Gerbrand Adriaensz. Bredero - PoŽzie
G.A. Bredero

Sonnet

(in de oorspronkelijke spelling)

Vroegh in den dageraet, de schoone gaet ontbinden
Den Gouden blonden tros, Citroenich van coleur,
Gezeten inde Lucht, recht buyten d'achter deur,
Daer groene Wijngaert loof oyt louwen muer beminde.

Dan beven Amoureus de lieffelijckste Winden,
In 'tgheele zijdich hayr, en groeten met een geur
Haer Goddelijck aenschijn, op dat sy dese keur
Behielt, van dagelijcx haer daer te laten vinden.

Gheluckigh is de Kam, verguldt van Elpen been,
Die dese vlechten streelt, dit waerdich synd' alleen;
Gheluckiger het snoer, dat in haer dicke tuyten

Mijn Ziele mee verbint, en om 'thooft gaet besluyten,
Hoe wel ick 'tliever zie wilt golvich na syn jonst,
Het schoone van natuur passeert doch alle const.


Uit het Groot lied-boeck.
Hieronder vind je hetzelfde gedicht
in een meer 'hedendaagse' spelling.



Sonnet


        Het eerste van de schoonheid

Vroeg in de dageraad de schone gaat ontbinden
De gouden blonde tros, citroenig van coleur,
Gezeten in de lucht, juist buiten d' achterdeur,
Waar groene wijngaardloof ooit luwe muur beminde.

Dan beven amoureus de liefelijkste winden
In 't gele zijdig haar en groeten met een geur
Haar goddelijk aanschijn, opdat zij deze keur
Behield van dagelijks haar daar te laten vinden.

Gelukkig is de kam, verguld van elpenbeen,
Die deze vlechten streelt, dit waardig zijnd' alleen,
Gelukkiger het snoer dat in haar dikke tuiten
Mijn ziele mee verbindt en om 't hoofd gaat besluiten,
Hoewel ik 't liever zie wildgolvig na zijn jonst,
Het schone van natuur passeert toch alle konst.


© Hertaling van Lepus
elpenbeen: ivoor
jonst: gunst, lust, goesting (in Vlaanderen)
passeert: overtreft



Liedeken

(in de oorspronkelijke spelling)

Snachts rusten meest die dieren,
Oock menschen goet en quaat
En mijn Lief goedertieren
Is in een stillen staat;
Maer ick moet eensaam swieren
En cruysen hier de straat.

Ick sie het swierich dryven,
Ick sie de claare Maan,
Ick sie dat ic moet blyven
Alleen mistroostich staan.
Ach lief wilt my gheryven
Met troostelijck vermaan.

Ach Lely hoogh verheven,
Verheven in mijn sin,
Mijn hoope van mijn leven,
Ghewenschte schoon Vriendin,
Wilt my, u jonstich, gheven
Een lieve weder min.

Met hoop en vrees bevanghen,
Met een ghestaeghe stryt
Van sorghen en verlanghen,
Verwacht ick nu ter tijdt
Van u, myn troost, t'ontvangen
t' Woort daar men lang om vrijt.

Myn vruchteloos verwachten
Myn commer niet en blust,
Sult ghy my heel verachten,
Och voester van myn lust?
Maer siet, ick onbedachte
Claagh, nu sy seyt en rust..

Och, slaapt ghy myn behagen,
Dewyl ick doe myn clacht?
Wat baat my dan myn claagen
Nu ghy den dooven slacht?
Ick salt gheduldich draagen,
Ick wensch u goeden nacht.

Adieu Prinsesge jeughelijck,
Mijn Vrou van mijn ghemoet,
Adieu en droomt gheneughelijck
En slaapt gerust en soet;
Ach t' is my soo onmeughelijck
Te rusten als ghy doet.


tíLiedeken


(in de oorspronkelijke spelling)

1. 

   De moeyelijcke strijt, en díAmoureuse tranen  
Dieík biggelende stort, al rokende vol damp! 
Kunnensí u teder hart, bewegen noch vermaanen 
Tot de Siel-meestery, van mijn benaude ramp. 

2. 

   Díijdíle hartstochten wuft, en vruchteloose pijnen 
En díonrust inde slaap, en tísuchten van mijn geest? 
Doen my als tíwas voor tívier, vermelten en verdwijnen, 
Ic swijm de geene niet, dieík voormaals ben geweest. 

3. 

   Dies laster ick de Min, om uwe wreede handel: 
Ick wissel van verkies, met eenen dolle sin? 
De wispeltuere keur, ick weder cnaps verwandel 
En schene myn dienstbaar hart, mijn pruytsche 
                                      schoon Goddin. 

4. 

