Iphone and smartphone optimized content

Willem Bilderdijk - Pozie
Willem Bilderdijk



 Misbruik.

Ziet men aan de dorenstruiken
’t Geurig roosje niet ontluiken,
Lentes uitgezochte roem ?
Ook de distel, ook de netel,
Heeft haar plaats om Floraas zetel,
Ieder braamsteng draagt haar bloem.

Ach, in alles is genieten;
Slechts het misbruik schept verdrieten.
Waarom grijpt ge woest in ’t rond ?
Laat uw ogen dankbaar weiden
Waar de schoonheên zich verspreiden;
’t Is niet al voor hand of mond.

Ieder zintuig heeft zijn waarde;
Ieder heeft zijn deel op aarde:
Riek het bloempje; smaak de vrucht;
Zie Natuur haar kleed schakeren;
Hoor het boskoor kwinkeleren;
Voel de zoele kus der lucht !

Waan niet, als een God der Goden !
Alles onder uw geboden;
Dienstbaar aan uw grilligheden !
Stervling, stel uw zwelgzucht palen;
Waar Gods weldaân op u dalen,
Wees met wat Hij schenkt tevreden.

Uit de bundel: Rotsgalmen (1823)


 De Vrouw *


Het zij! geen Vrouw kan ooit verwachten, haar Gemaal
Dat geen te zijn, wat hij als Minnaar in de weelde
Dier minnedronkenschap zich zwijmelziek verbeeldde:
De kalmte neemt eens plaats na ’t tuimelend bruiloftsmaal.
Doch meer, oneindig meer, kan ze aan die Egâ wezen,
Wie ’t ware Liefdevuur in al zijn kracht doordrong:
Die in heur teedre zucht een reinheid heeft gelezen,
Als meer dan alles is wat ooit een Dichter zong.
Zij kan met heel haar hart in ’t zijne samenvloeien,
Zo ze eens geheel zijn ziel, zijn zelfheid heeft doorzien,
Hem niet, haar liefde in ruil voor teerheid aan wil biên,
Maar, heilig Hemelvuur haar boezem door voelt gloeien;
Haar hoop, haar heil, haar lust, haar zelfheid hem verknocht;
Hem teedre moeder wordt van eensgeaarde telgen;
Hem lieft gelijk hij is, niet zo hij wezen mocht;
Geen bittre kelk ontziet om met hem door te zwelgen,
Maar ’t lijden-zelf voor hem als Hemelweldaad smaakt;
Onmisbaar voor zijn hart en tot zijn troost steeds open,
In vreugd hem alles is, in ’t leed hem leert te hopen,
En alles buiten hem op ’t wareldrond verzaakt. 
Dit kan een Vrouw hem zijn die recht haar hart doorschouwde,
Haar achting winnen kon, en  onverkoelbaar mint;
Ja! meer dan ’t geen ooit mens van ’t menslijk heil vertrouwde;
En dit is ’t wat mijn hart, ô Dierbaarste, ondervindt.


* No woman can expect te be to her husband all that
he fancied her when he was her lover.
* Geen enkele vrouw kan van haar echtgenoot verwachten,
dat hij haar evenzeer lief heeft, als toen hij haar minnaar was.


 ’t Leven


Breek, o mens, uw sluimer af,
Dank aan ’t graf !
Leer u-zelve recht beschouwen:
’t Leven weet geen stand te houen,
Maar ’t ontsnelt ons in zijn draf.
Haast genaakt u ’t ogenblik
Dat u aller schepslen schrik,
In een blinde hoek verscholen,
Aangestapt op wollen zolen,
Onzacht toeroept: Hier ben ik !

Ach, wat is des werelds lust
Ras geblust !
o Hoe vluchtig is ’t genoegen !
Welk een bron van angstig zwoegen !
Hoe verwoestend voor de rust !
Achten we ieder morgenrood
Als een bode van de dood,
Tegenwoordige als voorheden,
Elk genot voor reeds ontgleden,
Eer het nog de kiem ontsproot !

o Bedrieg’ de Hoop ons niet !
Wat ze ons bied’,
’t Is een schaduwschim van dampen,
Die, wanneer men ze aan wil klampen,
Door de lege vingers schiet,
Ja het leven stort zich uit
Met een stroom, door niets gestuit,
In de Oceaan der tijden,
En voert droefheid en verblijden
Der vergetelheid ten buit.

Wat dan ziet men om naar vreugd !
Wat’s de Jeugd !
Ach, een dauwdrop uit den hogen
Door de zon haast op te drogen !
Wat is Grijsheid? ongeneugd !
Zwakheid, onlust, kommer, pijn,
Onvermogen en gekwijn !
Zo dit kwelligvolle leven
Ons voor eeuwig waar gegeven
Hoe rampzalig ware ons ZIJN !

Uit de bundel: Navonkeling, 1825


 Het Italiaans


U minne ik teer, o taal van lust en weelde,
Die ’t stug Latijn in dartele ontucht teelde;
Die als de kus op malse lippen smelt,
En ’t hart doorstroomt met liefdes algeweld.
Uw woorden zijn uit zacht satijn geweven,
In toontjes die op donzen vlerkjes zweven;
Uw letters, zoet als Zefirs ademzucht;
En heel uw spraak, één lieve lentelucht.
Maar meer nog u, o vaderlandse tonen,
Waar kracht en ziel en hemelgeest in wonen;
Die met de zang van Po en Tiber vliet,
En Godenlust door hart en aders giet,
Maar rijzen kunt, en onder ’t boezemstrelen,
Met Godenwil op ’t menslijk hart bevelen,
Zijn stormen stilt, zijn ijs in vlammen zet,
En donders voert, en bliksemend verplet.


