Rosa Rosarum


Kom naar mijn tuin waar de donkerrode rozen
duistere geheimen vertellen aan de nacht;
Zonnestraalkussen en zuidenwindkozen
en de lange dagdroom van liefde die wacht.

Kom in de zoele zomeravonden en luister
-Wanneer de nachtwind hun dromen verklaart -
naar het verleidelijke bloemengefluister,
en het blarengeruis in dreef en gaard!

Kom waar de lelie - de blanke, de reine-
schuchter haar bloesem toont aan de maan;
Blauwe myosotis - de slanke, de kleine -
in vergeetmijnietjesogen een traan.

Kom als de maanbloem - witte zijde en satijn -
als 'n vorstin verschijnt in haar pracht,
onder de wierook van roos en jasmijn -
Schoonste juweel op de borst van de nacht!

Daar in de vijver, beschenen door Ariana,
Opent de lotus haar heilige kelk,
Dan eerst bereikt zij het hoogste - Nirwana -
Als zij in glorie van zonnegloed verwelkt.

't Vogelvolkje zingt vrolijke gezangen
wanneer de ochtend ontwaakt in mijn tuin;
's Avonds koert de tortel zijn lied van verlangen
in de troosteloze treurwilg zijn kruin.

Kom in de avond en geniet van zijn geuren;
Foelie, jasmijn, anjelier, minjonet;
Kom in de morgen en kies van haar kleuren:
Rood, wit en goud, groen en blauw, violet!

Kom als de schittering van dauwdiamanten,
in mijn Paradijs om er te wonen,
zodat ik mijn bloemen, mijn bomen, mijn planten,
Roos van mijn hart, hun weerga kan tonen!


Andries Gerhardus Visser  (ca. 1878 - 1929)
© Vertaald uit het Afrikaans door Lepus

minjonet: welriekende tuinplant, reseda


      Bloemen


Bloesemtuinen, bloesemduinen.
Zachte dauwgestreelde bomen,
blazen uit bonte bloemenkruinen
zwaarbevruchte geurenstromen.

Groene en gouden struwelen
zijn bezoomd met ochtendvlammen,
die in de blaren komen spelen
en robijnen hangen aan de stammen.

Leven laat zich met glans omringen
terwijl bonte bloemblaadjes vlinderen
op het land. Aan haar handen zingen
en huppelen vrolijke kinderen.

Massa's viooltjes aan de zomen,
gekwetter in een haag van rozen;
Zingende vogels in de bomen,  
tot zangkoor van het jaar verkozen 

Riddersporen, fier geboren,
zonnen hun statige topjes;
Anjelieren, slank van spieren,
neigen met gracieuze kopjes.

Zijpapavers tussen klaver
vurig in windgestreelde rijen,
weven 'n dromenwaas om lome,
zatgedronken gouden bijen.

Maagdelijke anemonen bekoren,
naakt voor d' ogen van 't ochtendgloren.
Madeliefjes, hartendiefjes,
lachen vrolijk met de morgen.

Bloesemweelde op alle bomen
staat in kleur en glans geschreven.
Zwevende rozenaromen
vullen de wandeldreven.


H.H. Joubert  (1874 - 1929)
© Vertaald uit het Afrikaans door Lepus



 Het liedje van de kleine Johannes


Ach rode geranium wel-vertrouwd,
 Ach lieve lobelia blauw,
 Waarom gij mij toch zo droevig beschouwd?
 Voor wie draagt uw gezicht, in ’t morgenlicht
 Die schittertranen van dauw?
 
Och weet je dan nog van de oude tijd
 Toen de tedere nachtegaal zong,
 Toen de elfen dansten op ’t mostapijt.
 En het maanlicht zo stil en de hemel zo wijd
 En de wereld zo vreemd en jong?
 
Ach rode geranium wel-vertrouwd,
 Ach lieve lobelia blauw
 De zon is verdonkerd, de lucht is vergrauwd
 De nachtwind wordt kil en de wereld oud
 En de herfst komt zo gauw, zo gauw.


Frederik van Eeden  (1860 - 1932)
De kleine Johannes deel II (1905)


   Ik weet een tuin


Ik weet een tuin in de zonneschijn
  Waar mooie bloemen en bomen zijn;
 
Ook witte stenen met gouden schrift
  En schone woorden er in gegrift;
 
Waar blanke beelden staan opgericht
  Met klagende ogen in treurgezicht.
 
Veel vlinders fladdren er heen en weer
  Of zitten stil op de bloemen neer.
 
Daar, in een donker, klein kamerkijn
  Sprei mij een bedje van wit satijn.
 
Ga dan in 't woud,- waar de vogel zingt
  Waar 't luchtig-vluchtend konijntje springt,
 
Bij bijtjes zoemen en mugge-dans,
  En wind van bloemen me een wilde krans.
 
Leg zacht die krans op mijn haren neer,
  En ga weer Leven .... en ween niet meer.


Marie Metz-Koning  (1868 - 1926)


      De Planten


Des morgens als de dauw zijn vocht'ge wade
nog om de perken toegevouwen houdt,
staat reeds de hovenier met noeste spade
te werken in de grond, als groef hij goud.

