

© Gaston D'Haese



Naar boven!

Anna Bijns - Refereynen

Anna Bijns - Wyff sonder man

Nederlandstalige dichters

Liefdesgedichten


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002
© Gaston D'Haese: 14-02-2014.
Laatste wijziging: 18-08-2018.

E-mail: webmaster