Jan Brester
Bloemlezing

De slaap

Lagchen

Vergankelijkheid

Vriendschap

1 Mei, 1831.

Bij den dood van Cornelis Willem Westerbaen

De handschoen

De zomeravond

De zondagochtend

Bij een graf

Ter nagedachtenis van den Wandsbecker Bode

 De slaap
Wanneer de nacht Hem tegenlacht, Die poozing van den arbeid wacht En stilstand van de zorgen, Dan rust het ligchaam, mat gesloofd, Dan rust het suf gezonnen hoofd, Hij slaapt tot aan den morgen. Maar die den tijd, Aan 't werk gewijd, Steeds doel- en nutteloos verslijt, En d' avond ziet genaken, Hij, wien verveling plaagt en pijnt, Hij beeft zoodra de dag verdwijnt, En kan geen ruste smaken. Wanneer de nacht Het leed verzacht Van hem, die deugd en pligt betracht, Maar worstlen moet met rampen, Dan daalt op hem de slaap ter ner, En geeft hem nieuwe krachten wer, Om met het lot te kampen. De booze keer' Naar 't rustbed wer, Dat hem der wroegings spokenheer Des morgens deed ontvlieden; Al heeft hij aanzien, schat en magt, De slaap, waarnaar hij rustloos smacht, Wil hem geen laafnis bieden. Ja, troosteres En rampvoogdes ! Gij geeft eene onontwijkbre les Aan luijaards en aan boozen; Stort ge ook uw giften kwistig uit, Zij worden nooit des tragen buit, Het deel van den godloozen. Geen ledekant, In weidschen trant Gebeeldhouwd door des kunstnaars hand, Of zijden praalgordijnen, Geen luchtig dons of zachte sprei, Geen kamerwacht in prachtlivrei Dwingt u er te verschijnen. Geen stroomatras, Die d'armen pas 't Vermoeide lijf ten leger was, Hebt gij drom ontweken; De krebbe, waar de deugd in rust, Door noeste vlijt in slaap gesust, Kan van uw goedheid spreken. Ja, Slaap! kunt gij (Schoon 't lot ook vrij Balsturig op den stervling zij) Des levens zuur verzoeten; o! Breng mij op uw wieken dan, Waar ik de ramp trotseren kan, Die wegduikt aan mijn voeten. 'k Wil, noest en braaf, Uw diere gaaf, Wie in 't gareel der ondeugd draav', In al haar volheid smaken; Van schooner morgenstond bewust, Zij kalm eenmaal mijn jongste rust En zalig 't laatste ontwaken !
Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1825.


Lagchen
Voorwaar, 't schenkt balsem aan 't gemoed, Wanneer het wigt der smarte Zich lenigt in een' tranenvloed, Die lucht geeft aan het harte; En edel is het dan gewis, Als dit om 's naasten rampen is. Maar, als ons 't lot geen' tijd onthoudt Om van de zorg te poozen, Wanneer men dan met vrienden kout Of mag met melsjes kozen, Dan is 't de lach, die 't hart ontsnoert, En 't wigt der zorgen met zich voert. Of als men, bij een vriendenmaal, De bekers rond mag zwieren, En, in onafgemeten taal, Der scherts den toom kan vieren; Wl hem, die dan zijn' lust voldoet, En lacht, wanneer hij lagchen moet ! Laat preken dan, wie preken wil, En wijsheid uit wil kramen; Ik lach wat om diens dwazen gril, En hunker naar het amen: De wijsheid, die niet lagchen mag, Geef ik voor nen meisjeslach. Ja, wie een maagd het schoonste vind' Bij stil en statig peinzen, Voor mij ik ben geen droefheidsvrind, En wil het niet ontveinzen, Bij mij haalt schoonheid, praal noch pracht, Bij 't meisje, dat ons tegenlacht. En is 't die lach, die ons verrukt, (Ons, wufte menschenzonen!) Die groefjes om de lippen drukt En kuiltjes in de koonen, Die ons, eer men het zelf vermoedt, Den mond tot kussen plooijen doet; Zij is het, zij, die afkeer wekt, Als zou geen scherts betamen, Die 't neusje spijtig opwaarts trekt En 't lachje zich durft schamen, Of, als de boert haar daartoe dwingt, Den mond nog naar de mode wringt. Neen, lagchen past zoo wel in vreugd, Als weenen in de smarte, En vrolijk zijn voegt aan de deugd, Aan 't weltevreden harte; Hij, die 't zich schaamt, hoe streng hij schijn', Moet boos of ongelukkig zijn. Neen, vrienden! Zijn wij geen van twee, Kan ons de vreugd bekoren, O! lacht dan, lacht men, vrolijk me; De kniezer mag het hooren; Zoo hij bij ons nog ernstig ziet, Dan weent hij met den droeven niet.
Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1825.

