

XLIIIHoe ik je liefheb? Geef het woord aan mij. Ik bemin je zo diep en hoog en wijd, waar mijn ziel blindelings in slaagt, als zij de kern van Zijn ervaart in Zaligheid. Ik bemin je als ik dagelijks moet vechten en zorgen heb bij kaarslicht en zonneschijn. Ik bemin je open, met plichten en rechten. Ik bemin je zuiver, zonder ijdel te zijn. Ik bemin je met een hartstocht die niet week en met kinderlijk geloof streed tegen oud verdriet. Ik bemin je met een liefde die verloren leek zoals mijn idolen, -- Ik bemin je met de nood en lach en adem van mijn leven! -- Als God gebiedt, zal ik je nog beter beminnen na de dood. XXXVIIIDe eerste keer dat hij mij kuste, kuste hij slechts de vingers van deze hand waarmee ik schrijf; En sindsdien, werd ze zuiverder en wit, traag in zichzelf gekeerd, snel met haar O, lust, als de engelen spreken. Een ring uit amethist die ik hier niet kan dragen, lijkt mij minder waard, dan die eerste kus. De tweede overtrof de eerste in hoogte, en zocht het voorhoofd, wat onhandig kwam hij half op mijn haar terecht. O opperste beloning! Dat was het bekroond charisma van de liefde, met zegenende zoetheid voorafgegaan. De derde op mijn lippen was omvouwd met volmaakt purperen praal, zodat, inderdaad, ik trots ben geweest en zei, Mijn allerliefste.1850 © Vertaald door Lepus ![]() |

