Iphone and smartphone optimized content

Anoniem - Liefdespoëzie
Anonieme Liefdesgedichten

Vanden levene ons Heren

Proloog
Meneghe rime soe es ghemaect Die ter zielen luttel smaect: Van battaliën ende van minnen, Van meneghen die wi niet kinnen, Van Roelande ende van Oliviere, Van Alexandre ende van Ogiere, Van Walewaine ende van sire macht Hoe hi weder jeghen sine viande vacht, Van Digenen hoe hi sijn lijf Tormente omme een scone wijf, Van Pyramuse hoe hi sijn leven Omme minne verloes. Dats al gescreven.

XIIIe eeuw

luttel: weinig
battaliën: strijd, gevechten
Roelande: het Roelantslied is een Frankische roman in dichtvorm.
   Roelant wordt in een hinderlaag gelokt in het dal van Roncevaux.
   Zijn zwager Olivier vraagt hem op zijn hoorn Oliphant te blazen
   opdat Karel de Grote zal terugkeren om hen bij te staan. Roelant
   weigert dit aanvankelijk en blaast uiteindelijk toch op zijn hoorn
   als de strijd verloren is.
   In 778 had er bij Roncevaux (nu Roncesvalles) werkelijk een slag
   plaats, waarin Roland, die streed onder Karel de Grote, het onderspit
   moest delven tegen een leger Basken (dus geen saracenen).
Oliviere: Olivier is een held uit het Roelantslied. Hij sneuvelt,
   samen met Roelant, in Roncevaux in de strijd tegen de saracenen.
Ogiere: de protagonist uit 'Ogier van Denemerken'.
Walewaine: Walewein was één van de ridders van Koning Arthur.
Digenen: verbastering van Diomedes (Griekse held).
Tormente: pijnigde.
'Pyramus en Thisbe' is een verhaal uit de Griekse mythologie
   over de onmogelijke liefde tussen twee jonge mensen uit Babylon.

Het daghet in den oosten

"Het daghet in den oosten, Het lichtet overal; Hoe luttel weet mijn liefken Och waer ick henen sal. Och warent al mijn vrienden Dat mijn vianden sijn, Ick voerde u uten lande, Mijn lief, mijn minnekijn!" "Dats waer soudi mi voeren, Stout ridder wel gemeyt? Ic ligge in mijns liefs armkens Met grooter waerdicheyt." "Lichdy in uws liefs armen? Bilo! ghi en secht niet waer. Gaet henen ter linden groene, Versleghen so leyt hi daer." Tmeysken nam haren mantel Ende si ghinc enen ganck Al totter linde groene, Daer si den dooden vant. "Och lichdy hier verslaghen, Versmoort in al u bloet! Dat heeft gedaen uw roemen Ende uwen hooghen moet. Och lichdy hier verslaghen Die mi te troosten plach! Wat hebdy mi ghelaten So menighen droeven dach." Tmeysken nam haren mantel Ende si ginck enen ganck Al voor haers vaders poorte Die si ontsloten vant. "Och is hier eenich heere Oft eenich edel man, Die mi mijnen dooden Begraven helpen can?" Die heeren sweghen stille, Si en maecten gheen gheluyt; Dat meisken keerde haer omme, Si ghinc al weenende uut. Si nam hem in haren armen Si custe hem voor den mont In eender corter wijlen Tot also menegher stont. Met sinen blanken swaerde Dat si die aerde op groef Met haer sneewitten armen Ten grave dat si hem droech. "Nu wil ic mi gaen begeven In een cleyn cloosterkijn Ende draghen swarte wijlen Ende worden een nonnekijn." Met hare claerder stemme Die misse dat si sanck, Met haer sneewitten handen Dat si dat belleken clanck.

Vroege Middeleeuwen

-Stout ridder: dappere ridder
-wel gemeyt: welgezind, vrolijk
-Bilo: bij god (afgezwakte vloek)
    Bi is 'bij' en lo komt van de Germaanse god Lohe
    (god van het vuur)
-Versmoort in al u bloet: badend in uw bloed
-uw roemen: uw krijgshaftigheid (machogedrag)
-hoge moed: edele aard. 'Hoge moed' had niet
    de pejoratieve betekenis van 'hoogmoed'.
-gheluyt (uy=uu): als 'geluud' uitspreken
-swarte wijlen (Lat. 'velum'): zwarte sluiers
    die bij het habijt van de nonnen hoorden.

