Iphone and smartphone optimized content

J.H. Leopold - Cheops
Cheops

Cheops of de Grote Piramide van Gizeh 
is een van de zeven klassieke wereldwonderen.
De opdrachtgever was farao Cheops 
die tussen 2587 en 2564 VC regeerde.


Na zijn ontvangst, na te zijn opgenomen 
in de doorluchte drommen en den stoet 
der smetteloos verrezenen, die dreven 
door alle hemelen, het groot gevolg,
dat vergezelt en toch is ver gebleven 
en nimmer naderde de onontwijde 
Openenden, de Hooge Heerschers, Zij, 
achter wier slippen en wier laatste tred 
toesloeg een bliksemend verschiet; te midden
der strengeling, het menigvuldig winden, 
dat afliep in een rulle effening 
of krimpend zich in eigen krinkelbocht 
verstrikte, wisselende in een rythme 
van heffingen, die naar het zenith klommen,
van zinkingen, waarin werd uitgevierd
het diepste zwichten; in den breeden sleep,
die omvoer door de ruimten en de verten
aantastte en veegde al de banen door 
des ongemetenen, in deze weidsche vlucht
de koning CHEOPS.
    Stil in zijnen zin
en wachtende had hij zich toegevoegd
en ingeschikt en zich terechtgevonden
in deze nieuwe orde, het zich richten
naar anderen en de ontwende plicht
van zich te minderen, terug te dringen
den eigen scherpen wil, het gaan begeven
verdwenen in de menigte, het deelen
in dezen ijver en afhankelijkheid
der velen en het zijnen dienst verrichten
als begeleider en als wegtrawant.

En mede ging hij met den ommegang
den eeuwigen, den in geen tijd geboren,
die heenstreek door den weergaloozen luister
der hemelcreaturen, door de zalen,
de leege hoven, die in doodsche nacht
zoo roerloos en zoo strak geopend waren
en uitgezet, alsof zij allen stonden
onder één hooge koepeling, een dak, 
dat werd getild op fonkelend gebint
van stalen flitsen; dan de donkerten 
de ruig gevulde, waar het wereldstof 
aanvankelijk gestrooid en zwevend was 
in doffen stilstand of al aangevat 
door plotseling bezinken schoksgewijs
bijeenliep en ging vloeien in gebogen 
bedding, die ijlings tot een ronden kolk, 
een boezem werd, een in zich opgesloten 
holte, een kom opzwellende ten boorde 
en eindelijk een volle moederschoot,
wier zwoegende arbeid, wier bedwongen nooden 
en zware spanning klimmend was, totdat 
ontzinde drift, razende werveling 
geboorten werden, waaraan jong ontsprongen 
glanzende lichamen, sprankelend ontdaan
van alle hulselen, onaangerand, 
dartel en blank en nieuw van het gestoelte.

Dan door den samenhang en het verband, 
den onontkomen dwang eerlang geslagen 
om het geschapene, waar alle kracht
zijn gansch bestand uitgaf in den balans 
met anderen en eerst de volle brand 
der elementen was, waar middenin 
de onvoldongen worsteling, de wild 
verwrongen poel, de woedende beroering
van bulderende zonnen was, daarneven 
kringende manen en een blauwe schijn 
dreef van hun wezen af en hun bewegen 
natalmende; en rondom was het wenken, 
de stille polsslag en het snikkend licht
der enkelsterren, die hun labyrinth 
van kronkelwegen en van bonte paden 
bewandelden, eenzaam en ongestoord 
omdolende; in hunne losse strengels 
met vasten trek gezet het grootsche plan
van het planetenkoor, dat kwam geloopen
op éénen evenaar, der lichten elk 
in eigen sfeer gehangen; aan het uiterst 
de tintelmist, de millioenen zwermen, 
die uitgestort over het firmament
geslingerd lagen als een byssussluier, 
een veege doek, een rag, waardoor bijwijlen 
ruige kometen, spattend meteoor-
gesteente stoof, dat daverend van vaart 
uit blinde verten aankwam, langzaam werd,
vertraagde, kenterde om eigen kern, 
uitschietend dan langs parallellen loop 
ging boren door het bodemlooze, voort 
door de verlorene aeonen stroomend, 
een stout vertrek, een pralend schoon verlies.

En andere en andere verblijven 
en werelden naar andren zin gezet 
en allen het gedrag der onderdeelen, 
de wenteling, de vlechting van hun loop, 
en zwenken, kruisen en verward krioelen
gemakkelijk en met gelaten hand 
besturend naar een smarteloos geboren, 
uit eigen wezen voortgekomen wet.

