Baudelaire

Charles Baudelaire 
°1821 †1867
Portrait par Frantisek Kupka

Schilder František Kupka (°1871 †1957).
Portret van Charles Baudelaire (°1821 †1867).
“The Yellow Scale” in het Museum of Fine Arts, Houston.
Margit Rowell described his painting The Yellow Scale (ca. 1907)
as "Kupka's first attempt to come to terms with color theory
in which the result is both personal and successful". Although
a self-portrait, the subject of the painting was the color yellow.
Bron Wikipedia.
Het is verwarrend. Enerzijds zijn er bronnen die beweren dat
het een zelfportret is van Kupka en anderzijds wordt beweerd
dat het een portret is van Charles Baudelaire.
Op Flickr (pics) lees ik echter: "Who is this lounger? It is no other
than Charles Baudelaire, the French decadent poet, based on one
of Nadar's daguerreotype photographs."
(From a review by B.J. Gilbert).
Ook de volgende tekst bevestigt dat het wel degelijk Baudelaire
is, die wordt afgebeeld:
"Similarly cynical is artist Frantisek Kupka's visual portrait
of Baudelaire, which he entitled The Yellow Scale, 1907.
The Czech painter based his portrait on one of Nadar's daguerreo-
type photographs of Baudelaire.The poet,imagined as a sick man
on an Oriental lounge chair, appears tortured by the spiritual
malaise he himself named ennui, with one hand clasping a yellow
book (the reading of which appears to have just been interrupted)
and the other languorously clutching a cigarette. Baudelaire
literally embodies the yellow tonalities that reveal his sickly
appearance. Kupka captures Baudelaire's deteriorating health
(due to frequent exposure to alcohol, opium and hashish) as
a kind of self-fulfillment of his negative vision of lust and
decay, which became the reality of Baudelaire's own life,
darkened by sickness and despair. Kupka mixes a realistic portrait
of the poet with an abstraction in monochrome yellow, saturating
as it were, as well as his work (the yellow book). As in Corbière's
Yellow Passions, the yellow of light and enlightenment is here
transformed into the yellow of decadence, bitterness and contempt."
Google. "The Culture of Yellow: Or, The Visual Politics of Late
Modernity." Pagina's weergegeven met toestemming van
Bloomsbury Publishing USA.

DE ALBATROS

Vaak vangen de leden der bemanning op de boten
grote albatrossen en verdrijven zo de tijd,
met deze lome lusteloze reisgenoten,
die 't zeilschip volgen dat over zilte diepten glijdt.

Nadat hij op het dek geland is en gevangen,
laat deze vorst van het azuur, beschaamd en plomp
zijn blanke reuzevleugels deerniswekkend hangen,
als werkeloze riemen, slepend langs de romp.

Deze trotse trekvogel werkte zich stom in nesten!
Wat is hij lelijk en lomp die eens zo sierlijk was!
De een gebruikt een bekschroeier om te pesten,
de andere aapt de gebrekkige na met manke pas!

De dichter lijkt op die prins der wolkenvelden,
die elke schutter tart en rijdt op de orkaan;
Verbannen op de grond waar ze kwellen en schelden,
kan hij met reuzevleugels amper gaan of staan.

Albatros

CORRESPONDENTIES

De Natuur is een tempel met bezielde zuilen,
Die soms hun stemmen in verwarring op doen gaan;
De mens doorkruist dit woud waar symbolen schuilen,
Die hem met vertrouwde blikken gadeslaan.

Als langgerekte echo's die zich verweg mengen
In een duistere en diepzinnige harmonie,
Ontzaglijk als de nacht en het zonnezengen,
Vormen geuren kleuren en klanken een symfonie.

Dergelijke kleuren zijn er, fris als kinderhuid,
Milddadig zoals hobo's, groen zoals weiden,
-En andere, bedorven door weelde macht en buit,

Die zelfgenoegzaam oneindigheden verbeiden,
Zoals amber, muskus, mirre en wierookgeuren,
Waaruit de zinnen en de geest vervoering beuren.

DE SCHOONHEID *

Ik ben een mooie droom in steen, o stervelingen!
Mijn borst, waaraan om beurt iedereen zich kneuzen ging,
Is daar om dichters van een liefde te doen zingen,
Die eeuwige materie is en geen stem ontving.

Ik troon in het azuur als sfinx die, misverstaan,
Een hart van sneeuw vermengt met het wit van zwanen;
Ik haat beweging die de lijnen laat vergaan
En nooit mijn lach hoort en nimmer plengt mijn tranen.