Ghequetst ben ic van binnen

Ghequetst ben ic van binnen,
Duerwont mijn hert soe seer,
Van uwer ganscher minnen
Ghequetst soe lanc soe meer.
Waer ic my wend, waer ic my keer,
Ic en can gherusten dach noch nachte;
Waer ic my wend, waer ic my keer,
Ghy sijt alleen in mijn ghedachte.

Gekwetst ben ik van binnen

Gekwetst ben ik van binnen,
mijn hart doet zo'n zeer,
van jou te beminnen
gekwetst, hoe langer hoe meer.
Waar ik mij wend, waar ik mij keer,
vind ik geen rust, dagen noch nachten;
Waar ik mij wend, waar ik mij keer,
ben jij alleen in mijn gedachten.

XIVe eeuw

© Hertaling Lepus

Ick sech adieu

Ick sech adieu, wi twee wi moeten scheiden,
Bi u laet ic dat herte mijn:
Al waer ghi sijt, daer salt ooc sijn.
Tsi vroud of mijn,
Altoos sult ghi die liefste sijn.

Adieu, adieu, adieu! tmoet immer wesen,
Adieu, adieu! alst wesen moet.
Ic ben ghewont, ic secht u bloot,
Mijn hert lijdt noot,
Ghi sijt mijn medicijn.

Cost ic u eer of doocht bewisen,
Dat sal ic doen nae mijn vermach,
Bi u te bliven nacht ende dach
Sonder verdrach
Sonder besweer te sijn.

Och weerde boel, ic moet u altijt eren
Ende dienen u in al mijn tijt,
So worde ic alles trurens quijt
Ende lief, in jolijt
Uw eighen dienre wil ic sijn.

Belieft u wat, soet lief, dat laet mi weten,
Ghi sult mi vinden altoos bereit,
Als ghi wel weet,
Ghi sult die liefste bliven

Ewich uw eigen,
Stadich sonder scheiden.

XIVe eeuw

tsi vroud of mijn: het is mijn vreugde
altoos: altijd; telkens; volstrekt
ic secht u bloot: ik zeg het je duidelijk (vlakaf)
doocht (doget): het goede; goedheid
vermach: vermogen; macht
verdrach: uitstel
sonder besweer te sijn: zonder gekweld te zijn
ewich uw eigen: altijd jezelf
boel: liefste, lieveling. In Vlaanderen
nog gebruikt voor baby ('boeleke')
So worde ic alles trurens quijt: 'quijt' (kwijt).
   Zo zet ik mijn verdriet opzij
jolijt: plezier, vreugde
dienre: dienaar
stadich: standvastig
scheiden: scheiden; verwijderen; sterven;
eindigen

Och lichdi nu en slaept

'Och lichdi nu en slaept,
Mijn uitvercoren bloeme?
Och lichdi nu en slaept
In uwen eersten drome?
Ontwect u, soete lief,
Wilt door uw veinster comen!
Staet op, lief, wilt onftfaen
Den mei met sinen bloemen!'

'Wat ruischet daer aen die muer,
Dat mi mijn ruste berovet?
Die mi tscheiden maket suer
Die leit hier op ghedoghe
In minen arm so vast,
Wi en connens niet ontsluiten.
Mijn beddeken heeft sinen last:
Plant uwen mei daer buiten!'

'O suiverlike jeucht,
Wilt nu uw rusten laten!
Doet op op vensterkijn
Ende coomt uw lief ter spraken!
Al om te vinden troost
So ben ic hier tot u ghecomen.
Staet op, lief, wilt ontfaen
Den mei met sinen bloemen.'

'Al stondi daer tot morghen,
Oc en sal u niet in laten.
Mijn boel leit hiet verborghen,
Ghi en condt mi niet vermaken.
Mijn herteken op u niet en past
Noch op gheen spel van luiten.
Mijn beddeken heeft sinen wollen last:
Plant uwen mei daer buiten!'

'Ic sie den lichten dach
Al door die wolken dringhen;
Ic sie die bloemkens schoon
Al uit der aerden springhen;
Ic sie die sterren claer,
Die verlichten in den trone;
Staet op, lief wilt ontfaen
Den mei met sinen bloemen!'