 Het Hollandsch


Waan niet dat ik my vergete,
     Voor de stem van ’t harte doof !
Dat ik my te veel vermete
     Op een handvol letterloof !
Neen, wie ooit mijn’ naam moog noemen,
     Waar mijn zangtoon prijs behaal,
(Niemand moet mijn kunst des roemen)
     Hy behoort aan Hollands taal.
’k Wil hem niet in eer verkorten,
     Die een stouter geest bezit:
Hollands taalschat uit te storten,
     Is mijn glorie; niets dan dit.
Maar verga de vuige bastert,
     Die aan Duitsche wanspraak kleeft,
En den moederboezem lastert,
     Die hem Godennektar geeft !

Vloek! verachting! op ’t gebroedsel,
     Dat, in zwijnendraf vervuild,
Hollands edel akkervoedsel
     Voor den Wendschen aker ruilt;
Hollands korenrijke dalen
     Met verstikkend onkruid strooit;
En, waar roos en lelie pralen,
     ’t Hoofd met paddestoelen tooit !
Dat hy vrij met netelbladen
     Zijn vereelt gehemelt’ streel’ !
Ons mag Ceres oogst verzaden;
     Brandt geen distel in de keel !
Varen op hun mistkarossen
     De Eikeltriptolemen rond !
Ceres drijv’ haar hijgende ossen
     Steeds door Hollands vruchtbren grond !
Of, misleide Landgenooten,
     Walgt u vaderlandsche teelt ?

Ziet u Tempes beemd ontsloten !
     Hoort, hoe Grieksche zangster kweelt !
Snijdt u zoete veldschalmeien
     Uit het Syrakuzer riet !
Of, verzelt de herdrenreien
     Waar Amfyzus stroomnat vliet !
Ziet het geurig Oosten bloeien !
     Hoort, hoe fier de zangtoon bruischt
Waar Jordaan en Gihon vloeien,
     De Idumeesche ceder ruischt !
Brengt ook soms den schellen zwanen
     Waar de Seine roem op draagt,
’t Offer van die zoete tranen,
     Waar het hart zich in behaagt !
Zoek de koets der Zanggodessen
     Waar zy woestaardy ontvloôn;
In des Tybers stroomcypressen !
     By Vaucluses minnetoon !

Geeft, geeft daar uw’ boezem over
     Aan de zoete melody;
En ontrooft een takjen lover
     Aan de Mantuaansche Bij !
Durft gy dan, zoo klieft de baren
     Stapt op de Albionsche kust:
Hoort daar Miltons grover snaren,
     Doch, waar Tassoos geest op rust !
Ziet den roof van Oost en Westen
     Die den Britschen Pindus siert !
Maar (zy mocht uw’ smaak verpesten)
     Schuwt de licht die om hem zwiert !
Doch, voor alles, leent geen ooren,
     Leent geen hart, aan valsch gebrom
Dat uw’ maatzang komt verstoren
     Uit der Dweepzucht heiligdom.
Dompig klinkt het, dof, en knersend,
     Als uit ’s afgronds hollen kuil;

Gorgelschroevend, boezempersend;
     Met een schor en woest gehuil.
Hoed u, Dichter, van die tonen,
     Vol Slavoonsche bastaardy,
Die gevoel en reden honen !
     Afschrik voor de Poëzy !
Laat uw stem bevallig klinken
     In een gladde, vaste maat;
Luchtig rijzen, statig zinken,
     Naar de pols der rede slaat !
Rolle ’t woord langs zijden draden !
     Golv’ de toon als ’t hobblend nat !
Leer dat Midasoor versmaden,
     Dat zich Febus rechter schat !
Denk; gevoel; en vier de toomen
     Aan de drift die in u zwelt;
Maar ken Hollands taal volkomen !
     Kneed, maar doe haar nooit geweld !


 Aan Nisa, met een’ afdruk
van mijne losse dichtstukjens.


Ontfang, begaafde Vrouw, dees afgevallen bloemen,
   In vroeger Jaargetij’ en zachter lucht geteeld.
Gelukkig, zoo er een, uw opslag waard te noemen,
   In ’t midden van den hoop door ’t blinkende onkruid speelt !
Maar neen, ’k bedrieg my niet, mijn afgeleefde dagen
   Verwerven voor mijn’ zang uw heusche inschiklijkheid:
En van een hart als ’t uwe iets meerders weg te dragen,
   Heeft zelfs in ’t vuur der jeugd het mijne nooit gevleid.
Ach, had een beter lot, in d’opgang van zijn leven
   Me een’ enklen straal vergund van ’t geen uw oog bezielt,
Geen stervling had vermocht my ooit op zij’ te streven,
   En ’t aardrijk had met my voor NISAAS naam geknield !


Brunswijk 1800

Willem Bilderdijk
(1756, Amsterdam - 1831, Haarlem)


Naar boven!

Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002  

©  Gaston D’Haese: 13-11-2005.
Laatste wijziging 14-01-2016.

E-mail: webmaster