René De Clercq
René De Clercq
°Deerlijk 14 november 1877
†Maartensdijk 12 juni 1932

Standbeeld van de dichter te Deerlijk

LIED VAN TINEKE VAN HEULE


Tineke van Heule, ons maartje
Kan werken gelijk een paardje
Kan melken - kan mesten
Kan schuren gelijk de besten.
Tineke van Heule, ons maartje*
Staat hoog in de gunst van mijn vaartje
En als moederken haar prijst
Dat mijn zuster er om krijscht
Dan lach ik een beetje in mijn baardje.

Refrein:

Liever dan 'n visch die in een goudzee zwemt
Liever dan een vogel die geen sparen kent
Liever dan een freule
Tineke van Heule
Tineke ons maartje in haar hemd.

Tineke heeft geld noch goedje,
Noch landeke, noch pandeke, noch koetje,
Noch huisje, noch kruisje
Noch een lappeken voor mijn buisje*
Tineke heeft geld noch goedje,
Maar een hemel is haar lach en haar groetje,
Als zij trippelt naar de bron
Met haar emmer in de zon,
En haar klompeken aan haar voetje.

Liever dan 'n visch die in een goudzee zwemt
Liever dan een vogel die geen sparen kent
Liever dan een freule
Tineke van Heule
Tineke ons maartje in haar hemd.

Tineke van Heule mijn minneken,*
Op U staat mijn zoetste zinneken,
U lust ik, u kust' ik.
Op uw harteken bouw en rust ik.
Tineke van Heule mijn minneken
Mijn poezelig dubbel kinneken
Leg uw handeken in de mijn,
En een bruiloft zal het zijn
Van een boer en een schoon boerinneken.

Liever dan 'n visch die in een goudzee zwemt
Liever dan een vogel die geen sparen kent
Liever dan een freule
Tineke van Heule
Tineke ons maartje in haar hemd.


*maartje: meidje, meisje
*buisje: kort nauwsluitend jasje
*minneken: afgeleid van minne (liefde), liefje

'Tineke van Heule' werd op muziek gezet door Emiel Hullebroeck.
Deze laatste leidde de duitsgezinde ‘Kunstenaarsgilde’.


Het puiteke

      
Geen kloef en kletst er*
in krakende kruid
of plompe daar pletst er
een puiteke uit
Men dompelt in 'water
Zo potig ter per
en een kringetje
gaat er een voetje ver

Het schiet er zo stille
en het rept er meteen
Zijn buik en zijn bille
En zijn achterbeen
Het strekt en het strijkt, en
Hoe dieper het duikt
Hoe lomper het lijkt
Hoe dikker gebuikt

Het stribbelt en strevelt,
En eer gij het ziet
Daar kruipt het en krevelt
In 't roerende riet.
Maak maar gedruis, en
Stamp maar één keer
Het zit in zijn kluis, en
Toont zich niet meer


'Het puiteke' doet aan de natuurgedichten van Gezelle denken

*puiteke: puitje, kikkertje
*kloef: klomp


Ik ben van den buiten

Ik kreeg van mijn ouders,
Van ieder mijn part
Van vader mijn schouders
Van moeder mijn hart
Ik vocht om mijn stuiten*
Met zuster en broer.
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer!

Bij d'eigenste pachter,
Eerst koeier dan knecht*
Mijn klakke van achter,*
Mijn hoofd immer recht
Zoo dien 'k om duiten,
En teer op mijn toer;*
Ik ben van den buiten.
Ik ben van den boer!

Ik zout en ik zaaie
Ik eg en ik ploeg
Ik mest en ik maaie
Ik zweet en ik zwoeg,
Ik klets op de kluiten
En glets op de moer.*
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer!

En hebben de zeisens
Gezinderenzind
De mallende meisens
De wagens gepint
Dan zit ik te fluiten
Van boven op 't voer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!


Uit 'Gedichten' - Sijthoff (Leiden).

