Paul van Ostaijen - Home

  Paul van Ostaijen
Bibliografie


  Avantgarde en Dada


Biografie van Paul van Ostaijen
Paul van Ostaijen

Biografie

Leopold Andreas van Ostaijen werd op 22 februari 1896 geboren 
in de Lange Leemstraat 53 te Antwerpen, als zoon van een Nederlandse 
vader (uit Noord-Brabant) en een Limburgse moeder. Paul (Leopold) 
was hun zevende en laatste kind. 
Eerst volgde hij les op katholieke scholen, maar hij was geen voorbeeldige 
leerling. Zijn medeleerlingen keken op naar Gezelle en Van de Woestijne, 
terwijl hij dweepte met Else Lasker-Schüler, Rilke, Rimbaud en Verlaine. 
Ondermeer omdat hij verboden lectuur las en verspreidde, werd hij van 
het jezuïtencollege gestuurd.  
Vervolgens ging hij naar het koninklijk atheneum, waar hij zich met geest-
verwante medescholieren aansloot bij de 'Vlaamsche Bond'. Hij voltooide 
echter zijn middelbare schoolopleiding niet en ging aan de slag als bediende 
op het stadhuis van Antwerpen. 
Tijdens Wereldoorlog I publiceerde hij verschillende artikels in 'De Vlaamsche 
Gazet' en 'Het Laatste Nieuws'. Hij was medewerker van  'Carolus', 
'Antwerpsche Courant', 'Ons Land', 'Ons Leven', 'Het Vlaamsch Leven', 'Aula' 
en 'De Goedendag'. In dit laatste maandblad profileerde hij zich als flamingant 
en Groot-Nederlander.
Er was een schril contrast tussen het bruisende uitgaansleven in het statie-
kwartier met zijn café Hulstkamp* en zijn music halls aan de ene kant, 
en de somberheid van 'de bezette stad' aan de andere kant. Paul van Ostaijen 
gedroeg zich in die schizofrene sfeer echter als een flamboyante dandy**, 
die gretig van het nachtleven (en van cocaïne) proefde. 
Zijn eerste journalistieke en vooral door het Duitse expressionisme 
beïnvloede literaire bijdragen verschenen in flamingantische bladen. 
Hij debuteerde in 1916 met de bundel Music-Hall, die in 1918 werd gevolgd 
door "Het Sienjaal".  
In november 1917 was hij betrokken bij een activistische betoging tegen 
kardinaal Mercier, wat hem een geldboete en veroordeling tot gevangenisstraf 
opleverde.  
Vlak voor het einde van de Eerste Wereldoorlog (november 1918), vluchtte hij 
met zijn vriendin Emmeke Clément*** naar Duitsland, om vervolging 
in België te ontlopen.
Na hun aankomst in het Potsdamer Bahnhof in Berlijn betrokken Van Ostaijen 
en Emmeke een goedkope kamer in de Wilhelmstrasse, waar ze een half jaar 
verbleven. Nadat ze ruzie kregen met hun hospita verhuisden ze naar 
de Joachim Friedrichstrasse waar ze twee kamers huurden. Van Ostaijen kon 
ook in Berlijn niet van de cocaïne afblijven. 
Een vriend, de niet onbemiddelde Peter Baeyens, bracht hem vanuit Antwerpen 
meermaals een bezoek en bezorgde hem de begeerde 'merkandijs'.
Berlijn was toenmaals een zeer grimmige  maar artistiek bloeiende stad 
waar hij in armoede leefde. Zijn baantjes als sigarettenventer, oppikker 
(schlepper) voor een nachtlokaal en schoenverkoper zijn waarschijnlijk 
ontsproten aan zijn dichterlijke fantasie. Hij leefde namelijk op de kap van 
Emmeke die werkte als mannequin bij het modehuis Hammer. Daarnaast 
schnabbelde zij als fotomodel want zij was een mooie frivole vrouw.
In Berlijn radicaliseerde Van Ostaijen op politiek en artistiek gebied. 
Hij sympathiseerde met de Spartakisten Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg 
en maakte de bloedige onderdrukking van hun revolutie mee. Zijn humanitaire 
idealen, zoals hij die had geformuleerd in 'Het Sienjaal', leden schipbreuk 
waardoor hij in een crisis geraakte.  
Daarenboven was hij dikwijls ziek, had heimwee en in zijn relatie met Emmeke 
was het ook niet altijd rozengeur en maneschijn. Deze laatste leerde in april 1919 
namelijk een Duitse fysicus kennen waarmee ze in 1923 in het huwelijk trad. 
Van Ostaijen had ook contacten met verschillende Duitse kunstenaars, onder-
meer in 'Café des Westens'* waar hij geregeld kwam. Hier ontmoette hij o.a. 
de dichteres Else Lasker-Schüler*, die geen goede indruk op hem maakte 
en die hij beschreef als ‘een klein, vuil jodin’.

