Iphone and smartphone optimized content

Nicolaats Beets - Pozie
Nicolaas Beets


VROUW SIJMENSZ.


Vrouw Sijmensz kan niet scheiden van de zee.
Dat groot gezicht doet haar zoo wel en wee.

t Is of de golf, die aan haar voeten breekt
Zij weet niet welke woorden tot haar spreekt.

t Is of het schuim, dat krinkelt over t strand,
Zij weet niet welke lettren schrijft in t zand.

t Is of in t licht, dat over t zeevlak straalt,
zij weet niet welk verschijnsel rijst en daalt.

Haar hart is vol, haar hoofd zoo wonder licht
Straks draaien zwerk en zee haar voor t gezicht.

Een luchtje speelt, en schijnt te zeggen: kom!
Vrouw Sijmensz roert de lippen, maar blijft stom.

Haar arm zinkt naast haar neder, zwaar als lood
En kind en kleinkind vindt vrouw Sijmensz dood.


Uit 'Gedichten'.
Deel 3. Uitg. A.W. Sijthoff, Leiden 1905 (6de druk).



DE MOERBEITOPPEN RUISTEN

"De moerbeitoppen ruisten;"
    God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
    En sprak tot mij;

Sprak tot mij in de stille,
     De stille nacht;
Gedachten die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
    Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
    Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
    En sluimerde in.

De morgen die mij wekte
    Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
    Waart nog nabij.


Uit 'Wierookgranen'


ONVERMOGEN

Op eenmaal soms ontwaakt in mij,
Wanneer ik 't minst verwachte,
Van schoonheid en van pozy
De wordende gedachte.

Een onbepaalde en zoete lust
Sluipt hart en aadren binnen,
Als werd ik in de droom gekust
Door een der Zanggodinnen.

Er ruisen tonen om mij heen,
En schone vormen zweven
In glanzig nevelwaas dooreen,
Die mij het hart doen beven.

De schoonste wenkt mij in 't verschiet
Om tot haar door te dringen;
Ik strek mijn armen uit - zij vliedt,
En al mijn snaren springen.


Uit 'Najaarsbladen'


ZAANS LIEDEKEN

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren?
De meisjes zijn er net gekleed
Zoals voor honderd jaren;
Haar ogen blauw en blank haar vel:
Ik mag de Zaanse meisjes wel.

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren?
Men vindt er molens bij de vleet,
En rijke molenaren;
Maar wie de slanke dochters ziet,
Denkt aan de dikke molens niet.

Het IJ is breed, de Zaan is breed;
Wie wil de Zaan bezoeken,
Tsaar Peter droeg er 't ambachtskleed
en at er pannekoeken;
Maar 't heeft hem levenslang berouwd,
Dat hij geen Zaanse had getrouwd.


Uit de bundel: 'Dichtwerken 2'


Naar boven

Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002  

Gaston D'Haese: 18-09-2002.
Laatste wijziging: 01-09-2017.

E-mail: webmaster