Dichters zullen voor mijn machtig imponeren,
Dat aan de fierste beelden lijkt te zijn ontleend,
Met ingetogen studies hun tijd consumeren.

Voor minnaars die niet van gedweeheid zijn gespeend,
Heb ik puur spiegelglas dat alles doet verfraaien:
Mijn ogen, mijn grootse ogen die eeuwig laaien !

DE SCHOONHEID **

Schoon ben ik, stervelingen, gelijk een droom van steen.
Mijn boezem, waar zich om beurt alle schepsels wonden,
houdt alle dichters door een liefde aan mij verbonden
eeuwig gelijk de stof, stom als de stof meteen.

Als onbegrepen Sfinx zetel ik in 't azuur,
ik paar een sneeuwen hart aan zwaneblanke leden,
het lijnverplaatsende gebaar heeft mij gemeden,
ik stoor door lach noch traan de rust waarin ik tuur.

De dichters doen aldoor voor mijn verheven standen,
die ik te ontlenen schijn aan trotste beeldenkunst,
hun harten dag en nacht in harde studie branden.

Want om dat makke volk te binden aan mijn gunst
heb ik twee spiegels die elk ding schoner doen schijnen:
mijn ogen, mijn grote ogen, met hun eeuwge schijnen.

EXOTISCH PARFUM

Als ik mijmerend op een zwoel herfstavonduur,
De geur van je warme borst heb opgenomen,
Dan duikt menig zalig strand op in mijn dromen,
Verblindend onder een eentonig zonnevuur.

Een loom eiland met eigenaardige bomen
En smakelijke vruchten als gaven der natuur;
Waar mannen krachtig zijn maar tenger van postuur
En waar vranke vrouwenogen vreemd overkomen.

Naar lieflijke klimaten geleid door je geuren,
Zie ik een haven met veel gehavende zeilen
En masten, maar waar het goed is te verwijlen.

Terwijl de groene tamarindes parfums plengen,
Die in de lucht zweven om mij op te beuren,
Zich in mijn ziel met zeemansliederen mengen.

Tamarinde met vruchten
Tamarinde met vruchten

DE KAT

Kom, mooie kat, op mijn hart dat smacht;
     Trek de klauwen van je poten in,
En laat mij duiken in je ogenpracht,
     Met metaal en agaat erin.

Wanneer mijn vingers in alle rust
     Je kop en lenige rug bestrelen,
En als mijn hand dronken is van lust,
     Door met jouw elektrisch lijf te spelen,

Meen ik mijn vrouw te zien. Haar ogen,
     Lief dier, zoals die van jou, kerven als een dolk;
Ze zijn diep en koud, zonder mededogen.

     En een onzichtbare wolk
Van prikkelend parfum zweeft van kop tot teen,
     Subtiel om haar bruine lichaam heen.

DE KATTEN

Vurige verliefden en strenge geleerden
beminnen ook in hun rijpere seizoen,
machtige en zachte katten, waarmee zij pronken
en die honkvast zijn en kouwelijk zoals zij.

Vrienden van de wellust en de wetenschap
zoeken zij stilte en huiverende duisternis;
Erebus zou ze nemen als zijn sombere rossen
als ze hun trots lieten varen in horigheid.

Mijmerend nemen zij de nobele houding aan
van grote sfinxen uitgestrekt langs eenzaamheid,
die verzonken lijken in een eindeloze droom;

Hun vruchtbare lenden zijn vol magische vonken
en gouden schilfers, terwijl fijne zandkorrels
vaag flonkeren in hun mystieke oogappels.

Erebus (Gr. myth. Erebos): God van de duisternis (=onderwereld)

© Vertalingen van Lepus

TOT EEN ROS BEDELMEISJE

Emile Deroy
La petite mendiante rousse (ca. 1843)
Olieverf op doek (38 cm x 46 cm)
Musée du Louvre, Parijs

Bleekwit meisje met ros haar,
dat met een jurk vol gaten,
haar armoe laat zien
en schoonheid bovendien.

Ik, die manke verzen schrijf,
puur uit jouw jonge lijf,
dat sproetig is en lijdt,
nog tederheid.

Jij draagt eleganter dan
een vorstin uit een roman,
haar fluwelen laarzen,
je zwaar klompenpaar.

...
Ga dan heen, zonder edelsteen,
parfum of parels, maar alleen
met jouw naakte magerheid,
O mijn schoonheid!