'Waent ghi dat ic nu slape?
Het is anders dat ic dachte:
Die mei houdt mi in wake
Daer nae myn herteken wachte;
Niet als in der aerden wast,
Rosenbloemen oft ander virtuiten.
Mijn beddeken heeft sinen wollen last:
Plant uwen mei daer buiten!'

XIVe eeuw

'Mei' (meiboom) verwijst dubbelzinnig naar de penis.
virtuit (virtuyt): vreugde, blijdschap
virtuiten betekent hier 'heerlijkheden'.

Te mei haddic een bloemken

Te mei haddic een bloemken
   In mijn hertjen vercoren,
Dat is mi desen couden winter
   Afghevroren.

Dat bloemken licht verborghen
   Onder den couden snee:
Sal ic van u scheiden, goet lief,
   Dat doet mi wee.

Sal ic van u scheiden, goet lief,
   Dat valt mi swaer:
So settic al mijn hopen ende troost
   Int niewe jaer.

Dat niewe jaer dat comet
   Met vrouden an.
Ic hope dat si mijn boelken
   Noch wel worden sal.

XIVe eeuw

boelken: liefje, minnaar
vrouden: vreugde

Drinklied

Scinc her den wyn, 
Gheselle myn! 
Wi willen vroilic leven. 
Het mach sulc zyn 
Noch op den Ryn, 
Die ons gheluc mach geven, 
Al moeten wi nu sneven. 
   
Wat saelt ghetruert? 
De sulc bezuert, 
Een ander moet bezoeten,    
Wat nu ghebuert, 
Ic willecuert, 
God saelt noch tjaren boeten, 
Dat wi nu trueren moeten.

Oudvlaemsch lied - XIVe eeuw

Ic willecuert: 'ik vind het goed',
'ik leg er mij bij neer'.


Naar boven

 Lied van Heer Halewijn

Heer Halewyn zong een liedekijn,
Al die dat hoorde wou bi hem zijn.

En dat vernam een koningskind,
Die was zoo schoon en zoo bemind.

Zi ging voor haren vader staen:
'Och vader, mag ik naer Halewijn gaen?'

'Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!'

Zy ging voor hare moeder staen:
'Och moeder, mag ik naer Halewyn gaen?'

'Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!'

Zy ging voor hare zuster staen:
'Och zuster, mag ik naer Halewyn gaen?'

'Och neen, gy zuster, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!'

Zy ging voor haren broeder staen:
'Och broeder, mag ik naer Halewyn gaen?'

''t Is my al eens, waer dat gy gaet,
Als gy uw eer maer wel bewaert
En gy uw kroon naer rechten draegt!'

Toen is zy op haer kamer gegaen
En deed haer beste kleeren aen.

Wat deed zy aen haere lyve?
Een hemdeken fynder als zyde

Wat deed zy aen? Haer schoon korslyf:
Van gouden banden stond het styf.

Wat deed zy aen? Haren rooden rok:
Van steke tot steke een gouden knop.

Wat deed zy aen? Haren keirle:
Van steke tot steke een peirle.

Wat deed zy aen haer schoon blond hair?
Een krone van goud en die woog zwaer.

Zy ging al in haer vaders stal
En koos daer 't besten ros van al.

Zy zette zich schrylings op het ros:
Zingend en klingend reed zy door het bosch.

Als zy te midden 't bosch mogt zyn,
Daer vond zy myn heer Halewyn.

Hy bond syn peerd aen eenen boom,
De joncvrouw was vol anxt en schroom.

'Gegroet', sei hy, 'gy schoone maegd,
Gegroet', sei hy, 'bruyn oogen claer,
Comt, zit hier neer, onbindt u hair.'

Soo menich hair dat si onbondt,
Soo menich traentjen haer ontron.

Zy reden met malkander voort
En onderweg viel menig woord.

Zy kwamen al aen een galgenveld;
Daer hing zoo menig vrouwenbeeld.

Alsdan heeft hy tot haer gezeid:
'Mits gy de schoonste maget zyt,
Zoo kiest uw dood! het is noch tyd.'

'Wel, als ik dan hier kiezen zal,
Zoo kieze ik dan het zweerd voor al.