   Ick vollech u Goddin, met ioockende verlangen 
Meestresse die myn Siel, kerckert in u ghewout, 
Ic hoope door myn dienst, u hartgie noch te vangen, 
In gijssel voor het myn, dat ghy ghecluystert hout. 

5. 

   Maar laas de schildery, verschrict al mijn gedachten 
Vervloecte maalcunst die, mijn lust vervormt in smart, 
O spiegel-rijcke Leer? o wonderlijcke crachten? 
Door een ghesicht verkeert, Acteon in een Hardt. 

6. 

   Tílust mijn Diana oock, mijn wesen te verruylen 
Want mijn stuersche Goddin, de blytschap van mijn bant 
síHerschept mijn vreucht in rou, mijn lachen laas in huylen 
Mijn edel hooch vernuft, in bestich onverstant 

7. 

   Wanneer mijn oogjens maar, eens steelwijs 
                                           nechtich guwen 
Na díafgod van myn hart, daar ic dus laach voor kniel 
als myn dwarsche Iofvrou, my helpeloos gaat schuwen 
Dan stijcht de vlamme in, myn leucker-laauwe Siel. 

8. 

   Sout ghy o wreede wel, in mynen doot verheugen 
Ach ghy martelt met lust, dit troosteloose hart? 
Helaes myn trouwe dienst, is nietich van vermeugen 
Want u ijscoude Siel, niet eens ontfonckt en wart. 

Princes.

    Kíwil dat u eygen mont (het vonnis van myn sterven 
Ter vierschaar van u hart) vrypostich stout uytspreeck 
Of laat my door u hant, het hellep-cruyt verwerven 
Van u gewenschte gunst, daar ic u steets om smeeck. 


Uit het Groot lied-boeck van 1622.


Amoureus Liedeken

(in de oorspronkelijke spelling)

O Valschen droch,                   1
Vol droch vol loch,                  2
Vol ongetrou beloven,
O snooden boef
Door wien ic proef
De saussen van de Hoven,
O Hemílen bly, 
Ic clage dy
Mijn ongemeene rouwe,
En vreeckt u van
De slimste Man
En alderslechtste Vrouwe,

Die ghy hier siet;
Gedenckt u niet,
Gedenct u geender wijsen,
Verrader boos
Geveynst en loos,
Hoe ghy my pleecht te prysen,
Met woorden soet,
die myn gemoet
Opt heftichst noch door snijden?
Myn Maechdílijc hert
Creegh met u smert
Beweechlijc medelijden.

En weetghy dan
Nu nergens van?
Van tíhelsen noch vanhet strelen,
Noch hoe dat ghy
Met dievery
De cuskens pleecht te stelen,
Doen u gesicht
So valsch als licht
Myn aenschijn stijf aenschouden,
Doen ghy my hat
So lief gevat,
En myn de vinghers douden.

Doen stroyde ghy
De boevery
In onse soete koutjens,                 3
Ick lietet toe
En namt int goe,
Dat maeckten u so stoutjens,
Dat ghy ontdeet,
ít Is my nu leet,
De haken van mijn Lijfjes,
Mijn Borstjes ront,
Hert en gesont
Verschickte ghy de schijfjes.

Ten was nauílos,
Of ít roode blos,
Quam op myn wangen dringen,
Hoe sot was ic,
Maer in u schick
Waert ghy te sonderlingen!
Ghy waert so groen,
Condíick vermoen
Op de verborgen netten,
Die ghy beleyt,
Vol schallicheydt,                           4
Voor myn onnoolste wetten.

O listerst schalck,
Gelijc een Valck
Een Duyfjen vangt int vliegen,
So quaemdy my
Met loosheyt by,
Myn slechtheyt te bedriegen.
Bedriegen fiel,
Guyt sonder Ziel,
Hoe hebdy aengehouwen!
Maer twou niet zyn,
Doen gaefdy myn
U houwelijcksche trouwen.

Waerom helaes,
Ic sucht ic raas,
En ic en cant niet keeren,
Ghy hebt gerooft
ít Geen dat myn hooft,
By ider een deed eeren,
Myn crans myn Croon,
Wel eer so schoon
En crachtich in het blincken,
Dat selfs de Son
Daer noyt op won,
Maer liet syn stralen sincken.

Dan nu de lust,
Wat is geblust,
U geylheyts onvernoegen,
Die gaet u zin,
Met nieuwe min,
Weer op een ander voegen,
En ghy laet myn,
In smart en pijn,
In duysent swaricheden,
O wreede och,
En heb ic noch,
Niet leets genoech geleden.

Siet vast myn schult,
Ick heb gedult,
Dat ghy een ander minden,
Maer wat ghy doet,
In myn gemoet,
Zuldy geen misdaet vinden,
Doch so ghy gaet,
En díooch eens slaet,
Int binnenst van u sinnen,
Daer zuldy snel,
Sien claer en hel,
De lichtheyt uwer minnen.