Vergankelijkheid
Wat preekt gij van verganklijkheid ? Gij, dwaas! die immer mort; Die bij het bloeijend bloempje schreit, Omdat het dra verdort; Die steeds de toekomst tegenzucht, En 's zomers reeds den winter ducht. Wanneer de zon, met stille pracht, De westerkimmen kleurt, Dan dwaas hij, die den naren nacht, Die volgen kan, betreurt; Dan wijs hij, die het schoone ziet, En dankbaar d'avondstond geniet. Wanneer de beker voor ons staat, De wijn ons tegenstraalt, Dan dwaas hij, die dien nektar haat, Wijl die zoo ras verschaalt; De wijze haat wel 't volle glas, Doch neemt het op, en.... legt het ras. Als, op een lieve maagdekoon, De pronk der jeugd nog prijkt, Zucht' dan de dwaas om 't vlugtig schoon, Dat met de jongheid wijkt; De wijze haast zich, vrijt en trouwt, En denkt: ook ik word spoedig oud. Dus, vrienden! daarom niet gemord, Al gaat de tijd ook snel. 't Genot is wust, het leven kort: Besteedt dus beide wl. Neemt aan, wat u het heden biedt, En vreest den roof van morgen niet. Verga dan, wat er blinkt en bloeit, Wat om u prijkt en staat; Doch, wilt ge een heil, dat niet vervloeit, Een' schat, die nooit vergaat, Dien u geen mot of roest ontneemt, En dien geen roover u ontvreemdt: Dan rein van zin en vroom van ziel, En met uw lot tevren. Wis bloeit, wat ook verdorde en viel, 't Geluk dan om u heen; En, zij 't ook vlugtig, wat het biedt, Wl hem, die 't goede wijs geniet !
Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1827.

Vriendschap
Zingt gij van vriendschap, dwazen ! In 't woest rumoer der vreugd, Nu ge u aan volle glazen Bij disch en dans verheugt ? Ziet ge al, die u omringen, Voor uwe vrienden aan ? - Och! ga maar voort met zingen, Gelukkig in uw' waan. Maar einden zang en spelen, En zwijgt het feestgedruisch, Dan nemen er zoo velen De vriendschap me naar huis. Wie vroeger haar betrouwde, Miskent thans Rome niet, Dat haar geen tempel bouwde, Noch wierook branden liet. Maar zoekt gij haar, mijn vrinden ! Doe 't niet bij disch en dans: Gij zult geen heilstar vinden Bij toorts- en fakkelglans. Gij kunt haar hooren spreken, Aan hulp en troost zoo rijk, Waar stille tranen leken, Maar niet bij feestmuzijk. In 't huis van hen, die treuren Om scheiding of gemis, Dr komt ze om op te beuren; Dr toont ze, wie zij is. Waar nijd en laster deren, Met onverdienden smaad, Dr durft zij hen trotseren, En tart en hoon en haat. En aan het bed des kranken, Dat ze onbevreesd genaakt, Slaakt zij geene ijdle klanken, Maar helpt en heelt en waakt. Is 't doodsuur ook geslagen, Dan weent zij nog aan 't graf, En troost er vriend en magen, En droogt hun tranen af. Maar, schaars is zij te vinden Bij weelde en overvloed: Men kent eerst regt zijn vrinden In eigen tegenspoed. Gij zoudt den troost benijden, Dien zij den droeven biedt; Maar kent gij leed noch lijden, Gij kent de vriendschap niet. Of haar dan bij den heiden Altaar noch drievoet stond, De Christen ziet ze beiden Aan 's veegen vrienden spond'. Het offer: hulp verleenen, Streelt haar altijd, alom: Elk huis, waarin er weenen, Is haar een heiligdom.