Maer trekt eerst uit uw opperst kleed.
Want maegdenbloed dat spreidt zoo breed,
Zoo 't u bespreide, het ware my leed.'

Eer dat zyn kleed getogen was,
Zyn hoofd lag voor zyn voeten ras;
Zyn tong nog deze woorden sprak:

'Gaet ginder in het koren
En blaest daer op mynen horen,
Dat al myn vrienden het hooren!'

'Al in het koren en gaen ik niet,
Op uwen horen en blaes ik niet..'

'Gaet ginder onder de galge
En haelt daer een pot met zalve
En strykt dat aen myn rooden hals!'

'Al onder de galge en gaen ik niet,
Uwen rooden hals en strijk ik niet,
Moordenaers raed en doen ik niet.'

Zy nam het hoofd al by het haer,
En waschtet in een bronne klaer.

Zy zette haer schrylings op het ros,
Zingend en klingend reed zy doort bosch.

En als zy was ter halver baen,
Kwam Halewyns moeder daer gegaen:
'Schoon maegd, zaegt gy myn zoon niet gaen?'

'Uw zoon heer Halewyn is gaen jagen,
G'en ziet hem weer uw levens dagen.

Uw zoon heer Halewyn is dood
Ik heb zijn hoofd in mynen schoot
Van bloed is myne voorschoot rood.'

Toen ze aen haers vaders poorte kwam,
Zy blaesde den horen als een man.

En als de vader dit vernam,
't Verheugde hem dat zy weder kwam.

Daer wierd gehouden een banket,
Het hoofd werd op de tafel gezet.


Ca. 1400

Het gedicht werd mondeling overgeleverd
en is in de 19e eeuw opgetekend.

Een boerman hadde eenen dommen sin

Een boerman hadde eenen dommen sin,
daer op so schafte hi zijn ghewin.
Het voer een boerman uut meyen,
hi brocht sinen heere een voeder houts,
sijnder vrouwen den coelen meye.
 
Die boer al op den hove tradt,
die vrouwe op hoogher tinnen lach,
si lach op hoogher salen:
‘mocht ick een corte wijle bi u zijn,
ick gave daer om mijn ros, mijn wagen.’

Die vrouwe die reden so haest vernam,
si liet den boerman comen an,
so heymelijc al stille;
al in een duyster camerken,
daer deden si twee haren wille.

Doen hi zijn willeken hadde ghedaen,
die boer moste vander tinne gaen,
ende hi bestont te claghen:
‘ic segghe u dat het deen ghelijc dander is;
mi rout mijn ros, mijn waghen.’
 
Die heere quam uuter iaechte ghereen,
hi hoorde den boerman claghen seer,
hi hoorde den boerman claghen:
‘ghi segt dat het een is als dander is;
die waerheyt suldy mi saghen.’
 
Die boer had schier een loeghen bedacht:
‘ick hadde een voederken houts gebracht
ende daer was een crom hout onder;
ick seg u dat het deen als dander brant
als si biden viere comen.
 
‘Hierom was u vrou so gram,
dat si mijn ros, mijn waghen nam,
om sulcken cleynen schulde;
ic bidde u, lieve heere mijn,
verwerft mijnder vrouwen hulde.’
 
Die here ginc voor zijnder vrouwen staen:
‘wat heeft desen armen boer misdaen,
schaemt ghi u niet der sonden?
gheeft hem zijn ros, zijn waghen weer,
laet hem varen tot sinen kinder.
 
‘Vaert henen, vaert henen, goet boere mijn,
dat eerste sal u vergheven zijn,
vaert henen dijnre straten;
och coemt ooc weder als ghi moecht,
brengt ons dat crom hout vake.’

XVe Eeuw

'Meye' (meiboom) en 'crom hout' verwijzen
dubbelzinnig naar de penis.

In het gedicht wordt de spot gedreven
met de naïeve heer van stand en zijn ega.
In de vijftiende eeuw was de ridderpoëzie
in verval.

Wachterlied

 Et waren twee ghesesterkins,   1 
 Ende beede van vertyen jaren,   2 
 Sy zouden te samen om roosen gaen,
 Al in myn heeren bogaerde.
  
