Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)
Vlaamse dichter-essayist-journalist

Uit 'Het berg-meer'

 
 Pag. 123
De blind-geborene Wer nadert de avond want ik bad, o vr-verglanzend licht der kimmen... Maar neen: 'k lig strak gelijk een wad van 't eigen zout te glimmen. Een wadde, van de zee bepletst; van bijtende aedmen overgletst; mijn aanzicht kuil en hille, voor wind en water kruin en kelk. Maar 'k schijn onaangedaan en stille, want ik ben blank en blind als melk. Zij zeggen: melk. En 'k weet ze niet dan binnen harde en ronde wanden, daar ze in mijn holle lippen vliet kil naar mijne ingewanden. Zij zeggen: blank. Er is de zoelt die duurt, en uur aan uur verkoelt. Er is een slaap, en 't is het huizen van vele vragen in en droom. De droom ontwaakt op open sluizen en op een nieuwen vragen-stroom. Zij zeggen: blind. En 'k ben de toren; 'k ben leem, maar die een hemel schraagt en, diep of hard, aan rib of voren gelijken vrede draagt. Mat-bleeke als een Verrijzenisse binnen 't hoog welven van een nisse gebonden; doch beteekenis van wien de vleuglen nimmer wegen, maar zich betoomt, en van verzwegen begoocheling niet bleek en is.
Naar boven
Pag. 124
Zoo lig ik onder hemel-golven gelijk een hemel-gladde zee, in 't eigen woelend wee bedolven met het gelaat der be. Mijn nacht is reeuwsch, gelijk de brakken die woest de breede nekken knakken der beesten van het felste woud. Maar - wellust! - zie mijn lippen blaken bij dage, als rijpe perzik-kaken, want zij zijn bloot van bloed en zout. Ik draag in mij de norsche wolk gezwollen dreigend van onweren; maar 'k zit bedolven in den kolk van diepe, veil'ge kleren. Een meisje vindt mij schoon en koel. Mijn oog is statig als een poel voor kalme, bronzen-eeuw'ge visschen. En - 'k heb alleen mijn bitterheid om met de pluimen van den nijd mijn starre tanden te verfrisschen. - o Gij, wie 'k dit bestaan ontstal, Moeder, die nooit mijn lippen zochten, en Vader, dien 'k niet eeren zal om wat uw handen wrochtten: Gij die mijn onwil ter omgeeft met liefde die van zorge beeft; die mijne liefde hebt verloren op de ure, dat mijn aangezicht in 't glanzen van uw dubbel licht voor 't eigen duister werd geboren;
Naar boven
Pag. 125
verplegers der ontstentenis; o gij, die voedt uw lange vreeze met de armen troost dat mijn gemis een zekre baat moet wezen: gij weet het niet, gij weet het naauw, maar 'k draag het teeken van een Vrouw tweevoudig in mijn borst gedreven; en 'k heb het teeken van mijn drift met hoogre hitte in haar gegrift, tot blijken van mijn machtig leven. En 't Leven schonk mij mild zijn loon, als aan een man die mg beminnen: o moeder, vader, 'k heb een Zoon om mij het licht te winnen. Hij ziet. En 'k ben in hem verblijd. Doch waar zijn nood mij tegen-krijt, heb ik geen handen die hem sussen. En 'k weet niet of mijn vrouw hem mint; maar ik ben woedend waar ze 't kind omaait met hare ziende kussen. Ach armoede, armoede, asch der branden waarvoor geen menschen-koude wijkt!... Heb ik een kind? Ik heb geen handen dien het zijn handjes reikt. Heb ik een vrouw? Eens volde een adem mijn koetse, en die van golv'gen vadem haar borst verhief en dalen deed. Thans wacht een ijlte tusschen beiden, en 'k raad een adem naar de zijde waar ik een kreun'ge wiege weet.
Naar boven
Pag. 126