*stuiten: boterhammen
*koeier: koejongen (hoeder van koeien)
*klakke: pet
*En teer op mijn toer: en vier op mijn beurt
*moer: moerassig land


Geen luid geluid

Geen luid geluid, geen luid geluid
De winter vriest de vreugden uit.
Maakt grond en sneeuw en harten hard
en al de bomen zwart
De hutten staan zo kil en stil
alsof haar elk gesloten wil
daarbinnen dringt de koude maar,
daar uit de dodenbaar

Gebogen hoofds, vereenzaamd droef
Een moeder die haar kind begroef
Sluipt wanhoop d' aarden straten door
en glimlacht als te voor
en glimlacht of zij hoop nog hiet
dat niemand merk haar wrang verdriet,
En draagt uit rouw geen rijker kleed
Maar diep haar dieper leed


Uit 'Gedichten' - Sijthoff (Leiden).

De Bietebauw


Kleine, kleine stouterik,
     zoudt ge moeder tergen?
wacht, ik zal hem roepen, ik,
     uit de zwarte bergen.
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
     grijp, grap, grauw!
         de bietebauw!

Hoor hem, met zijn berenkop,
     op de deuren bonzen.
Krak! hij kruipt een zolder op,
     oei, oei, oei, den onzen!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
     grijp, grap, grauw!
         de bietebauw!

Recht naar bedde komt hij, boe,
     riekt aan de gordijne,
doe maar zeere uw oogjes toe,
     of ge ziet de zijne!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
     grijp, grap, grauw!
         de bietebauw!

Neen, neen, neen! Naar buiten, beest,
     om de stoute knapen!
Moeders kind is braaf geweest;
     kan zoo schoone slapen.
Douw, douw, kindje douw;
Zwicht u voor den bietebauw,
     douw-douw-dijn;
         en zoete zijn.


Uit: 'Gedichten' (1907).

Oogen die het bruin weerkaatst

Oogen, die het bruin weerkaatst
Van uw breede brauwen,
Laat me dieper voor het laatst
In uw donker schouwen.

Teere wittetandenlach
Brekend door mijn denken...
Ach, dat ik geen enklen dag
Aan uw vreugd mag schenken.

Dat mijn neiging nimmer wordt
Wat ze liefde noemen;
Smachtend knopje dat verdort
Onder zware bloemen.


'Uit de diepten' - S.L. van Looy (Amsterdam-1911).

Molenbeeld

Molen draait ten hemel op
Molen draait teraarde neer,
Molen met een kruis er op
Ach, mijn hart doet zeer.

Zwaai ik met een arm omhoog,
'k Zink al met een ander laag.
Hartstocht, die het zeil doorvloog
Blaast nu hijgend traag.

Moet ik steeds in de aarde vast,
Strekken naar de hemel heen?...
Molen, draag uw kruis en last
Trots alleen.


'Uit de diepten' - S.L. van Looy (Amsterdam-1911).

Zeg nooit

Zeg nooit: daar kom of keer ik niet.
Wie weet zijn naasten weg?
Het wondre, dat geen mensch voorziet,
Verijdelt overleg.
En niemand houdt zijn morgen
In zijne hand geborgen.

Zeg nooit: daar kom of keer ik niet,
Noch reken op uw kroost.
Een snelle vreugd baart traag verdriet,
En zuur bezorgde troost.
Wij groeien op, vermindren
En sterven in onze kindren.

Zeg nooit: daar kom of keer ik niet.
Een ieder draagt zijn schuld.
En of gij 't nadert of gij 't vliedt,
Uw noodlot wordt vervuld.
Dan schuil', voor zon verlegen,
Uw ziel in schaduwzegen!


'Uit de diepten' - S.L. van Looy (Amsterdam-1911).

De volkeren hollen

De volkeren hollen in 't zwart gevecht,
de menschen, de menschen,
lijken daarbij zoo klein, zoo slecht.
Ze hebben geen God, ze hebben geen recht.
De volkeren dooden de menschen.

De kerken roepen: Uw zegen, Heer;
de kristnen, de kristnen,
kussen hun kroost en grijpen 't geweer.
Zij vallen of vellen een broeder neer.
De kerken dooden de kristnen.

Vrede heet heilig, de vreedzame laf;
en kruisen, en sterren,
als blaren ten herfsttijd regenen ze af.
Een kruis op een borst, een kruis op een graf.
De aarde is zoo dof in de sterren.