*Tilla Durieux (oostenrijkse actrice) herinnert zich haar ontmoeting met Else 
Lasker-Schüler voor WOI:  "Im Cafe des Westens, dem Sammelplatz der 
talentierten und untalentierten Boheme, konnte man die merkwürdigsten 
Erscheinungen sehen. Männer mit langen Haaren und Mädchen in eigenartiger 
Kleidung saßen hier stundenlang bei einer Schale schwarzen Kaffee. Unter 
ihnen sah man die Auffallendste: Else Lasker-Schüler. Sie war unbestreitbar 
ein großes Talent und illustrierte ihre Geschichten und Gedichte in ungewöhn-
licher Weise. Sie nannte sich selbst Prinz Jussuf von Theben und behauptete, 
in einem früheren Leben dieser Prinz gewesen zu sein… 
Else war klein und schmächtig, von knabenhafter Gestalt mit kurzgeschnittenem 
Haar, was damals sehr auffallend wirkte. 
Else, ewig verliebt, schrieb ihre merkwürdigen Gedichte, in denen sie die jeweils 
Erkorenen zu Göttern erhob und ihnen eine Rose oder einen Stern auf die recht 
ähnlich gezeichneten Köpfe malte."
In Café des Westens maakten de Antwerpse geliefden ook kennis met de twintig jaar oudere dichter en kunstcriticus Theodor Däubler, waar zij enkele keren op visite gingen. Van Ostaijen was ook bevriend met Heinrich Campendonk en Frits Stuckenberg. Vooral met de schilder Stuckenberg, aan wie hij verschillende gedichten opdroeg, kon hij goed opschieten. Deze laatste maakte ook een schilderij waarop Paul en Emmeke zijn afgebeeld. Het erotisch geladen werk bevindt zich in het 'Landes- museum für Kunst und Kulturgeschichte in Oldenburg' (Bildnis P. und E. van Ostaijen). Van Ostaijen was in het door hem verfoeide Berlijn niet de spil van het artistieke gebeuren, wat in Antwerpen wel het geval was geweest. Desalniettemin was het in Berlijn, dat hij zijn dadaïstische**** meesterwerk 'Bezette Stad' schreef. Het is een bundel over Antwerpen in oorlogstijd. De overheersende thematiek is het nihilisme in al zijn vormen. Typografisch was deze bundel nog opvallender dan 'De Feesten van Angst en Pijn'. Van Ostaijen gebruikte niet alleen verschillende lettertypen en kleuren, maar ook bizarre woordassociaties. Hier en daar werkte hij fragmenten van gedichten zelfs uit tot affiches, zodat ze op reclameslogans leken. Hij kwam naar België terug in 1921 na een amnestie en volbracht met tegenzin zijn dienstplicht in het Belgische leger. Na zijn terugkeer keerde van Ostaijen zich geleidelijk af van Dada****. Hij propageerde dan de 'zuivere lyriek': "Poëzie is woordkunst en geen middel om andere doelen te bereiken zoals vrijheid en/of destructie. " Hij beschouwde poëzie als een soort mystieke extase. "Poëzie heeft eigenlijk niets te vertellen, buiten het uitzeggen van het-vervuld-zijn-van-het-onzegbare." Na 1923 schreef hij meestal grotesken (onder meer de postuum uitgegeven korte roman 'De Bende van de Stronk'). In 1924 was hij beheerder in een Antwerps boekenantiquariaat. Hij genoot stilaan erkenning, want er staan heelwat van zijn gedichten in de bloemlezing 'Nieuwe Geluiden', die vanaf 1924 herdruk op herdruk beleefde. Vervolgens (1925) baatte hij in Brussel `A la Vierge poupine' uit, dat in de loop van 1926 werd opgedoekt. In deze galerie organiseerde hij exposities van internationaal bekende schilders en beeldhouwers en gaf hij lezingen over moderne kunst en poëzie. Hij publiceerde daarnaast ook proza, gedichten, essays en scherpe recensies in meerdere bladen. Eind 1925 bleek hij te lijden aan longtuberculose. Hij bleef doorwerken, tot hij in 1927 meermaals rust moest zoeken op het platteland. Vanaf september 1927 verbleef hij in het sanatorium Le Vallon in Miavoye Anthée. Zelfs in deze penibele omstandigheden werkte hij nog mee aan het tijdschrift 'Avontuur', dat hij samen met Gaston Burssens (1896-1965) en Edgar du Perron (1899-1940) had opgericht. Hij overleed geheel onverwacht in het sanatorium in de nacht van 17 op 18 maart 1928.
Tekst van Gaston D'Haese