 Susterkin, seyse, susterkin,
 Hoe sullen wy roosen ghecryghen ?
 Vernamet myns heeren wachterkin,
 Ons heerken dat sou daer bliven !   8 
  
 O suster, wy sullen gaen by nachte,
 Myn heere licht hoegher up zijn casteel,
 Die wachter slaept zoe vaste,
 
 Als zou in die bogaert quam,   13 
 Dat vernamen mins heeren honden.
 Die honden biesen ten hovewaert in,   15 
 Die wachter blyes synnen horne.   16
  
 O wachterkin, seyse, wachterkin,
 En blaest niet zoe zeere,   18
 Leydet myn vour myn vaders hof,   19
 Om rosen en commic nyet meere.
  
 Vor hu vaders of daer en comdy niet,
 Daer en comdy niimmermeere,
 Die einen slapen in die aerme van my,
 Die schonste by mynnen heere.
  
 Wachterkin, seyse, wachterkin,
 En sprect daer of niet meere,   26
 Hof icker de minnen mantel hof,   27 
 Ic spronghe in die reviere.
                                                                                                                                 
 En sou de haeren mantel hof:   29
 Sy spronck in die reviere,
 Daar vonse haer ander ghesesterken,   31
 Een maghdeken goedertieren.   32


1 ghesesterkins: zusters
2 vertyen: veertien
8 heerken: eer (hier wordt maagdelijkheid bedoeld)
13 Als zou in die bogaert quam: toen zij in de boomgaard kwam
15 biesen: in het Middelnederlands 'rondzwerven'. Hier 'liepen' (of renden)
16 synnen horne: zijn hoorn
18 En blaest niet zoe zeere: blaas niet zo hard
19 Leydet myn vour myn vaders hof: breng me naar mijn vaders' hof (huis)
26 En sprect daer of niet meere: of=van. En spreek daar niet meer van.
Zwijg daarover.
27 Hof icker de minnen mantel hof: hof=af. Als ik mijn mantel (kleren)
moet uitdoen
29 sou de: zij deed
31 vonse: vond ze
32 Een maghdeken goedertieren: een fatsoenlijk meisje (maagdje)


In het middeleeuwse wachterlied gaat het over
de nachtelijke ontmoeting van twee geliefden.
De romantische samenkomst vindt meestal plaats
in de kamer van het meisje. De torenwachter die
soms op de hoogte is van het gebeuren, blaast
bij het krieken van de dag op zijn hoorn om
de minnaar te verwittigen dat hij het hazenpad
moet kiezen.
In het voorgaande gedicht heeft de wachter
echter een doortrapte rol. Hij speelt namelijk
onder één hoedje met zijn perverse meester.
De mooiste meisjes die hij betrapt in de boomgaard
moeten naar bed met de kasteelheer en de lelijke
worden doorde knecht verkracht:

'Die einen slapen in die aerme van my,
Die schonste by mynnen heere.

Eén van de meisjes wordt dus door de wachter
gevangen en liever dan haar eer (=maagdelijkheid)
te verliezen, pleegt ze zelfmoord door in de rivier
te springen. Dit gedicht staat in een manuscript
in het stadsarchief te Brugge. Het werd geschreven
in de eerste helft van de 16e eeuw. Uit aantekeningen
op het voorste en achterste schutblad blijkt dat het
in het bezit was van ene Kateline Winkelmans
in de periode tussen 1540 en 1550.

Minnedicht

Dijn oogskins zijn van lichte,
 Als de sterren blijnkende claer,
 Die bin shemels gestichte,   3 
 Verlichten de nacht eenpaer,   4 
 Want dijn zoet ghesichte,
 Doet vlien alle droufheijt swaer,
 Dat ghij zijt Venus nichte,
 Betoocht hu stoutheijt voorwaer,   8 
 Reijn vrauwe eerbaer.
  
 Dijn lievelicke sprake,
 Es boven den snaren geclanck,
 Al waert dat mijn harte staeke,
 Vul drux en lijdens wranc,   13 
 Ic quame te gemake   14 
 Duer tgeluijt dijns keelkins blanc.
 Ken weet gheen beter zake,
 Voor alle zwaerheijt stranc,   17 
 Dan dijn amoruesen zanc.
  