Uit 'De zware kroon'. Verzen uit den oorlogstijd (1915)

Moederke alleen

Wie zal er ons kindeke douwen*
En doet het zijn moederke niet?
Wie zal er zijn dekentje vouwen
Dat 't schaarsch door een holleken ziet
Kleine, kleine, moederke alleen
Douw, douw, douwderideine;
Kleine moederke alleen
Kan van uw wiegsken niet scheên!*

Wie zal naar ons kindeke kijken,
Dien, bleuzenden, stouten kapoen*
Wie zal er zijn hemdekes strijken,
Zijn haarken in krullekes doen?
Kleine, kleine, moederke alleen,
Douw, douw, douwderideine;
Kleine, kleine, moedeke alleen,
Kan van uw wiegsken niet scheên!

Wie zou voor ons kindeke derven,*
Heur laatste kruimeltje brood?
Wie zou er, wie zou er voor sterven,
En lachen op kind en op dood?
Kleine, kleine, moederke alleen,
Kan van uw wiegsken niet scheên!


Uit 'Verzamelde Gedichten'

*douwen: wiegen
*kapoen: 1)vetgemeste jonge haan 2) hier betekent het bengel
*derven: ontberen, zich onthouden van
*scheên: scheiden


Zal ik zingen voor mijn wijn

Zal ik zingen voor mijn wijn?
Zal ik lachen, zal ik denken?
Zal ik drinken maar en schenken?
Zal ik eenzaam vroolijk zijn?

Die mij haten, hoonen, krenken,
willen mij met edik* drenken.
Zal ik treuren vóór mijn wijn?

Zie, zoovele vreugden wenken.
Ria mijn, aan u te denken
jaagt de Schelde door den Rijn.

Droomen zal ik vóór mijn wijn,
drinkend aan uw kussen denken,
neigend u mijn hart uitschenken,
tot den grond, als jongen wijn.

Jonge wijn,
godenwijn!
Liefde kan niet eenzaam zijn.


Uit 'Het boek der liefde', Amsterdam
(J.M. Meulenhoff) 1921.


'Ria' is Ria Vervoort, een Antwerpse pianiste.
*In het nieuwe testament komt "edik" voor
als de drank waarvan Jezus, hangend aan
het kruis, een spons vol op een staak gestoken
aangeboden kreeg. In Israël werd edik,
een azijnessence van tachtig procent, aangelengd
met water en honing.
De zo ontstane goedkope zure drank was
een uitstekende dorstlesser. De Romeinen
noemden het "posca".
Bron: Wikipedia.

Ik heb u lief

Ik heb u lief, ik heb u lief !
Dat is mijn kus, dat is mijn groet,
dat is de blijdschap in mijn bloed,
dat is elk woord in elke brief,
dat is mijn hart: ik heb u lief.

Ik heb u lief, ik heb u lief !
Dat is mijn zorg, dat is mijn zang,
dat is mijn roem, mijn leven lang.
Slechts Hij, Die mij tot u verhief,
kent gans mijn hart: ik heb u lief !


Uit '27 Nagelaten gedichten', 1937.

Liefste, kom uit

    Ria spreekt:

Liefste, kom uit,
  de harde stenen uit.
  Voel mee de teerheid van het kruid.
  Hoor, is 't de merel, die daar fluit ?

Bloemen, bloemen!
  Ze blinken blank en rood en geel.
  Een zacht viooltje ontluikt de steel.
  Laat staan, er zijn er nog niet veel.

Zie, de linde,
  levend goud om 't oude brons.
  Er is al groen, getjilp, gegons. -
  Zie de linde: zij bloeit voor ons.

En de wolken!
  Ze varen hoog, ze varen gauw,
  een zuiv're sneeuw van zee en dauw.
  Wolken en zon in 't frisse blauw.

Liefste, kom uit,
  de harde stenen uit.
  Elkander tegen door het kruid !
  Is de aarde niet als ik: een bruid ?


Uit 'Nagelaten gedichten', 1937.

Ria Vervoort, een Antwerpse pianiste,
kwam bij René De Clercq wonen in 1924.
Zij leverde de inspiratie voor liefdes-
gedichten en drie bijbelse tragedies
('Kaïn', 'Saul en David' en 'Absalom').