October 1828.
Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1829.


1 Mei, 1831.
's Ist Krieg! 's ist Krieg! o Gottes Engel, wehre Und rede Du darein ! Claudius. Komt gij zoo vrolijk en zoo vlug, O schoone Lente! toch terug, En rekt gij ons de droeve dagen ? De morgen komt ons reeds te vroeg; No ziet men d'avondstond vertragen: Een dag vol zorg is lang genoeg. Toen de ooijevaar, na verren togt, Ons vischrijk Nerland wer bezocht, Alsof er vreugde of vre hem noodde, Toen werd ik met zijn keus begaan; Geroerd zag ik den trouwen bode, Den voorbo van de vroeling, aan. Och, riep ik, trouwe vogel, keer, Keer naar Egyptes stranden wer, Naar Arabier en Ottomanen ! Zoekt gij hier heil? Vergeefs uw hoop; Hier brullen woeste staatsorkanen, En 't wordt geen zomer voor Euroop. Zoo sprak ik, maar geen eiber week; Hij vond het oude nest, en streek Gerust op dak en boomtop neder, Alsof hij ons beloven dorst: Weldra toch komt de lente weder, Al wintert het in 's menschen borst. En zie, daar leven klont en kluit, Daar breekt het winterkoren uit, En 't eerste groen versiert de velden; Ofschoon de zaaijer, wijd van hier, De rangen vult van Hollands helden, En 't kouter nerlei voor 't rapier. En hoor, daar lokt in 't bloemprieel Ons 't minnelied van filomeel, En doet het zang'rig woud verstommen; Maar wij, voor liefde en lente koel, Verdooven 't met geraas van trommen, Met dof en davrend krijgsgejoel. En ginder kneust het breede rad Van 't log geschut de velden plat, - De landman mag zijn hoop beweenen, - Terwijl de meibloem uit het groen Zich strengelt om den vuurmond henen Op batterij en bastioen. O! Wien, in vreugde of in verdriet, Wien treft dat vreemd gemengel niet Van heil en onheil, plaag en zegen ? Wie vraagt niet soms zichzelven af: De Hemel gaf ons warmte en regen, - Wat was het, dat ons d'oorlog gaf ? De vraag is diep, en 't antwoord zwaar. Gij, Pool en Belg, beantwoordt haar, Maar legt de hand u op het harte ! Zoo dat van wrok en wrake zwelt, Dan is 't de poel, waaruit die smarte, Waaruit die zee van jamm'ren welt. Zie op! 't Is zegen overal; Het groent op bolwerk, schans en wal, Als in de stille klaverweide. De boomgaard lacht als ons u aan: Die bloeit voor booze en brave beide; Voor beiden rijpt dat voedend graan. o! Wat ge wenscht en wat ge wilt, Dien kostb'ren schat toch niet verspild ! Ras zal het veld naar sikkels vragen: Legt daarvoor leus en lemmer af; Wij zullen niet uit wraakzucht dragen, Wat noodweer ons in handen gaf. U, goedig voorjaar, dank en prijs ! Och, maak den dwazen mensch zoo wijs, Als vruchtbaar beemden en landouwen; Opdat, eer de eiber ons begeeft, Hij 't volk gelukkig mag aanschouwen, Welks welvaart met den vre herleeft !
Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1831.