Zijn evolutie als dichter

Gedurende de korte periode van zijn dichterschap is een snelle evolutie merkbaar. 
Music-Hall (1916) was de poëtische neerslag van zijn escapades in het nachtleven. 
Hij had hier al een uitgesproken'unanimistische* visie'. Zaal, artiesten en publiek 
werden weergegeven als een geheel met één ziel. 
Van Ostaijen demonstreerde dat hij voeling had met wat toen in de Europese 
literatuur modieus was: neo-romantiek, impressionisme, fin-de-siècle en decadentie. 
De bundel had echter hier en daar nog kenmerken van een jeugdwerk en de verzen 
waren niet altijd gaaf.
*Van Ostaijens' unanisme werd beïnvloed door de Franse auteur Jules Romains, 
die behoorde tot de groep Abbaye. 
Het unanisme past een literair-psychische kijk toe op het min of meer zelfstandige 
evolueren van een ‘groep’ personen, welke bezield en samengehouden wordt door 
één zelfde gevoel, gedachte, ideologie, vooroordeel, belang of streven.
In Het Sienjaal (1918), dat waarschijnlijk zijn beste werk is, illustreerde hij zijn politieke 
engagement en hing hij het humanitair expressionisme aan.
Zijn vormvernieuwende bundel 'De Feesten van Angst en Pijn' ontstond in de periode 
tussen 1918 en 1921, maar verscheen pas postuum in 1928. 
Zijn geloof in broederschap en vooruitgang maakte plaats voor ontreddering, cynisme 
en nihilisme.  
Na het dadaïstische Bezette Stad (1921), dat aan de wieg stond van 'de ritmische 
typografie', schreef hij verschillende grotesken* zoals Het Gevang in de Hemel. 
Tensotte volgden de Nagelaten Gedichten, waaruit hij de dichtbundel Eerste Boek 
van Schmoll wilde samenstellen. In deze periode propageerde hij de 'zuivere lyriek' 
of wat hij het 'organisch expressionisme' noemde. 
Van Ostaijen trachtte met deze stijl een ongerijmde wereld te omvatten in ongerijmde 
poëzie. Dit resulteerde in zogenaamde 'autonome gedichten'.  De bedoeling hiervan 
was poëzie te scheppen, die los stond zowel van de dichter als van de uiterlijke 
werkelijkheid. Hij beschouwde de poëzie dan als een zelfstandig spel en als instrument 
om een intuïtieve kennis te bereiken.
Samengevat in een notendop:
-Zijn jeugdwerk (=> Music-Hall; 1916).
-Het humanitair expressionisme (=> Het Sienjaal; 1918);
-Zijn overgangswerk of Dadaperiode (=> Bezette Stad; 1921) 
tussen 1918 en 1921.
-Het organisch expressionisme na 1921.
* Een groteske is een grillig en fantastisch dichtwerk of muziekstuk.

*De Hulstkamp

Ondanks de bezetting was er een bruisend uitgangsleven in Antwerpen, waaraan 
Paul van Ostaijen volop deelnam. Zijn stamkroeg was café Hulstkamp aan 
de Keyserlei. Daar verzamelde zich de Antwerpse kunstenaarsbohème, waarvan 
hij de leider was. De ‘bende van Friedmann’ was een gezelschap waarmee 
Van Ostaijen niet alleen de Hulstkamp maar ook de Antwerpse nachtlokalen 
bezocht. Vooral met Van Tichelen en de diamanthandelaar Mosje Friedmann, 
die zich als een kenner van het expressionisme ontpopte, ging hij geregeld uit.