"Uit het volgende fragment
blijkt zijn vlaamsgezindheid"

Wij houden van trukken noch tirelantijnen,
Heeren van Havere, weet het goed!
Wij zijn Germanen, geen Latijnen,
Opene harten, zuiver bloed!
Heb ik geen recht, ik heb geen land;
Heb ik geen brood, ik heb geen schand;
Vlaanderen, Vlaanderen, met hand en tand
Sta ik recht voor u,
Vecht voor u!



Naar boven


Vlaamse dichters


Naar 'Poëzieweb' - Poetryweb


Biografie


René de Clercq (Deerlijk 14 november 1877 - Maartensdijk 
12 juni 1932) promoveerde aan de Rijksuniversiteit te Gent. 
Achtereenvolgens was hij leraar te Nijvel, Oostende en Gent. 
Hij week in het begin van de eerste wereldoorlog uit naar
Nederland, waar hij redacteur was van "De Vlaamsche Stem" 
en leraar aan de Belgische school te Amsterdam. In 1917 
keerde hij naar bezet België terug, omdat de Duitse bezetter 
hem aanstelde als conservator van het Wiertzmuseum 
te Brussel. 
Daarnaast werd hij meermaals opgevoerd als boegbeeld 
op de propagandameetings van de activisten.   
Na de oorlog werd hij ter dood veroordeeld (17 april 1920), 
omdat hij "te" actief was geweest in het activisme
*. Om de uitvoering van het vonnis te ontlopen, 
vluchtte hij nogmaals met zijn familie naar Nederland. 

In het werk van René De Clercq kan men drie perioden 
onderscheiden. 
Een eerste idyllische periode getuigde van levenslust. 
Zijn liederen en gedichten waren hier beïnvloed door 
de poëzie van Guido Gezelle.
Tot zijn betere werken behoren 'Terwe' (verhaal in verzen), 
'Liederen voor het volk' en 'Natuur' (1903). In zijn tweede 
socialistische periode maakte zijn levenslust plaats voor 
opstandigheid en klaagde hij het sociale onrecht aan 
('Toortsen - 1909 en 'Uit de diepten' - 1911).  
Toch zat hij niet in het schuitje van de Gentse socialisten. 
In zijn autobiografische roman 'Harmen Riels' (1913) rekende 
hij zelfs af met de socialistische leider Edouard Anseele.  
Tevens waren zijn romans uit deze periode meestal minder 
geslaagd. Na zijn aanstelling als conservator van 
het Wiertzmuseum radicaliseert hij en dweept hij meer 
en meer met de Duitse bezetter en het Vlaamse activisme. 
In zijn dichtbundel 'De noodhoorn' (1916) uit hij reeds 
zijn kersverse anti-Belgische overtuiging. Ook 'Het boek 
der liefde' (1921), met liefdesgedichten, ging niet 
onopgemerkt voorbij.
Tenslotte kende hij een lyrisch-epische periode, met gedichten, 
bijbelse verhalen, treurspelen en liefdeslyriek.