En dan na al de pracht der myriaden, 
de gouden bollen rollend door den laan
der sombere aether, al de oppertrots 
van dit onvergelijkelijke, na bevamen 
van 's hemels gansche diepte en alom 
bevonden onrust en verlaten zwoegen 
en woestenij en barre ledigheid....
dan ging de ziel des ouden Pharaohs 
zich gaarne wenden, zonderde zich af 
en keerde zich tot het vertrouwdere, het ginds 
beschenen oeverland, de vale zoom 
der wildernis en wat daar opgericht,
de schemerende spits, waarop het licht 
in schichten afbrak, en de glinsterwanden,
waar het gekaatst als op een strak metaal 
versplinterd schitterde, de zijden zuiver 
afgepolijst en effen blank geslepen
de driehoekvlakken met hun hemelglans, 
die was gevloten alle naden over, 
vier flanken afgaand, machtig neergezet 
op zware basis en aan hunnen kant 
en samenkomst wijdstandig uitgespalkt
de rechte ribben, scherp en schartenloos; 
gestalte, zoo bezonnen en doordacht, 
van zulk een eendracht en een samenhang 
en innerlijk verband, of zij ontstond 
uit ééne oorzaak, dat zij leek ontsprongen
uit ééne spanning, die het al bedong, 
dat het daar veilig op de vlakte zat 
als een kristal, een zout, dat afgezet 
op dezen bodem werd en grijs gestolten 
zijn overoud figuur verhief, zijn bouw
uit 's werelds voortijd van tesaamgeschoten 
bundels om hunnen pool als eerst begin 
van zoekende eenheid en afzondering, 
levende vorm, die ongeschonden toonde 
zijn heldren tempel en zijn onontsloten
binnenste woon en geheimzinnigheid.

Zoo dit groot monument, dit uitgekozen 
koninklijk gloriestuk en pronkkleinood, 
de rijke rotsklomp, kantig en behouwen 
als een gekloofd juweel, de bergkolos,
die droomende onder het marmerpantser 
de leden rekt, de torenstapeling 
van duizenden op duizenden getild 
door honderdduizenden, getuigenis 
van onbedwongen almacht uitgevierd
tot zwijmelhoogte, van een fel bewind, 
dat zijn vermeten en zijn netten wierp 
over de nameloozen, den verloren 
tot ondergang gedoemden drom, gebukt 
over hun donkre moeite en zweet, het hoofd
zuchtend en trillende het harde pogen 
in handen en gerei, tesaamgeschoold 
tot hunnen taak den bange en als lood 
lag doodelijk op de bekommerden 
de doffe wil, het onverwrikt gebod
van den ver tronende, meedoogenlooze, 
van hem, den eigenzinnigen despoot.

En langzaam en met rustige voldoening 
en koele rijkdom van tevredenheid 
toeft hier de grijze sobere, beschouwt
de nauwgesloten voegen, onderzoekt 
de richtigheid van stand der plinten, waart 
over het kostbaar glanzen heen en keurt 
den dichten steen, de donzen korreling 
onder het glazig spiegelvlak en koestert
dit welverzorgde; dan den sluitsteen langs, 
den gang der grove blokken, de gewelven 
gedakt met scherpen nok, de galerijen, 
den doolweg, de versperringen voorbij 
sluipt hij al mijmerend en naar de grafzaal
is nu zijn trachten, naar de sarcophaag, 
den loggen stander met den diepen schoot, 
de rijke doodswieg, zonder breuk gehold 
in purperiaspis, dan het zwart gevlamd, 
geel cederhout, de kostelijke strooken
van de lavendelzwachtels en ten slot 
de vorstelijke mummie; om de ranke,
gestrekte leden en den zuivren schoot 
glanzend en zwart de pezen, overstrooid 
met kamfer, gaaf en onverdord de huid 
en der gewrichten knoop, het hooge hoofd 
gemaskerd onder goudblad, dat gedeukt 
en dungeplet ligt op het ongeslonken 
stoute profiel; om stroeve vingeren 
een groen juweel, vier diepe bloedrobijnen 
zijn fonkelende.
    Aan den wand rondom 
een stomme schare, wachtende onderdanen,
dralende grooten van het hof, een haag, 
een arenveld van rijzende gestalten, 
norsche figuren, donker opgestoken 
uit wisseling van lijfgoed, zilvervloeiend
kabbelend linnen of de strakke vlaag 
van ongekrookt katoen, dat witverblindend 
en prachtig afwoei van den sombren gloed 
der lichamen of broederlijk gevoelde,
zoele beschutting van omhullende
ruime gepluisde mantels; na elkaar 
in slanken gang en lenig aangetreden 
als herten in het bosch de trantelstoet 
der bloote voeten, de gestulpte teenen,
de enkels en hun cirkeling; ten hoofde
en voor het zijdelingsche aangezicht 
het heilig letterschrift, de oudgevormde 
begroetingen, het statig woordental 
der machtsverkondigingen, opgesomd
in vroom zich zelf herhalen, het uitvoerig
lofspreken en de stamelende reeks 
van rijke namen en verheven roem 
des godenzoons. -- Ook deze schildering 
volgt nu de oude, vestigt zijnen zin
op haar bestand en laat zijn aandacht dolen
allengs; hij is geboeid door de symbolen 
van het voormalige en hij hangt er in.


"Cheops" werd voor het eerst gepubliceerd in 1914.
In dit werk bereikte Leopolds dichterschap een climax.

Naar boven

J.H. Leopold

Oostersch
Soefisch


Rubaiyat
(In het Nederlands)


Kwatrijnen van Khayam


Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 24-10-2003.
Laatste wijziging: 16-09-2017.

E-post: webmaster