**Dandy en Dichter

Paul van Ostaijen flaneerde over de Keyserlei en de Groenplaats in zwierige 
jas met fluwelen kraag. Hij werd 'meneer 1830' genoemd wegens zijn buitenissige 
kleding. Maurice Gilliams beschreef hem in 'De man voor het venster' als volgt:  
" 's Avonds op de Keyserlei, ontmoette ik Orpheus in biedermeierkostuum. Hij werd 
aangegaapt om zijn onmodische rode das, om zijn roodfluwelen ondervest en zijn 
vreemde zwarte kleding. Somtijds droeg hij een parelgrijze mac-farlane * 
en wanneer de wind in het kapje speelde, kreeg hij als het ware vleugelen gelijk 
een keizerlijke adelaar. 's Winters zag men hem met een bontmuts en een hoge 
stijve boord. Hij was de dandy, de lord in het machtig grauwe Antwerpen."
* macfarlane: de (m.); -s
naar de 19e-eeuwse uitvinder ervan Mac Farlane
lichte overjas met kap, zonder mouwen, om over een herenrok te dragen

***Emma Clément

Emma Clément
Verkoopster, mannequin, fotomodel en muze.
Emilie Theodora Maria Clément werd geboren te Borgerhout op 10 maart 1893. 'Emmeke' was, toen ze reeds enige maanden zwanger was, op 10 mei 1913 te Borgerhout getrouwd met M.E. Willaert. Ze was verkoopster en mannequin bij het modehuis De Lilas in Antwerpen en leefde sedert 1917 gescheiden van haar man en dochter. Toen ze Van Ostaijen leerde kennen woonde ze samen met haar franstalige vriendin, Lucienne Schwartz. Overdag lieten de twee vrouwen zich soms rondrijden in een open koets, in het gezelschap van Duitse officieren. 's Nachts stortte Emmeke zich in het uitgaansleven, samen met een Duitse officier, maar dat belette haar niet om vanaf 1917 ook een turbulente liefdesrelatie te beginnen met van Ostaijen. Emmeke had door haar compromitterende omgang met de Duitse bezetters nog meer redenen om naar Berlijn te vluchten (begin november 1918), dan van Ostaijen. Via haar Duitse relaties bemachtigde zij paspoorten en een contactadres in Berlijn. Paul en Emma betrokken een kamer in de Wilhelmstrasse 3B, waar ze terechtkwamen in de revolutie, die op 9 november 1918 uitbrak. Wegens allerlei conflicten moest het stel noodgedwongen een ander onderkomen zoeken in juli 1919. Gelukkig vonden ze onderdak bij een Belgische vriendin van Emma Clément. Enkele weken later verhuisden ze naar de Joachim Friedrich- strasse 10 op de derde verdieping. Ook hier ontstonden er conflicten met hun hospita. Emma ging in januari 1919 aan de slag als verkoopster in het modehuis Hammer, omdat ze blut waren. Daarenboven schnabbelde Emmeke als mannequin en fotomodel, want Paul bracht weinig zaad in het bakje en had de cocaïne nog niet afgezworen. Desondanks had hij een zeer creatieve periode, waarin hij vooral werkte aan 'Bezette Stad', dat pas gepubliceerd zou worden in 1921. In april 1921 stond de relatie van de twee Antwerpse bohémiens onder druk, want Emma werd verliefd op Peter Pringsheim, de zwager van Thomas Mann. In juli 1923 keerde Emmeke terug uit Berlijn en trachtte zij de relatie met Van Ostaijen te hervatten. Uit geldgebrek werd deze laatste echter gedwongen bij zijn ouders in te trekken. Emmeke werd op 1 augustus 1923 te Antwerpen uitgeschreven en verhuisde naar de Mertensstraat 61 te Borgerhout. Via zijn relaties vond Van Ostaijen een baan voor haar. Zij kon aan de slag gaan als mannequin bij het modehuis 'Norine' te Brussel, waar ze het maar een maand volhield. Emmeke bleef al die tijd in schriftelijk contact met Pringsheim en bracht hem op de hoogte van haar moeilijke situatie. Eind oktober reageerde hij hierop met een brief, waarin hij haar vroeg naar Berlijn terug te keren en met hem te trouwen. Hierop stuurde zij een telegram met de mededeling ‘Ich komme’. Op 1 november 1923 vergezelde Van Ostaijen Emmeke naar de trein die haar naar Berlijn zou brengen. Eén dag eerder was de moeder van Van Ostaijen overleden. In een tijdspanne van twee dagen verloor hij dus zijn moeder en zijn geliefde. Op 8 december 1923 trad Emmeke met Peter Pringsheim in het huwelijk en tot 1933 bleef zij met hem in Berlijn wonen. Ze verhuisden achtereenvolgens naar Munchen en Brussel. In 1940 trokken ze naar de Verenigde Staten. Ten langen leste vestigden ze zich definitief in Antwerpen, waar ze beiden overleden in de loop van de jaren zestig. Ondanks hun scheiding bleven Emma Clément en Paul van Ostaijen mekaar hartstochtelijke brieven schrijven, waarvan er een achttiental zijn bewaard. Een maand voor zijn vroege dood in 1928 ontving Paul nog een laatste tedere brief van Emmeke in gebrekkig Nederlands:
"Ik denk toch so zeer veel aan jouw, tenmindeste elke morgen en avend. Misschien ben ik niet maal lief met mijn Polte geweest maar ik heb ik daarbij niet echt gewild, ik wou kloek zijn en waar daarbij zoo schriklijk dom. Nogmaals wensch ik je dat beste en kus je wie ik nur jouw kussen kan, ik heb je nog altijd zo lief."