En zij die mij het leven schonken, ik weet: zij zijn al lange dood. Maar - heb ik ooit haar melk gedronken, gezonken in haar schoot? Heb ooit ik aan zijn harde knien gestaan, waar woord-gegons als bien verhaalde in zijn bewogen baard?... Ach armoede, armoede, asch der vuren die de eigen troostloosheid verguren wien zlf de sprokklen heeft gegard!... - Zoo leer 'k de lol van wijs ontkennen wat nimmer op mijn schouder woog, en 't deugdelijk profijt, te wennen aan wat den nek mij boog. Verheldert ooit begeerend wrokken? Ik zie de hoogte niet der nokken waaraan 'k me licht te pletter stoot. En nimmer moet het beeld van 't lijden verwringend het gelaat ontwijden waar duldend klaart het mom der dood. Hoe zou 'k een koene braauw vernorschen bij stil verweenen van een waan? Geen hoogmoed kan als teeken torsen het schittren van een traan. Wie zal een wakkren vrede werven, die door zijn roode koon laat kerven de dorre scherve van de pijn? Het gladde glas, de gleizen teile: zij bieden mild aan 't daeglijksch ijle het milde brood, den rijpen wijn.
Naar boven
Pag. 127
De dag op zijne vilten voeten; een lach die beeft maar niet en faalt; elke aarzeling: een nieuw ontmoeten dat blijde u-zelf bepaalt; - er woont een vogel in zijn muite opdat hij keel aan kele fluite en schemering me aan scheemring daag'; een graauwe en blind-gebrande vinke waaruit de kern der wereld klinke, o zon, en die geene oogen vraag'. En oogen, rijker dan alle oogen, die nimmer zien ten igen baat maar van hun machtig-zoet vermogen begloren mijn gelaat; en handen die mij nimmer raken, doch warrem breiden aan mijn kaken de schaduw van haar zorg-gevlei; - zij, donkren, die mij, donkre, voeren, maar die ons duister niet beroeren of heel hun geur verroert in mij. Zij zeggen: Hoor de lammren grazen: merk 't zwaaien van een zwaluw-vlerk; een perzik is, voor uw verbazen, steeds wordend Gode-werk. En 'k weet: geen erve wordt mij have; geen dronk die blinke voor hij lave en van zijn luister vergewist: geribde broosheid die bestreelden mijn vingeren vergeefs! - doch weelde dat hare koelt mijn keel verfrischt.
Naar boven
Pag. 128
Zoo word ik rijk aan elk beginnen die nooit de spijt van 't einde ken, en, waar ik veilig mag beminnen, me aan geene liefde wen. Verweesde aan kwellend-bral begeeren, kan 'k mijn verlangen braaf generen met bloode 't kloppen van mijn bloed, en, vroom bij mangel van vermoeden, zal 'k zelfs Uw wenk-braauw niet bevroeden, Gij God, dien ik niet danken moet. - De middag kraait de hanen wakker; het leven zwiert zijn norsch gezag: mijn aangezicht wordt strak en strakker als waar' 't een regen-dag. Misschien zal de avond teeder wezen; en 'k heb geen vraag, en 'k heb geen vreeze, waar 'k immer twijfel of ik lijd. o Zeurig-zoete caritate; zalige onweetbaarheid der mate; benepen-zoete armzieligheid...
Naar boven

DE ZON LIGT IN MIJN LINKER-HAND

De zon ligt in mijn linker-hand, en zijpelt door mijn vinger-brand van laag en logger bloed, in 't welkend westen, op dak en droom, alover vout en veste. De maan rijst uit mijn rechter-hand en zeeft haar weemlend zilver-zand alover wuiv'ge wake en schemer-weven van 't graan, waar de aedmen, blauw, van 't graan in beven. Ik stijg al hoger uit het dal. Ik weet niet of ik keren zal. Weldra zijn over alle horizonnen mijn ongeziene blikken de een'ge zonnen.


Uit cyclus "Het bergmeer" (1928)



Naar boven

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne - Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne - Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne - De modderhaven

Karel Van de Woestijne - Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne - Verzen

Van Nu en Straks - Tijdschrift

Vlaamse dichters - Overleden vr 1948

Nederlandse dichters - Overleden vr 1948



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 
© Gaston D'Haese: 03-11-2005.
Laatste wijziging: 02-10-2017.

E-mail: webmaster