Bij den dood van Cornelis Willem Westerbaen, aan mijnen broeder, student in de godgeleerdheid.
Mijn broeder, ja, ik stort een' traan Met u, op 't graf van westerbaen, Den vriend en vader van ons beiden. Ik voel op nieuw, bij zijn gemis, Dat, kan slechts kort de dood ons scheiden, Toch steeds het afscheid bitter is. Wat wonder dat zijn kudde treurt, Nu haar een herder is ontscheurd, Zoo innig aan haar heil verbonden ! Wat wonder dat zijn weduw weent, Die wat zij zaligs had gevonden Zag in den dierbren g vereend ! Kom, gunnen we ons de droeve vreugd, Te spreken van zijn stille deugd; 't Is of wij hem dan minder derven. Wat rijker troost in onze smart, Dan dat de braven nimmer sterven, Maar immer leven in ons hart ? Nog zie ik onzen vromen vrind, In gulle eenvoudigheid een kind, Maar grijs in wetenschap en wijsheid; Nog zie ik hem, den lust der jeugd, Des lijders hulp, den steun der grijsheid, En alle zijner vrienden vreugd. O! wien hij wees op 't regte spoor, Hij bleef niet achter, maar ging voor, En kende 't bogtig pad des levens. Dan trest de raad het doel gewis, Wanneer de leeraar leidsman tevens En 't woord zoo als de wandel is. o! Als hij nedrig d'ootmoed prees, En weldoende op de liefde wees, Als de allerzoetste pligtbetrachting; Wen hij, getroost bij eigen pijn, Den lijder moed gaf voor verzachting, Wie kon er meer welsprekend zijn ? Daarom behoefde hij gewis Ook nooit dat Farizeeuwsch vernis, Waarme zoo velen volgers winnen, Noch trok hij, immer onvoldaan, De Godsdienst, die hij ons deed minnen, Het hairen kleed der strengheid aan. Neen, vrolijk zijn bij 's levens lust, Dat mogt de brave man gerust, Die nimmer haat of tweedragt kweekte, Die, veler vader, aller vrind, Ons toonen kon, hetgeen hij preekte, Wat loon reeds hier de braafheid vindt. Och! waren alle leeraars zoo, Men volgde niet de deugd zoo no, Als stroeve leer uit aardsche scholen. Er zouden, in den waan van vrij, Voorzeker minder schapen dolen, Was ieder herder zoo als hij. Mijn broeder, volg hem - volg hem na ! U wacht het heilige ambt weldra, Dat eens de zaalge mogt bekleeden. Moet gij hetzelfde pad begaan, Dat hier de dierbre mogt betreden, Volg ook het spoor van westerbaen ! Dan brengt gij in verdraagzaamheid De schapen, die gij hoedt en leidt, Met elken dag een schrede verder; Opdat - het duur' dan lang of kort - Opdat het onder nen herder Ook eenmaal ne kudde word' !
Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J. W. IJntema., Amsterdam 1832.

De handschoen
Dr, voor zijn diergaard ner, Zat Koning Frans In schoonen hofstoetglans, Van Edelvrouw en Baanderheer Op 't hoog balkon omgeven. Nu wenkt de Vorst; Daar wordt een valdeur opgeheven: Met hoogen kop en breede borst, Waarlangs gekrulde manen zweven, Komt fier een forsche leeuw te voor: Bedachtzaam loopt hij 't strijdperk door, Met groote schreden; Hij schudt de manen, rekt de leden, En legt zich ner. De Vorst wenkt wer; Snel gaat een tweede valdeur op: Met radden sprong en in galop Verschijnt een tijger, bont gestreept, En geeft, bij d' aanblik van den leeuw, Een luid geschreeuw, En slaat en zweept Den bontgeringden staart, En krult daarmede een' kring in de aard'; Hij rekt de tong en spalkt den muil, Loopt schuw den leeuw rond: grimmig grommend Legt hij zich, brommend, Naast hem ter ner. De Vorst wenkt wer; Daar braakt op eens een dubb'le kooi Twee luipaards uit; Zij springen op den tijger ner, Die ze, als zijn prooi, In de ijz'ren klaauwen ijlings sluit. Maar alles ijst: De woudvorst rijst, En brult, dat de aarde trilt in 't rond. 't Wordt stil nu; maar Het moordziek paar, Al kleurt het bloed hun bontgevlekte vachten, Schijnt hong'rig op een' tweeden kamp te wachten. En van der galerijen rand Valt daar een handschoen van een schoone hand Op 't smalle plekje, dat en leeuw en tijger scheidde, Juist tusschen beide. En lagchend ziet de Jonkvrouw Kunegond Den kring van hare aanbidders rond, En spottend zegt zij nu tot een': Heer Ridder! gij zwoert het, gij mint mij, naar 'k meen; Welnu, raap dien handschoen mij op van den grond. De Ridder laat, Na kort beraad, Zich op het bloedig kampveld ner, En tusschen leeuw en tijger gaat De held, en neemt den handschoen wer. Versteld om zulk een stout bestaan, Zien Jufferschap en Ridders 't aan. Bedaard brengt hij den handschoen wer, En ieders mond klinkt hem ter eer. Maar Kunegonde's glonde koon, Haar teed're blik beloven rijker loon. Doch hij, die voor de Jonkvrouw staat, Werpt haar den handschoen in 't gelaat, En zegt: 'k Begeer uw' dank niet, neen ! En buigt, en gaat met fierheid heen.
Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1833.