****Avantgarde en Dada

De avantgarde is een verzamelnaam voor een aantal kunstrichtingen 
tussen 1910 en 1940. Zij braken met de oude artistieke conventies 
en wilden de kunst populariseren. Deze beweging had een internationaal 
karakter, want avantgardistische kunstenaars hadden veel contacten 
met elkaar en beïnvloedden op deze manier elkaars werk. 
Toch zijn er binnen de avantgarde verschillende stromingen aan te wijzen 
die aan een bepaald land gebonden waren. 
Het futurisme waaraan o.a. Filippo Marinetti (cfr. Manifesto Futurista -1909) 
in Italië en Vladimir Majakovski in Rusland deelnamen, richtte zich vooral 
op taal, snelheid en techniek.  
Vermeldenswaard is dat Marinetti zich ondermeer baseerde op "Les villes 
tentaculaires", van de Franstalige Vlaming Emile Verhaeren.  
De Fransman André Breton was de belangrijkste vertegenwoordiger 
van het surrealisme. Hij wilde op een heel andere manier met de tradities 
breken, namelijk door het onderbewuste, de droom en het toeval als thema's 
te gebruiken. 
Dada was de meest radicale beweging van de avantgarde. Het was 
een nihilistische kunststroming die ontstond in Zurich en bloeide van 1916 
tot ca. 1923. Ze verzette zich tegen de geldende normen en esthetische 
opvattingen, mede onder invloed van de als zinloos ervaren 'Eerste Wereldoorlog'.
De Roemeen Tristan Tzara was de voornaamste gangmaker, die zijn lezers 
trachtte te provoceren met: "Dada betekent niets !". 
In werkelijkheid had hij het woord dada (=kleutertaal voor paard; ook stokpaardje) 
in een Frans woordenboek gevonden, toen hij naar een naam zocht voor 
een tijdschrift van de beweging. 
De dadaïsten verwierpen dus elk systeem en elke vorm van kunst. Uiteraard 
was dit een paradox, want zij maakten immers zelf ook kunst. Zij waren vooral 
gericht op vrijheid en destructie.

Marcel Duchamp; LHOOQ (1919)  
© Museum of art Philadelphia, PA, USA

Dada in de schilderkunst - Marcel Duchamp

LHCOQ: 'Elle a chaud au cul'


Bibliografie:

Music Hall (poëzie - 1916) 
Het sienjaal (poëzie - 1918)
Expressionisme in Vlaanderen (in het tijdschrift De Stroom - 1918)
De kudde van Claire (groteske - 1919)
Camembert of de gelukkige minnaar (groteske - 1919)
Bezette stad (poëzie - 1921) 
Heinrich Campendonk (proza - 1921) 
Tot overwegen voor hereruiters (proza - 1924) 
De trust der vaderlandsliefde (proza -1925) 
Het bordeel van Ika Loch (proza -1926) 
Vogelvrij (proza -1927) 
Gebruiksaanwijzing der lyriek (proza -1927) 
Gedichten (1928) 
Vier proza's (1928) 
Feesten van angst en pijn (poëzie - 1928)
Verzamelde Gedichten, De Gemeenschap, De Sikkel, Antwerpen, 1928
Intermezzo (proza - 1929) 
Krities proza I (1929) 
Krities proza II (1931) 
De bende van de stronk (proza - 1932) 
Diergaarde voor kinderen van nu (proza -1932) 
Brieven uit Miavoye (proza -1932) 
Self-defence (proza - 1933) 
Gedichtje van St. Niklaas (poëzie -1942) 
In memoriam Paul van Ostaijen (bloemlezing - 1948) 
Verzameld werk. Poëzie I (Music Hall; Het sienjaal; De feesten 
          van angst en pijn - 1952) 
Verzameld werk. Poëzie II (Bezette stad, Nagelaten gedichten - 1952) 
Verzameld werk. Proza I (Gebundeld proza, Verspreid proza, 
          Nagelaten proza, Aanvulling-1954) 
Music-Hall (bloemlezing - 1955) 
Verzameld werk. Proza II (Tijdschriftbijdragen, lezingen, opstellen 
          en boekbesprekingen - 1956). 
De bende van de stronk, Het bordeel van Ika Loch en De kleine 
          domme daad. Bloemlezing (1957).
Music Hall (pocket).  Uitgeverij Ooievaar Amsterdam (1964). 
          De 9e druk verscheen in 1996.
P. van Ostaijen, een documentatie. Uitgeg. door Gerrit Borgers, 
     Amsterdam (1971).
P. van Ostaijen. Verzameld werk. Uitgeg. door Gerrit Borgers, 
     Amsterdam (1978). 
P. Van Ostaijen - De bende van de stronk en andere grotesken. 
          Uitgeverij Beckers Antwerpen (1980). 
Spiegel van uw eenzaamheid - Uitgegeven door het Davidsfonds 
     (Leuven - 1988).  
          Bloemlezing samengesteld door Stefaan Evenepoel
P. van Ostaijen. Bezette Stad (met houtsneden en tekeningen 
          van Oskar Jespers). Rotterdam: Van Hezik-Fonds 1990. 
         (Oorspronkelijke uitgave 1921) 
Witte hoeven achter de zoom (1989 & 1991) - Bloemlezing 
         van Poëziecentrum Gent.
Verzamelde gedichten  (Uitg. Bert Bakker, Amsterdam - 1992)
Verzamelde Gedichten, De Gemeenschap, De Sikkel, Antwerpen, 1928 
          (waarin 'De feesten van angst en pijn') 
          12de druk, 1996, bij Prometheus/Bert Bakker.
Music-Hall uit 1964: terug op de markt gebracht door uitgeverij 
          'Ooievaar' bij de viering van de honderdste geboortedag 
          van Van Ostaijen (1996)
Dichters van Nu - 8. Bloemlezing uit de poëzie van Paul van Ostaijen, 
          door Marc Reynebeau, Poëziecentrum, Gent, 1997.
P. van Ostaijen - Verzamelde gedichten (2005). Amsterdam: 
          Bert Bakker. Oorspronkelijke uitgave 1952.
P. van Ostaijen - De Feesten van Angst en Pijn (fullcolour uitgave).
          Uitgeverij Vantilt, Nijmegen (2006).
Paul van Ostaijen (paperback). Amsterdam: Bert Bakker (2006).
Paul van Ostaijen - De bankroet jazz. Inleiding: Marc Reynebeau. 
          Uitgeverij IJzer. Inclusief DVD. (2009).

Citaten

" Drie boeken uitgegeven: Music-Hall,
Het Sienjaal en Bezette stad.
Misschien is ook dit slechts massahypnose.
Wie kan mij bewijzen dat hij deze boeken
heeft gelezen?  Laat staan: begrepen.
God beware: begrepen.
Ik zelf heb ze niet begrepen."


'Zelfbiografie', uit Music-Hall.



Poëzie is woordkunst.
" Poëzie is niet: gedachte, geest, fraaie zinnen,
is noch doctoraal, noch dada.
Ze is eenvoudig een in het metafysische
geankerd spel met woorden."


Uit zijn essay 'Self-defence'.


Naar boven

Dandy & Dichter (home)

P.v. Ostaijen
73 nagelaten gedichten



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 27-10-2003.
Laatste wijziging: 25-09-2017.

E-mail: webmaster

Statist. Dandy & dichter  

Statist. Poëzieweb - Poetryweb