 Dijn lipkens als corael,
 Dijn bluesende wanghen root,
 Dijn ooghen als crijstael,
 Waerduer ghij mij duerscoot,
 Al met der mijnnen strael.   23 
 Die mij eerst de mutse boodt,   24 
 Dijn troost valt mij zo medicinael,   25 
 Zij weert mijns lijden stoot,   26 
 Cleijn en groet.
  
 Dijn tandekins als yvooren,
 Zijn wit teewegher stont,
 Mijn druc moet versmooren.   30
 Duer taenzijen dijn borskins ront.   31
 Wie en zoude gheen vruecht oorboren,   32 
 Duer dijn lachende mont,
 Dan hu, reijn huijtvercooren,
 Weet vrij mijns hertsen grondt,   35
 Noijt liever vont. 
  
 Adieu als nu ten tijden,   37 
 Leeft boven huenich zoet,
 Het es mij een groot lijden,
 Dat ic hu derven moet.
 Venus dijnct mij benijden   41 
 Ons gheluc en ons voorspoet.   42
 Zal ic noch niet verblijden,
 Met hu in duechden goet,
 Zo stervic duer den gloet!

Eerste helft van de 16e eeuw
Uit het 'Kateline Winkelmans handschrift' (Stadsarchief Brugge)
3 shemels gestichte: zwerk, uitspansel. 4 eenpaer: steeds. 8 betoocht: toont, bewijst. stoutheijt: dapperheid, vermetelheid (Mnl.). Hier betekent het eerder zelfvertrouwen, charisma. 13 drux: bedruktheid; wranc: droefheid. 14 te gemake: opgeruimd, tot rust. 17 stranc: groot, hevig. 23 Al met der mijnnen strael: met de pijl van Amor 24 de mutse boodt: liefde gaf 25 Dijn troost valt mij zo medicinael: jouw troost is als een (helend) medicijn 26 stoot: aanval. 30 Mijn druc moet versmooren: mijn droefheid moet verdwijnen. 31 Duer taenzijen dijn borskins ront: door het aanschouwen van jouw ronde borstjes. 32 oorbooren: ondervinden, genieten. 35 hertsen: van mijn hart. Hertsen is een germanisme. Toentertijd verbleven veel Duitse handelaars in Brugge. 37 nu ten tijden: nu op dit moment. 41-42: 'Venus dijnct mij benijden, Ons gheluc en ons voorspoet': Venus benijdt ons geluk en onze voorspoed.

Susanne

Susanne un jour d'amour solicitée
Par deux viellardz, convoitans sa beauté,
Fust en son coeur triste et desconfortée,
Voyant l’effort fait à sa chasteté.
Elle leur dict, Si par desloyauté
De ce corps mien vous avez jouissance,
C’est fait de moy. Si ie fay resistance,
Vous me ferez mourir en deshonneur.
Mais j’aime mieux périr en innocence,
Que d’offenser par peché le Seigneur.

Guillaume Guéroult

Guido Reni(°Bologna, 1575 – †Bologna, 1642) 
Italiaanse kunstschilder en graveur. 
Suzanna en de grijsaards (1620).
Olieverf op doek: 118 x 113 cm.
City Art Gallery, Auckland.

Susanna

Susanna haer baeiende in een fonteijn
Twee ouders vileijn
Verborgen in den boomgaert stille
Als sij aensagen heur schoon naect lichaem rein,
Oneerlijk certein
Wouden sij volbringen hunnen valschen wille.
Daerom sprack sij: / ‘Heere staet mij bij,
Want seer benaut ben ick met druefheijts banden
Mijn herte kendi / tes beter mij
Onnosel te vallen in smenschen handen
Dan Godt te vertoren met grooter schanden.’


Uit het Frans. Vertaler onbekend.
Componist: Gerardus (van) Turnhout.
Uit 'Een Duijtsch musijck boeck',
uitgegeven door Petrus Phalesius (1572).


Naar boven

Het waren twee koninghs kindren

Het waren twee koninghs kindren,
Sy hadden malkander soo lief;
Sy konden by malkander niet komen,
Het water was veel te diep.

Wat stack sy op: drie keerssen,
Drie keerssen van twaelf int pont,
Om daer mee te behouden
’s Konincks soone van jaren was jonck.

Met een quam daer een besje,
Een oude fenynde bes,
En die blies uyt de keerssen
Daer verdroncker dien jongen helt.