Naar het 'Allemannisch' van Johann Peter Hebel I. De zomeravond
O~ weg doch~wse fsch d' Sunn so med. Kijk toch die goede Zon eens aan, Nu zij vermoeid naar huis zal gaan: Zij ziet zoo mat en zweet en hijgt; Kijk, hoe ze een' bonten zakdoek krijgt, Een wolkje, blaauw met rood doormengd, Dat ze aan heur gloeijend voorhoofd brengt. Zij heeft ook 's zomers rust noch tijd; De dag duurt lang, de reis gaat wijd, En arbeid vindt zij overal, Op veld en berg, in huis en dal; En wat haar ziet, en wat ze ontmoet, 't Vraagt alles haar om licht en gloed. Hoe menig bloem, die welig tiert, Heeft zij met bonte verf versierd; Al dronk het bijtje keer op keer, Nog vroeg de bloem: wilt gij niet meer ? Zoodat den kever, ongenood, Een lekker dropjen overschoot. Zij maakte menig' zaadknop vol, Die door heur' invloed rijpte en zwol. De vogel heeft zijn' krop gevuld, En heel den dag daarvan gesmuld; En geen, die zich tot slapen zet, Moet met een lege maag naar bed. En waar een kers hangt, klein of groot, De Zon kleurt haar de wangen rood; En waar een halm staat op het veld, Of waar de volle wijndruif zwelt, Zij gaf ze kracht en groei meteen, Of hing er 't groene loof om heen.
Neng Blmli het sie usstaffiert ~ und mit scharmante Farbe ziert ~ und mengem Immli z'trinsie ge ~ und gseit: Hesch gnug unv witt no meh ? und 's Chferii het hinteno doch au si Trpfli bercho.
Op 't bleekveld was ze heel den dag, En bleekte 't linnen, dat er lag; De baas zingt wel een vrolijk lied, Maar dankt haar voor heur moeite niet, En toch nog droogt ze, op tak en touw, Het waschgoed van de bleekersvrouw. Ze is hier en waarlijk overal, Zoo ver de zeis, in dreef en dal, Door halmen sneed en scheutje en steel; Zij maakte 't alles droog en geel. Het is toch wonderbaar en mooi: Des morgens gras en 's avonds hooi. Zie, daarom sluit ze, mat en mo, Wel zonder liedje de oogen toe. Geen wonder, dat ze taalt naar bed, En ze op dien berg zich nederzet. Zie, hoe ze voor het laatste lacht; Daar zegt ze ons allen goeden nacht ! Nu gaat ze; kijk, daar is ze heen ! Haar ziet de torenhaan alleen; Die heeft nog niet genoeg, en slaat Het vrouwtje g in 't nachtgewaad. Foei, rekel, bloos bij dat gezigt !... Geen nood, het rood gordijn schuift digt. Dat goede wijf! Zij heeft in huis - Het spijt me - als elk van ons heur kruis. Wis leeft ze met heur' man niet goed; Komt ze in de deur, hij neemt zijn' hoed. 'k Wed, dat hij nu wel komen zal...... Zie, bij die dennen staat hij al ! Hij draalt zoo lang; waar blijft hij wel ? 't Is als mistrouwde hij het spel. Mijnheer de Maan, kom, wees niet bang; Uw vrouwtje slaapt gewis reeds lang. Nu staat hij op, en kijkt in 't dal; De kikvorsch groet hem overal. Mij dunkt, wij moeten van het veld. Hij, wien 't geweten knaagt noch knelt, Gaan de oogen zonder lied wel digt: Zwaar werken maakt het slapen ligt. Ons hooi staat klaar, en 't wijfje wacht; Dus, vrienden, allen goeden nacht !
II. De zondagochtend Der Samstig het zum Sunntig gseit.
Kom, Zondag, zegt de Zaturdag; Nu al wat mo is rusten mag, En ik naar bed bragt iedereen, Die rust behoeft en slaap meteen, Schijnt het mij even zoo te gaan: Ik kan al op geen been meer staan. Ei hoor, de klok slaat middernacht, En Zaturdag verlaat de wacht; De Zondag zegt: thans ben ik baas ! Hij sluit zijn deur, maakt geen geraas, En wrijft den slaap zich uit het oog, En ziet de sterren na, omhoog. Hij geeuwt tot dat de scheemring naakt, En 't tijd wordt, dat de Zon ontwaakt. Hij zoekt heur huis en venster op, En wekt haar met een zacht geklop: Kom, lieve Zon, de tijd is daar ! Ja, zegt zij, ik