En oft geviel,
Dat hier myn ziel,
Van ít lichaem sich wou scheyden,
Ick sou myn doot
Dan maken groot
Door myn gestadicheyden,
Ick sturft so lief
Als ghe eerdief,
Te leven sonder rusten,
Dats sonder trou,
Mett lang berou,
In vleyschelijcke lusten.


1 droch: bedrieger
2 loch (loghen): leugen
3 koutjens: gesprekjes
4 schallicheydt (schalckheyd): doortrapt, geslepen



Ay schoone dochter blont

(in de oorspronkelijke spelling)

   Ay schoone dochter blont, die 't hulsel en paruycken 
Des gouden Dageraats Verwelickt en verdooft. 
Die de Snee-witten Melck en Lelyen doen duycken. 
Voor 't silver-blancke vel van u eerwaardich hooft, 

     O Margeriete schoon: o uytgelese bloeme, 
Stroyt uyt u braef vergult, en langh goutdradich haar 
Dat de Sonne beschaamt, verwondert is, en hoeme 
De roosen end' 't yvoor, soo marmelt door malcaar. 
     
     Ontdeckt mijn lief, ontdect 'tmeesterstuck der naturen 
Dit sonderlinge werck, dit uytnemende raack, 
Dees Appel-horstjens hart, deeslieve nagebueren 
Die 't lustgierighe oogh beloven soet vermaack. 

     Cust my, mijn soete; ha, cust my en cust my weder, 
Ha,ha, ic sterf, ic sterf, de Ziele my ontvlooch 
Na uwen adem soet mijn hart springht op en neder 
Enswoecht noch na de kracht, die my u vier ontsooch. 
    
 Ick swijm, ay my ick swijm, 't leven wil my ontslippen, 
Ach ghy onsuyghet mijn dat lieffelijck gebloemt 
Dat ick te plucken plach van u purpere lippen 
Van 't Couraal rijcke hof, en Roosenvelt voornoemt. 
     
     Paeyet mijn groot verdriet, en wilt gena gebruycken, 
O schoone die mijn Ziel volcomelijck besit, 
Gheeft my de bloemkens weer die soo soetguerich ruycken, 
Geeft my haar oude kracht, haar leven, en haar pit, 

     Mijn oogen sijn verstaart, met schimmer blint geslaghen 
Belamfert soete lief u Goddelijck gesicht, 
O vriendelijcke mont, ick en kan niet verdragen, 
U flonckerige brant, en vonckend' oogen licht. 
     
     Omhelst my waarde lief en laet my troost verwerven 
Bluscht uyt mijn glimmend' vyer, bluscht uyt mijn heete vlam 
Die my op eenen stondt doen leven ende sterven: 
't Waer scha dat onse vreuchd' int midden eynde nam.


Klinck-dicht

(in de oorspronkelijke spelling)

Ghy klaar beharssent Volck! en schrand're Jongelingen, 
     Beswangert met vernuft en met een kloecke geest, 
     Die, met een soeten smaack der Wijsen-boecken leest, 
Waar door ghy licht bekomt de kennisse der dingen. 

Ghy! die u Lesens-lust, kunt saaden, noch bedwingen 
     Door-siet dit Spiegel-boeck noyt meer 
                                         in Duytsch geweest: 
     In 't welck, ick Leeke-broer, zoo slecht als onbevreest, 
Heb, met mijn boersche stem, de Fransche-maat gaan singen. 
  
Ghy Rijmers, die met Rijm, mijn Rijmeryen prijst, 
Ten Rijmt niet, dat ghy my, maar Telle danck bewijst 
     Die 't Rijmeloos, my gaf, om Rijmen af te maaken. 

Dees Rijmpjes soose zijn, die vindy hier gheprent: 
Traach ben ick van begrijp, en arm van geest, ick kent: 
     Doch 't gheen my Vrunt behaaght, dat sal 
                                     mijn Vyant laaken.


Gerbrand Adriaensz. Bredero
(1585 - 1618)


Naar boven

G.A. Bredero
Ooghen vol majesteyt


G.A. Bredero
Klaegh_Liedt
(voordracht Ramsey Nasr)


Liefdesgedichten
van anonieme dichters


Joost van den Vondel
De slaepende Venus


W.G. Focquenbroch
Aan Phillis


Jacob Weyerman
3 gedichten


Vlaamse dichters

Nederlandse dichters

Liefdesgedichten
Smartphone compatibel


Liefdesgedichten
Top 10



Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 07-04-2005.
Laatste wijziging: 20-08-2017.

E-mail: webmaster