‘Och moeder,’ seyde sy, ‘moeder
Mijn hoofje doet mijnder soo wee,
Mocht ik ‘er een kort half uurtje
Spanceeren al langhs de zee?’

‘Och dochter,’ seydese, ‘dochter!
Alleen en meught ghy niet gaen:
Weckt op u jongste suster,
En laet die met u gaen.’

‘Mijn alder jongste suster
Dat is also kleynen kint; 
Sy pluckt maer al de roosjes
Die sy in haer wegen vint;

Sy pluckt maer al de roosjes,
En die bladertjes laet sy staen,
Dan seggen maer al de lieden,
Dat hebben konincx kinderen gedaen.’

De moeder gingh na de kercke,
De dochter gingh haren gangh:
Zy gingh maer also verre
Daer sy haer vaders visser vant.

‘Och visscher,’ seydese, ‘visscher,
Mijn vaders visscherkijn,
Wout ghy een weynigh visschen,
’t Zoud’ u wel geloonet zijn.’

Hy smeet zijn net in ’t water,
De lootjes gingen te gront,
Hoe haest was daer gevisset
’s Koninghs sone van jaren was jonck.

Wat trock sy van haer hande?
Een vingerling root van gout:
‘Hout daer myns vaders visser,
Dat isser den loone voor jou.’

Sy nam hem in de armen,
Sy kusten hem voor sijn mont,
‘Och mondelingh, kost ghy spreken!
Och hertje waert gy der gesont!’

Zy nam hem in haer armen,
Zy spronker mee in de zee:
‘Adieu mijn vader en moeder,
Van u leven siet ghy my niet weer.

Adieu mijn vader en moeder,
Mijn vriendekens alle gelijck,
Adieu mijn suster en broeder,
Ick vaerder na ’t hemelrijk.

Datering onbekend

fenynde bes: venijnige -, kwaadaardige -, boos wijf
Spanceeren: wandelen
lootjes: gewichtjes (loodjes)
Een vingerling root van gout: een ring van rood goud

Een nyeu liedeken

O Lustelike mey ghi zyt nu in saisoene
Schoon ende groene
Die vogelkens singen nacht ende dagh.
Dies ic wel mach Sonder verdrach   4
Aensien reyn ooge opslach Van myn lief coene
Haer liefde macht mi veel te doene

Int velt staet menischte van bloemen
Wie soudese sommen
Hoe lustelic dat gersseken uter aerden spruit
Loof ende cruyt Gheeft nu virtuyt   10
O mijnder herten ivyt Verblijt den dommen
Een troostelic woort laet lief van u commen

Schoon lief ghi zijt die liefste creature.
Mijns levens dure
Blijve ic ghstadich tot in mijn doot
Reyn lief minioot Troost mi tis noot   16
Die mijn herte doorschoot. Reyn maget puere
Om uwen troost ist dat ic labuere   18

Schoon lief ghi acht mijn woordekens cleene
Dies ic in weene
Blijve ic met drucke so seer doorwont   21
Ghi zijt diet doet Schoon bliede soet
Verhuecht sin ende moet. Met uwen troost reene
Worde ic verblijt door u alleene

Princersselic greyn, wien ick geerne aenschouwe   25
Blust mijnen rouwe
Laet mi arm dienaer troost ontfaen.
Reyn vrouwelijc graen. Hoort myn vermaen   28
Laet mi in u gracie staen. So sal ic met trouwe
U dienen lustelijcke vrouwe

XVIe eeuw

4 verdrach: uitstel
10 virtuyt: vreugde, blijdschap
16 minioot: "stoplap" waarmee een dichtregel wordt vol gemaakt
18 dat ic labuere: labeur => arbeid (last). Hier betekent het
'dat ik verlang (lijd)'
21 drucke: droefheid, verdriet
25 greyn (greyne, greine): greine => 1) essentieel bestanddeel.
2) de paradijs -een aangenaam riekend, driekantig zaad,
voortgebracht door een Guinese plant (Ammonum meleguetta L.):
paradijskoren, cardamon.
Greyn was ook een metafoor voor mooie vrouw. 'Princersselic greyn'
kan men in het gedicht dus omschrijven als 'Edele schoonheid (vrouw)'
28 Reyn vrouwelijc graen (metafoor): Zuivere (=fatsoenlijke)
vrouwelijke schoonheid