René De Clercq was een flamboyant en hartstochtelijk man. Hij kende dan ook een vrij merkwaardig liefdesleven... Een pittige anekdote is, dat hij en Stijn Streuvels verliefd waren op Marie Delmotte. Streuvels lustte hem rauw, temeer omdat zij uiteindelijk koos voor De Clercq. Zij trouwden in 1903 en zouden drie kinderen krijgen. De dood van zijn vrouw in 1909 was een zware klap voor de dichter. Hij uitte zijn verdriet in de dichtbundel 'Uit de diepten (1911). De Clerck vond echter troost bij de jongste zuster van zijn overleden vrouw, Alice Delmotte. Zij trouwden op 30 mei 1910 en ook zij schonk De Clercq drie kinderen. Na W.O.I vluchtte het echtpaar naar Nederland, waar het zwarte sneeuw zag. De Clercq trachtte er te leven van zijn pen en baatte ook een kunsthandel uit. Hij geraakte echter financieel aan de grond. Zijn vrouw en kinderen keerden terug naar Vlaanderen en hij verviel in een zware depressie. Inmiddels was hij hevig verliefd geworden op Ria Vervoort, een Antwerpse pianiste. Zij hield de boot aanvankelijk af, maar hij bleef aandringen. Hij schreef zelfs liederen en een opera voor haar. Deze opera zou echter nooit opgevoerd worden... Uiteindelijk kon hij Ria Vervoort overhalen en zij kwam bij hem wonen in 1924. Zijn nieuwe vlam en muze leverde de inspiratie voor liefdesgedichten en drie bijbelse tragedies ('Kaïn', 'Saul en David' en 'Absalom' ). Tussen de 2 wereldoorlogen kende hij enig succes met sommige van zijn lyrische werken. Tot zijn dood in Sint-Maartensdijk (1932), bleef hij zich inzetten voor Groot-Nederland (de hereniging van België en Nederland).
* Vlaams activisme: het vastberaden ijveren voor de Vlaamse rechten en ontvoogding (1914-1918). Heelwat activisten waren niet verregaand Duitsgezind, maar maakten gebruik van de oorlogstoestand om hun doel te bereiken. Dit resulteerde onderandere in de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Een minderheid, 'De Raad van Vlaanderen' op kop, ging echter heel ver in de collaboratie met de bezetter! De ex-Belgicist* René De Clercq ging veel verder dan de doorsnee-activist. Hij trok af en toe op met de collaborateur August Borms en heulde openlijk met de Duitse bezetter. Dit zou hem na de oorlog zuur opbreken ! Ook tijdens de oorlog ging het hem niet altijd voor de wind. Toen hij in 1917 naar België terugkeerde, met de allures van een messias, kreeg hij naast applaus ook snoeiharde kritiek te verduren... Zie hieronder (update: 06-01-2014).
* "De bard van het activisme, René De Clerq, was zijn poëtische oorlogsactiviteit indertijd zelf begonnen met vaderlandse verzen als 'Een lied van trouw' (Eerbiedig opgedragen aan Hunne Majesteiten Koning Albert en Koningin Elisabeth van België) en het mystiek-patriottische 'Als de Heiland', waarin de Messiaanse metafoor niet geschuwd werd in verzen als:

Jong en schoon, Hebt ge u zelf aan 't kruis doen spijkeren. Voor het heil der wereld. Uw zuiver straalbloed perelt In uw zwarte doornenkroon. O België, Gods liefste zoon [...]


© Gaston D'Haese




Update: 06-01-2014.  
Uit 'De Groote Oorlog' van Sophie de Schaepdrijver. 
Uitgeverij Houtekiet - Atlascontact.
Met citaten uit het clandestiene propagandablad 
'De Vlaamsche Leeuw'.
'Ten tijde van het Gooise telegram had de dichter een scherpe politieke bocht gemaakt. Zijn religieus-romantische poëtica was bij die ommezwaai echter consistent gebleven - alleen heette voortaan Vlaanderen de gekruisigde Heiland. Hoe hij zijn nieuwe rol opvatte, bleek uit liederen als 'Zweeg uw dichter, Vlaanderen, ach, wie zou getuigen? De Clerq was in 1917 vanuit Nederland naar België teruggekeerd waar zijn lyriek en martelaarschap op meetings werden uitgespeeld. In de steden verschenen langwerpige affiches met daarop in grote letters slechts de zin: RENÉ DE CLERQ KOMT. De activistische pers berichtte over de 'verering' die de dichter bij deze manifestaties ten deel viel ('De menigte in de zaal is als een woelige zee, en de ovatie klinkt geweldig). Daar werd bij de passieven, die deze meetingpraat met stijgende ergernis aanhoorden, anders over gedacht. De Vlaamsche Leeuw voer heftig uit tegen De Clerqs toespraak op het Gulden-Sporen feest van 1917, een toespraak waarvan het publiek een uitleg van het activistische standpunt had verwacht. 'Helaas! helaas, hoe [...] erbarmelijk onbeduidend, die gretig verwachte verrechtvaardiging van de groot gewaande leider. Als toespraak op een studenten- vergaderingske van voor vijftig jaar, kon 't er nog door, misschien. Maar nu we, met onze bruisende gedachten voortgezweept in een landen en werelddelen herschapende draaikolk, als volk kenteren naar een nieuwe tijd, nu was 't meer dan een teleurstelling. Het leek haast een onduldbaar voor de gek houden.' Een verdediging van het activistische standpunt bleek De Clerq niet in huis te hebben. 'Want zelfs de u vierenden waren [...] danig teleurgesteld. Uw variante op 't oude thema was toch zo eentonig tingeltangelend!' Ook De Clerqs wenteling in het eigen martelaarschap wekte ergernis. 'Een gemeend offer wordt nochtans in stilte [...] gebracht. Indien ge u waarlijk martelaar waant voor een grote zaak, klim dan toch niet telkens op een voetstuk van eigen maaksel, om tot de samengetrompette scharen u zelve aan te wijzen als de te huldigen afgod! Denkt ge soms, dat de aanwezigen het aandachtig geloofden, toen ge volhield maar een eenvoudige jongen, een zanger uit en van 't volk te zijn? Och kom! [...] Al dat aanstellerige, dat zich opdringende, dat zich uitstallende, 't blijft onverdraaglijk gezwets. Bovendien: 'Haast drie jaar lang vond De Clerq, dat in Vlaanderen de boel wel zonder hem kon beredderd. In Holland was [...] minder onmiddellijk lijfsgevaar dan in 't land van de Leie, hem wel dierbaar, maar op afstand. Toen had hij nochtans de beste gelegenheid, om te verwezenlijken wat hij thans zo holvatig verdondert: "Als 't kogels regent, wil ik er bij zijn." Wel ja! Maar als vrijwilliger bij de Belgen, bij de 70 of 80 ten honderd nu door hem over 't hoofd geziene Vlamingen, hadden de echte loden kogels hem wellicht kunnen treffen, daar ze niets afwisten van de voornaamheid en onmisbaarheid van zijn persoontje [...] Doch zie! Daar kreeg hij de plaats van conservator in 't Wiertzmuseum. Aanstonds snelt hij erbij. Nu voelt hij zich opeens hier broodnodig. Wat ging er van Vlaanderen geworden, zonder hem! Sporend naar Antwerpen, berekende hij zeker in de trein nogmaals, half ingedut: zoveel duizenden jaarwedde, mooie vrije woon met allerhande bijkomstigheden, en wie weet wat nog al, want de Duitsers zijn joviaal... En in de zaal voor de onnozelen die hem geloofden en de ontwikkelden die hem wantrouwden, sloeg hij driest de enormiteit eruit: "Vlamingen, ik kom, omdat ge mij geroepen hebt. Ik voel me hier thuis. Gij hebt mij geroepen: hier ben ik!" Wie had u geroepen, kerel? De Duitsers! Voor wie kwaamt ge? Voor 't geld! Wat komt ge doen? Uw land, uw volk verkopen!'
'Dit soort pijnlijke beschuldigingen van burgerlijk verraad werden bezworen met verwijzigingen naar de urgentie van de Vlaamse zelfverdediging: een geliefd activistisch argument, dat echter enigszins op de helling werd gezet door het nauwelijks te loochenen feit dat de gekozen volksleiders op alles steunden, behalve op de wil van datzelfde Vlaamse volk, wiens voorkeur massaal naar het oude bestel scheen uit te gaan. De door een militair regiem opgedrongen vervlaamsing verminderde bovendien danig de sympathie van de bevolking voor het Vlaamse streven.' © Uit 'De Groote Oorlog', door Sophie De Schaepdrijver. Pagina's 287, 288, 289. Uitgeverij Houtekiet - Atlascontact.


Naar boven


Vlaamse dichters


Naar 'Poëzieweb' - Poetryweb




Bibliografie:


a. Dichtbundels
Gedichten - Kortrijk, Jules Vermaut (1896) Echo's(1900) Ideaal - sonnettenkrans (1900) Liederen voor 't volk (1903) Natuur (1903) Gedichten - Amsterdam, S.L. Van Looy (1907) Toortsen - Amsterdam, S.L. Van Looy (1909) Uit de diepten - Amsterdam, S.L. Van Looy (1911) Gedichten, 2e vermeerderde druk, Amsterdam    (S.L. Van Looy) 1911 De zware kroon. Verzen uit den oorlogstijd, Bussum,    (C.A.J. Van Dishoeck) 1915 Van aarde en hemel. Steun-uitgave, Amsterdam    (L. Simons) 1915 De noodhoorn. Vaderlandsche liederen, Utrecht    (Dietsche Stemmen) 1916 Uit zonnige jeugd, Amsterdam (Maatschappij voor Goede    en Goedkope Lectuur) z.j. (1916) Vaderlandsche liederen, Anderlecht (Vlaamsche    Drukkerij) z.j. (1917) Gedichten, derde vermeerderde druk, Amsterdam    (S.L. Van Looy) z.j. (1918) Onze baby's, Amsterdam (De Hooge Brug) 1920 Het boek der liefde, Amsterdam (J.M. Meulenhoff) 1921 Van aarde en hemel, vermeerderde uitgave, Amsterdam    (S.L. Van Looy) 1924 Meidoorn, Amsterdam-Tielt (L.J. Veen - J. Lannoo)    z.j. (1925) De noodhoorn. Vaderlandsche liederen, tweede uitgave,    Tielt (J. Lannoo) z.j (1927) Van aarde en hemel, vermeerderde uitgave, Leiden    (A.W. Sijthoff) 1928 De noodhoorn, 4e zeer vermeerderde uitgave, z.p.    (Amsterdam in eigen beheer) z.j. (1932) Nagelaten gedichten, Amsterdam (G. Van Soest) 1937 Overgebleven gedichten, Amsterdam (G. Van Soest) 1937 De noodhoorn. Vaderlandsche liederen, 5e zeer vermeerderde    uitgave, Utrecht (Nassau) 1940 De noodhoorn. Vaderlandsche liederen, 6e zeer vermeerderde    uitgave, Utrecht (Nassau) 1943 De noodhoorn, facsimile-uitgave van de vijfde druk,    Sint-Niklaas (Elza De Clercq in eigen beheer) 1975
b. Bloemlezingen
Het beste uit de gedichten van René De Clercq, Zeist    (De Torentrans) 1932 René De Clercq. Daar is maar één land... Verzameld door    Elza De Clercq en ingeleid door Karel Vertommen, Hasselt (Heideland) 1964 René De Clercq. Liederen, leeft! Verzameld door Elza De Clercq,    ingeleid door Wies Moens, (Sint-Niklaas, Elza De Clercq in eigen beheer) z.j. (1977)
c. Verhalen in verzen
Halewijn's straf, Gent (A. Siffer) 1898 De internationale roeiwedstrijd te Terdonck, Gent    (Jong Vlaanderen) z.j. (1900) De vlasgaard. Landelijk tafereel in verzen, Gent    (Alfons Sevens) 1902 Terwe. Een verhaal in verzen, Maldegem (Victor Delille) 1903 De vlasgaard. Een landelijk tafereel in verzen, Amsterdam    (S.L. Van Looy) 1916 Terwe. Een verhaal in verzen, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1916 Tamar. Bijbelsch verhaal in verzen, Antwerpen (Mercurius) 1918 Maria Magdalena. Bijbelsch verhaal in verzen, Amsterdam    (S.L. Van Looy) 1919
d. Verhalend proza
Het Rootland, Leuven (Davidsfonds) z.j. (1913) Harmen Riels, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1913 Het Rootland, Bussum (Paul Brand) 1917 Het zonnefluitje. Een boek van humor, pseudoniem H.C. Joesken,    Amsterdam (S.L. Van Looy) 1926 Een wijnavond bij dr Aldegraaf, Tielt (J. Lannoo) z.j. (1927) Te lande. Een bundel schetsen, Tielt (J. Lannoo) z.j. (1928)
e. Dramatisch werk
Halewijn. Opera in drie bedrijven en vijf taferelen, in:    De Vlaamsche Gids, 2 (1906) Gebundeld: Kaïn. Treurspel in drie bedrijven Saul en David. Treurspel in vijf bedrijven Absalom. Treurspel in vijf bedrijven Zeist (De Torentrans) 1934, 263 pag.


Naar boven

Vlaamse dichters

Nederlandse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 09-06-2003.
Laatste wijziging 15-01-2016.

E-post: webmaster