ben aanstonds klaar. En zachtkens op de teenen gaat, En vrolijk op de bergen staat De Zondag daar. Hem onbewust, Ligt alles nog in diepe rust. Hij sluipt in 't dorp, dat geen het ziet, En wenkt den haan: verklik mij niet ! Doch als men eind'lijk ook ontwaakt, En 't zoet der nachtrust heeft gesmaakt, Zoo staat hij daar in zonnegloor, Kijkt hier en daar de vensters door, Met blikken, vriendelijk en goed, En bonte bloemen op den hoed. Hij meent het goed, maak daarop staat; 't Verheugt hem, als men lang en laat Nog ligt, en meent het is nog nacht, Schoon ons de Zon beschaamt en lacht; Daarom kwam hij zoo zachtkens aan, En ziet gij hem zoo vriend'lijk staan. Hoe glimt en glinstert weide en hof In morgendauw van zilverstof ! Hoe lieflijk waait de lentelucht, Met bloem- en bloesemgeur bevrucht ! Zie, 't bijtje is bezig: 't weet gewis Niet, dat het heden zondag is. Hoe heerlijk schoon, hoe sierlijk staat De kerseboom in meigewaad, De bonte tulp in uchtendblos, 't Viooltje in half verscholen dos, De zonnebloem in blinkend goud: 't Is of men 't Paradijs aanschouwt ! En 't is daarbij zoo plegtig stil, Of niets den Zondag hind'ren wil. Geen kar, die thans de stilte stoort; Geen voermans zweepslag, dien men hoort: Het: goeden morgen! heerlijk wer ! Verneemt men enkel, en niets meer. Het vogeltje zingt luid en blij: Wees, lieve Zon, wees welkom gij ! Gij schittert wel aan hooger spheer, Maar schijnt ook in ons nestje ner. Zie, 't distelvinkje is al gereed, Als in zijn zondagspak gekleed ! Is 't al z laat? De kerkklok luidt; De Leeraar treedt zijn woning uit. Pluk me een der bloemen, die daar staan, Maar laat vooral het stof er aan; Dan, kindlief, kleed u kort en goed, Maar toch met bloemen op den hoed.
III. Bij een graf
Schlof wohl~schlof mohl im chele Bett ! Slaap wel, slaap wel in 't koele bed ! Al ligt gij hard op klont en kluit, Het deert uw moede lenden niet: Slaap zacht en wl ! Het dekbed ligt u digt en dik En boven 't hart hoog opgeschud; Toch slaapt gij door; het drukt u niet: Slaap zacht en wl ! Gij slaapt en hoort mijn roepen niet, Mijn klagten en mijn zuchten niet. Waar' 't beter zoo gij 't hooren kost ? Neen, waarlijk niet ! Gij ligt daar wl en hebt het goed: Had ik een plaatsjen aan uw zij', Ik lag in vrede naast u ner, En had het wl. Steeds slaapt gij door, schoon heel den nacht De kerkklok niet van zwijgen weet, Ofschoon des nachtwachts schel geroep Het dorp doorklinkt. En als het bliksemt door de lucht, En wolk bij wolk van donder kraakt, - Hoog drijft de bui u over 't hoofd, En wekt u niet. En wat u van den ochtend vroeg Tot 's avonds laat bekommerd heeft, Het kwelt u en bezwaart u niet In 't stille graf. Gij ligt daar wl, en hebt het goed; En wat gij ook hadt door te staan, Doet thans, Goddank! in 't koele zand U niet meer zeer. Indien ik daarom naast u lag, Dan hadden wij het beide wl; Thans zit ik hier, en heb geen' troost In 't grievend leed. Doch mooglijk ras, zoo God het wil, Komt de avond van mijn' zaturdag, En dan - dan geeft de koster mij Een bed als u. Als ik dan lig en niet meer zucht, En 't goeden nacht! gezongen is, Dan schudt men mij het dekbed op, En bidt daarbij. Dan rust ook ik zoo zacht als gij, Dan hoor ook ik de kerkklok niet; Wij slapen tot het uchtendrood Van zondag vroeg. En als de zondag eind'lijk daagt, En Eng'len zingen 't morgenlied, Dan staan wij met elkander op, Verkwikt en wl. Een schoone kerk staat, nieuws gebouwd, Te blinken in den morgenglans. Wij staan en zingen aan 't altaar: Hallelu-jah !
Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1835.