Hout u canneken vaste

Het soude een meysken gaen om wijn,
- hout u canneken vaste -
des avonds in de maneschijn, by nachte.
Hout u canneken proper, Dianneken,
hout u canneken vaste!
Wat vant 's in haeren wegen staen,
- hout u canneken vaste -
een fijn gezel al onder den maen, by nachte.
Hout u canneken proper, Dianneken,
hout u canneken vaste!
De ruyter sprac dat meysken toe,
- hout u canneken vaste -
Oft sij er sijnen wille wou doen, by nachte.
Hout u canneken proper, Dianneken,
hout u canneken vaste!
Hoe weygerich dat meysken was,
- hout u canneken vaste -
Hy druckte se neder in 't groene gras, by nachte.
Hout u canneken proper, Dianneken,
hout u canneken vaste!
Doen hy sijn willeken had gedaen,
- hout u canneken vaste -
"schoon lief ghij moecht wel thuiswaerts gaen, by nachte".
Hout u canneken proper, Dianneken,
hout u canneken vaste!

Die ons dit liedeken eerstmael sank,
- hout u canneken vaste -
syn bellekens en gaven geen clanck, by nachte.
Hout u canneken proper, Dianneken,
hout u canneken vaste!

XVIe eeuw

Het soude: er zou
canneken: kruik (metafoor voor vrouwelijk geslachtsorgaan)
Hout u canneken vaste: wees kuis
Wat vants in haeren wegen staen: wat ontmoette ze op haar weg
Oft sij er sijnen wille wou doen: of zij op zijn avances wou ingaan
Doen hy sijn willeken had gedaen: toen hij haar ontmaagd had
sien bellekens en gaven geen clanck: zijn belletjes (= teelballen)
    maakten geen geluid. Metafoor voor 'Hij kreeg geen stijve'.
    Dit is een contradictie. Hoe kon hij haar verkrachten
    (sijn willeken doen) zonder erectie?!
Hout u canneken proper: bescherm uw maagdelijkheid

Lof der geliefde

Gezegend zijn mijn liefs bruin ogen,
die mijn jong herte doen verdrogen!
Gezegend zijn haar borstkens rond!
Gezegend zijn haar rode wangen,
die mij van minne doen verlangen!
Gezegend is haar rode mond!

Rijk God, ware ik Apollo mede,
dat ik u schildren mocht met vrede,
uw aanschijn schoon, uw roden mond,
uw lieflijk haar, uw schoon bruin ogen,
uw vel, met bloed en sneeuw doorvlogen,
en daar mijn hope is op gegront.

Gij zijt mijn lief, mijn alderliefste,
mijn alderschoonste, mijn alderfierste;
maak dat ik niet en komme te val,
opdat ik alle mijn vijanden,
teniet mag brengen en te schanden,
die ons benijden overal.

De winter zal geen kou gehengen,
de zomer zal geen vruchten brengen,
de lichte dag zal niet opgaan,
men zal die wereld demoleren,
en door de droge zee passeren,
eer ik, mijn liefste, u af zal gaan.

 XVIIe eeuw

Den droogen haring

Al van den droogen haring willen wy zingen;
ter eere van zyn kopje zullen wy springen.
't Is van zyn kop, springt er maer op:
't is van den droogen haring.
Al van den droogen haring zullen wy zingen;
ter eere van zyn oogje zullen wy springen.
't Is van zyn oog, springt er maer hoog:
't is van den droogen haring.
Al van den droogen haring zullen wy zingen;
ter eere van zyn buikje zulen wy springen.
't Is van zyn buik, springt er maer uit:
't Is van den droogen haring.
Al van den droogen haring zullen wy zingen;
ter eere van zyn rugje zullen wy springen.
't Is van zyn rug, springt maer terug:
't Is van den droogen haring.


Dit dans- en gezelschapslied werd opgetekend
in Duinkerke in de 19e eeuw. Dergelijke
"haringliederen" als 'drinck-liet op de droge
(gerookte?) haring' waren reeds bekend
in de 17e eeuw.

Naar boven

Vergeten dichters

Liefdesgedichten


Homepage

Pageviews since/sinds 21-03-2002

 ©  Gaston D'Haese: 01-06-2004.
Laatste wijziging 18-08-2017.

 E-mail: webmaster