Iphone and smartphone optimized content

Jan Brester - Leven
Jan Brester

1805 - 1862

LEVEN

Wij reppen onze schreden, 
En scherpen ons gezigt, 
En zoeken hier beneden 
Wat verre vr ons ligt; - 
Verzuimen en verzaken,
Wat ons omringt, wel niet,
Maar hijgen toch en haken    
Naar vrolijker verschiet.    
Lacht ons een heuvel tegen, 
Met welig groen beplant, -  
Wij vinden steile wegen, 
En distels in het zand;  
En lokt het dal beneden           
Ook door zijn digt gewas,-  
Dr smoren onze treden    
In loos bedekt moeras;   
En als met minzaam vleijen  
Der bergen top ons trekt, -                  
Wij vinden woestenijen
Met digte sneeuw bedekt.
Een dwaalspoor vr de schreden,
En de eindpaal ongewis, -
Zoo zoeken wij beneden
Wat niet beneden is.
Tot we eindlijk, duizendwerven,
Bedrogen en misleid,
Vermoeid zijn van het zwerven
Om niets dan ijdelheid.
Dan slaan wij 't oog naar boven,
En zien der heemlen pracht,
Vertrouwen en gelooven, 
Dat dr het heil ons wacht.
Dan bidden we om genade,
Ons zelven niet genoeg. -
De dwaze doet dit spade;
De wijze doet het vroeg.

MIJN PORTRET

Zoo zal het dan mijn beeldtnis wezen,
Die aan het hoofd des bundels staat; 
En 't eerste zal men moeten lezen
Het levend schrift op mijn gelaat. 

Zoo zal men nu mijn beeld ontwaren 
Op nen rang, op ne rij
Met hen, die sedert dertig jaren 
De roem zijn onzer pozij :

Ziet, nu het is te ver gekomen, 
Berouwt mij mijn gereven woord, 
Dat ik een plaats heb ingenomen 
Die - aan een ander toebehoort. 

Och, wie 't misduiden, dat zij wisten 
Hoe onverdiend ik de eere schat!  
En niemand zou, mij die betwisten, 
Nu ik die liefst geweigerd had. 

Maar mooglijk dat er zullen wezen,
Al is hun tal gering misschien, 
Die mij met welgevallen lezen,
En wenschen zouden mij te zien;-

Hun vreemd, mij bij hun vrienden tellen, 
Mijn zwakhen dulden om mijn doel; 
Wier hart mij dankbaar toe zal zwellen, 
Omdat het voelt wat ik gevoel; - 

Bevriende vreemden - vreemde vrinden, 
Wier liefde ik, me onbewust, bezat,
Bij wie mijn beeld een plaats zal vinden, 
Zoo als mijn schrift tot heden had. 

Doch zeker, zeker zijn er velen,
En ik ben trotsch op hun getal, 
Die in mijn levensvreugde deelen, 
En wie mijn sterven treffen zal. 

Zij hebben altijd open ooren,
En open harten voor mijn lied; 
En, ben ik eens voor hen verloren, 
Dit zij hun mijn Vergeet mij niet!" 

Ben ik dan hier te hoog gezeten,
En voegde ik in een lager rij,
Och, mogten alle wenschen 't weten, 
Het is om anderen, niet-om mij!