Naar boven

HERFSTSONNET

Jouw ogen vragen mij, in hun kristallen taal:
'Vreemde minnaar, wat zie jij als mijn sterkste punt?'
-Behaag en zwijg! Slechts argeloosheid is mij gegund
door mijn geprikkeld hart - aloud en animaal.

Van zijn hels geheim zingt het nimmer het verhaal,
in liederen die mij graag slapend achterlieten,
noch het zwart relaas dat zich in vuurinkt liet gieten.
Hartstocht haat ik diep en geest is voor mij een kwaal!

Laat ons mild beminnen. Vaak treft de boog fataal,
die Amor in steels duister spant om af te schieten.
Ik ken de wapens uit zijn oeroud arsenaal:

Misdaad, angst en verdwazing! - O allerbleekste margriet!
Ben jij dan, net als ik geen herfstige zonnestraal?
Mijn allerblankste en allerkoelste Marguerite!

DE BLOEDFONTEIN

Soms lijkt het wel alsof mijn bloed in golven vloeit,
Op het ritme van een fontein die tranen sproeit.
Ik hoor duidelijk het lome ruisen uur na uur,
Al zoek ik vergeefs naar de plaats van de kwetsuur.

Doorheen de stad, als een veld dat is afgebakend,
Gaat het zijn gang, de straten tot eilanden makend,
De dorst lessend van ieder schepsel op zijn pad
En heel de natuur verkleurend in zijn rode bad.

Vaak vroeg ik aan de listige wijn uit bezetenheid,
Om de slopende bedreiging een dag te bedaren,
Al spitst wijn het gehoor en doet het de ogen klaren!

In de liefde zocht ik nachten van vergetelheid,
Maar de liefde was voor mij een matras met naalden,
Van sletten die er drinkgelagen mee betaalden.

Philippe Mercier (1689-1760) 
Le Jeune dégustateur 
Musée du Louvre, Paris

DE WIJNZIEL

Op een avond zong de wijnziel in de flessen:
'O mens, onterfde vriend, aan jou heb ik gericht,
Vanuit mijn glazen cel met zegel rood als bessen,
Een lied dat vervuld is met broederschap en licht.

Ik ken de prijs, op heuvels in lichterlaaie,
Aan moeite, zweet en ziedende zonnegloed,
Om naar mijn eigen leven en ziel te graaien;
Ik zal geen ondank tonen of een kwaad gemoed,

Want in de keel van de doodvermoeide werker,
Voel ik wanneer ik neerstroom een mateloze vreugd
En veel meer dan mijn kille ondergrondse kerker,
Doet als een teder graf zijn warme borst mij deugd.

Hoor jij op zondagen geen gezangen klinken
En murmelt mijn verlangend hart niet het refrein?
Met ontblote armen op tafel zul jij drinken
En je zult mijn lof zingen en verzadigd zijn.

De ogen van je vrouw zal ik verrukking geven;
Je zoon zal ik weer zijn kracht schenken en zijn blos
En ik maak van die frele strijder in het leven,
Met mijn balsem de spieren van de worstelaar los.

Als vruchtenambrozijn ga ik in jou verloren,
Door de Oerzaaier gesmeten als kostbaar graan,
Opdat poëzie uit onze liefde wordt geboren,
Die als een zeldzame bloem voor God zal opengaan!'

DE WIJN VAN DE GELIEFDEN

Vandaag is de ruimte buitengewoon!
Zonder bit, zonder sporen, zonder toom;
Laat ons galopperen op de wijn
Waar toverachtige hemels zijn!

Zoals twee engelen die lijden
Aan koorts die niet is te vermijden;
In het blauwe ochtendkristal
Volgen we de spiegeling overal!

Op zachte wieken schommelen wij
Van een gewiekste wervelwind,
Even verrukt en even gezwind;

Zuster, wij drijven zij aan zij,
zonder te rusten of te ontkomen
Naar het paradijs van mijn dromen!


© Vertalingen in het Nederlands van Lepus


Charles Baudelaire (1848)
Portret door Gustave Courbet (1819 - 1877)
Olie op doek 
Musée Fabre, Montpellier

Naar boven

Baudelaire en français

Charles Baudelaire
Le Serpent qui danse
De slang die danst (Nederlands)
Dancing serpent (English)


Dead Poets Society


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002 

© Gaston D'Haese: 15-04-2002.
Laatste wijziging: 10-09-2017.

E-mail: webmaster