Eerst moet hij ras de matten die haar dekten
terzij doen schuiven langs zijn druivenkas,
blij in de aanblik van de vroeg gewekten:
de rijpe trossen, zwellend achter 't glas.

Nu spit hij hier naast hoge chrysanthemen,
zoetgeurende asters en de zonnebloem,
Voor wie ooit bogen zoveel diademen ?
Maar hij zwoegt voort en taalt niet naar de roem.

Want straks als in zijn tuin de kopers komen
moet alles proper zijn aan pad en plant,
en 't blozend ooft moet gloren aan de bomen
of 't zo geschonken werd uit open hand.


Aart Van Der Leeuw  (1876 – 1931)


         Klein


Klein is de dauwdrup, in de roos gevangen,
Klein is de vlinder met zijn fraaie kleuren;
Klein is 't viooltje en 't spreidt toch zoete geuren;
Niet groot, de roos, doch rood als kinderwangen.

Wie zal zijn lof der ster niet waardig keuren,
Al lijkt zij klein, aan 't blauw gewelf gehangen ?
Weerklinkt het woud van nachtegalenzangen,
Klein is de vogel, doch wie zal 't betreuren ?

Roem' vrij wien 't lust den pracht der zonnebloemen, 
Doch laat mij zacht de fijner schoonheid roemen 
Van leliekelken, frisch van dauw bepereld.

Klein is het lied, dat liefst mijn hart wil zingen,
Doch in mijn klinkdicht ligt een gansche wereld
Van lieve trouwe droeve erinneringen.


© Hélène Swarth  (1859 - 1941)

Uit de dichtbundel 'Sneeuwvlokken',
Uitgeverij P. N. van Kampen, Amsterdam 1888 (pagina 129).


          Tuintje


En elke lente komt mij heimwee kwellen
Naar 't kindertuintje, veilig in zijn muren.
Waar 'k droomde en zong en zag de lucht azuren,
Vol witte wolken, vogels en kapellen.
Waar 'k zonnedronken, luisterde, wel uren,
Naar 't vroom verhaal, dat popelen vertellen,
Naar 't bloesemblank van peren en morellen
Mijn reinheid lievende oogen blind kon turen.

O mocht ik weer de rozen en pioenen,
In avondzon, met vonklend water drenken
En later, duizlend, naar de sterren schouwen!
Zou dat ten leste mij met leed verzoenen?
Zou 'k niet vergeten, maar getroost herdenken
En voor de sterren weer de handen vouwen?


© Hélène Swarth  (1859 - 1941)

Uit de cyclus 'Kinderleven' in 'Morgenrood'.
Wereldbibliotheek 1929.


 Lestmael sag ik in een hof


 Lestmael sag ik in een hof
 Vele lieffelyke planten,
 Opgewassen t' alle kanten,
 Soet van geur, en groen van lof.
 Hier verschenen Violetten,
 Daer Renonkels, rood als vier,
 Animonybloemen hier,
 Ginds Narcissen sonder smetten.
  
 Ieder soort was in een perk,
 Soo nauwkeurig afgesondert.
 Dat ik t' eenemael verwondert
 Bleef aensien dat aerdig werk.
 Maer, wat wil ik dit bemerken?
 Siele, keert uw oog alhier.
 'k Sie daer eenen hovenier
 In een schoonder hofken werken.
  
 'k Sie daer bloemen wonder soet,
 Wonder cierlyk van koleuren,
 Wassen op in overvloet.
 Dese staen vol purper, bloeyend,
 D'andere zyn leliewit,
 Dees als rood korael verhit,
 Die door gulde verfven gloeyend.
  
 Ieder perksken, ieder deel
 Is soo suyver onderhouwen,
 Dat geen oog oyt kond aenschouwen
 Een soo aengenaem prieel.
 Maer, waer gaen myn sinnen sweven?
 Jesu, desen schoonen hof,
 Wie men toeschryft desen lof,
 Is uw lief en heylig leven.
  
 'k Sie daer roode bloemen staen,
 Die de Roosen doen versterven,
 'k Sie er daer, wier witte verfwen
 Self de Lelie doen vergaen.
 Bruydegom van reyne minnen,
 Wit als sneeuw en rood als bloed,
 Rood door liefdens heeten gloet,
 Wit door onbevlekte sinnen.
  
 Wat al bloemen staen 'er niet,
 In den hof van uwe deugden!
 Wat al goddelyke vreugden
 Smaekt men, als men die doorsiet!
 Geen verstand kan doorgrondeeren,
 Wat genuchten men daer vindt.
 't Schynt dat sig de siel ontbind
 Om geheel naer Godt te keeren.
  
 Och, soo lang myn aders slaen,
 Wil ik desen hof doorgaen!

Michiel De Swaen
(°Duinkerke, 20 januari 1654;  †Duinkerke, 3 mei 1707)

Naar boven

Naar vertalingen

Blomme - Afrikaanse gedigte

Meer over Afrikaans


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002  
Gaston D'Haese: 31-08-2004.
Laatste wijziging 14-01-2016.

E-mail: webmaster