DE GEBROKEN SCHAATS

Heeft er iemand ook een touwtje ? 't IJzer is mij losgegaan !" Smeekte een aardig weduwvrouwtje, Dat op ne schaats moest staan. Och, ze wou zich reis vertreden; Zie, ze had toch tijds genoeg, En ze had nog niet gereden, Sinds ze 't weuwenrouwkleed droeg. Eerst ging 't stemmig, zacht en zoetjes, Langs de buurt en op de baan: 't Was of waagden oog noch voetjes Links of regtsom uit te slaan. Maar de streek werd lang en langer, 't Voordewindje kwam van pas, En het hart sloeg haar niet banger, Dan toen ze een jong meisje was. Ver van buren en van magen, Van de drokte en van 't gewoel, Zweefde ze, als in vroeger dagen, Los en luchtig op den poel. Tot op eens ('t gebeurde ons allen, En geen sterfling die het zag) 't Lieve weuwtje kwam te vallen, En op 't ijs ter neder lag. Een twee drie, en zie daar stond ze Onbezeerd wer op de baan; Maar het regterijzer vond ze Twintig schreden daar van daan. Maar wat nu? het dorp was verre; 't Windje wakkerde aardig aan: Reeds blonk bier en daar een sterre, En juist was het nieuwe maan; En op ne schaats te glijden, Zoo als soms de kinders doen, Past, al kon men z ook rijden, Past geen vrouwe van fatsoen. Heeft er iemand ook een touwtje ? 't Ijzer is mij losgegaan !" En het aardig weduwvrouwtje Zag haar buurman vleijend aan. Maar de buurman schoof maar henen, Deed of hij niets hoorde en zag; En gedacht misschien meteenen Wat hem zwaar op 't harte lag. Had heur man niet, de overleden, In zijn dochter zin gehad, Toen zij ze in den weg kwam treden En met hem in 't huwlijk trad ? Heeft er iemand ook een touwtje ? Neef, het ijzer is mij los !" En, gelukkig voor het vrouwtje. Dekte 't donker heuren blos. Neef was jong, eerst weinig weken Was hij echter proponent; d' Andren Zondag moest hij preken, Hij, bij elk in 't dorp bekend ! Hij hield op, en zocht en draalde, En hij vond het touw misschien; Maar zoo iemand hier eens dwaalde, Zoo hem iemand eens mogt zien.... Nichtje, 't spijt.... het spijt me magtig.. 'k Heb geen touw en ook geen tijd : Bind maar af, doch wees indachtig, 't IJs is glad voor wie niet rijdt." En hij liet haar daar bekreten Staan, verlaten en alleen; En hoe menig, mogt hij 't weten, Vloog om haar te helpen heen l Wie is dat? met zwierende armen, Lange beenen, lange jas ? Neen, bij hem waar' geen erbarmen, Zoo het eens de meester was ! Hij was 't, die in vroeger tijden, Driemaal 's weeks ten harent kwam, Eer ze uit zuiver medelijden d' Ouden rijken pachter nam. Goeden avond, jufvrouw Wallen ! Goeden avond, meest... Mijnheer !" t Komt mij voor, gij zijt gevallen, Maar ge deedt u toch niet zeer ? Neen ik.... ja, Mijnheer! een beetje. Meester, maar.... mijn schaats is stuk." Had ik, sprak hij, maar mijn sleedje, Want z krijgt ge een ongeluk. Had er iemand maar een touwtje, Zei ze, en zag toen voor zich heen :" En het ijzer en het houtje Bragt ze als ongemerkt bijeen. Meester, Meester! och, wat voelje , Zoekje en vindje 't koord meteen ! Och, wat windje, wringje en woelje Hout en ijzer wer aann ! Och, wat zuchtje al onder 't binden Om je lang vergeefsche klagt; Om te wreed gescheiden vrienden, Later wer bijn gebragt. Meester! doe als de andren deden, Laat het rijke weuwtje staan, Of voor 't laatst betreedt gij heden Als een vrijgezel de baan ! Meester! als je jongens 't hoorden , Iemand zoo geleerd als gij, - Enkel gekheid in zijn woorden, Enkel zoete vleijerj ! Ach, ze wreven zich de handen, Zag men wat gij knielend doet: 't Strikken van twee schaatsenbanden Om een' kleinen vrouwenvoet ! En de weduw wilde 't wagen, Nam de hand van Meester aan: Twee, vier, zes, ' tot twintig slagen; 't Touwtje was niet losgegaan. Of het vasthield tot den ende, Of de schaats niet weder brak, - Niemand, die de jufvrouw kende, Wien ze daar een woord van sprak. Meester scheert zich alle dagen, Sinds die schaats het had verbruid, En, der jeugd tot groot behagen, De avondschool gaat tijdig uit. Buurman, als men bij hem pijpen En tabak voor 't weuwtje haalt, Bromt zoo wat van niet begrijpen , Gaauw vergeten, gaauw bepaald ! Neef, zoo nichtje ooit kon besluiten, Zegent d' echt in van het paar: Reeds kent hij 't gebed van buiten, En zijn schets is kant en klaar. Heeft er iemand ook een touwtje ? Fluistert ze elken avond laat, Als de meester van het vrouwtje Mooi geplaagd, naar huis toe gaat. En dan loopt hij wat te droomen, Zuchtend: Was er de avond al, Als wanneer ik bij haar komen, En geen afscheid nemen zal."

Naar boven!

Jan Brester
Gedicht "Leven"


Jan Brester
Gedicht "Mijn portret"


Jan Brester
Bloemlezing van gedichten


Jan Brester
Gedicht "Gebroken schaats"


Jan Brester
Abigal


Jan Brester
Biografie


Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 25-01-2004.
Laatste wijziging 19-08-2017.

E-mail: webmaster