Ter nagedachtenis van den Wandsbecker Bode
In 't schamele kleed ging de Bode door 't land, Een afgeschild stokje voor staf in de hand; Opmerkzaam op elk ging hij op nu en af Den weg, die ons voert van de wieg naar het graf; Nooit ging hij de deuren der vromen voorbij, En anderen bad hij te worden als zij; En zag men zijn gul en regtschapen gelaat, Dan duidde niet n hem zijn lessen ten kwaad'; Maar weinigen kenden zijn' staf van nabij, Dat daarin een schat stak van groote waardij, Een wondere kracht, die de graven omtoog Met glansrijke stralen van 't licht van omhoog. Nu slaapt hij, hij zelf reeds, met zoden bedekt, Tot dat uit den Hemel een stemme hem wekt. Misgunt hem dien rustigen slaap niet, maar maait De vrucht van hetgeen hij voor ons heeft gezaaid; Hij zaaide het woord en zijn leven was vrucht, - Dat voerde ons zoo vrolijk tot wijsheid en tucht. Brengt kalm, naar het voorbeeld, dat de edele ons gaf, Geen tranen, maar bloemen, op 't eenzame graf, En deelt van uw' troost aan zijn treurende vrouw, Zoo teeder in liefde, zoo hecht in heur trouw, Die, nu haar de dood van den dierbare scheidt, In tranen de groote hereeniging beidt.


Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1835.

Jan Albertsz Brester werd geboren in Amsterdam
op 7 Mei 1805. Hij was er makelaar in koffie
en thee. Hij overleed er op 4 november 1862.


Naar boven!

Jan Brester
Gedicht "Gebroken schaats"


Jan Brester
Gedicht "Leven"


Jan Brester
Gedicht "Mijn portret"


Jan Brester
Abigal


Jan Brester
Smartphone compatibel


Jan Brester
Biografie


W.F. Hermans (interview) -
met reactie van Hedda Brester


Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage

Pageviews sinds 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 06-03-2010.
Laatste wijziging: 19-08-2017.

E-mail: webmaster