
De wolvin Conseil Goede raad Columbatim O dierbaren van Sodoma ! |

La LouveLes yeux creux, Léona, plus pâle que la lune, Tout les jours, erre seule, au hasard et remplit Les sentiers et les bois de sa plainte importune. La solitude accroît encor son infortune, La nuit, elle soupire et déserte son lit, Pour rafraîchir au vent sa gorge ardente et brune. Quel est son mal ? Elle aime ! Elle aime et veut mourir, Car elle sait le gouffre où se débat son âme : L'objet de son amour, horreur ! c'est une femme Dont pour elle les bras ne doivent pas s'ouvrir ? Elle sèche et languit, elle crie aux étoiles : " Toi que j'aime aujourd'hui, que j'aimerai demain, Vierge, oh ! viens, sois à moi ! Mes lèvres et ma main De ta virginité déchireront les voiles ! " ![]() De wolvinHologig, Léona, bleker dan de maan, dwaalt elke dag doelloos rond langs paden en bossen met haar doordringende klacht. De eenzaamheid voedt haar tegenspoed; 's Nachts ontvlucht zij zuchtend en verhit haar bed, op zoek naar koelte voor haar bruine boezem. Wat is haar kwaal ? Zij bemint ! Zij bemint en wil sterven, want zij vreest de draaikolk waarin haar hart worstelt: Schande ! In de ban van de liefde voor een vrouw, die haar armen niet om haar heen mag slaan ? Zij verkwijnt en smacht, zij huilt naar de maan: "Jij die ik vandaag en morgen zal beminnen; O maagd ! kom en wees de mijne ! Mijn lippen en mijn hand zullen je maagdenvlies verscheuren !" ![]() ConseilSous les berceaux ou sur les tombes, Colombes, Soupirez et becquetez-vous ! Entrelacez, ô tourterelles ! Vos ailes Pour dormir dans vos nids si doux ! Vierges toute en fleur, qu'effarouche le jour, l'amour Rit dans ton coeur, rit sur ta bouche Ouvre aux baisers du bien-aimé Ton âme O femme ! Tes bras et ton sein parfumé ! ![]() Goede raadIn prielen en op zerken, duiven wacht, trekkebek en smacht ! O tortelduiven ! Verstrengel uw vlerken en slaap in uw zachte nesten ! Maagden in volle bloei, bang voor de ochtendstond, de liefde lacht in je hart, lacht op je mond. Open je hart voor liefdeskussen met erbarmen O vrouw ! Je welriekende boezem en armen ! ![]() ColumbatimDans ce lit, aux molles clartés Tombant d'une lampe d'albâtre, Voyez s'entrelacer, s'ébattre Deux serpents, deux jeunes beautés. Des serpents ! non ce sont des cygnes Par la grâce et par la fraîcheur, L'aile frémit en sa blancheur, Brisant les ombres et les lignes. Pourquoi ces soupirs, ces sanglots, Couple ardent, dont le sein palpite ? La fureur de Sapho t'agite : Ensemble vous videz à flots Vos coupes de chair, loin de l'homme, O précieuses de Sodome ! Henri Cantel - 'Amours et priapées' (1869) ![]() O dierbaren van Sodoma !Aanschouw dit bed, in het zachte licht van een lamp uit albast, waar twee jonge mooie slangen, zich verstrengelen en vermaken. Hoezo slangen! Zwanen zijn het omwille van hun frisheid en gratie; Hun blanke vleugels sidderen, en verstoren schaduwen en contouren. Waarvoor deze zuchten en snikken, vurig paar met bevende boezems ? De vervoering van Sappho windt jullie op: Geen nood aan een man, want samen zwelgen jullie gulpen vleselijk genot, O dierbaren van Sodoma ! © Vertaald door Lepus ![]() |

