René de Clercq - Poëzie
René De Clercq

René De Clercq
°Deerlijk 14 november 1877
†Maartensdijk 12 juni 1932
Standbeeld van de dichter te Deerlijk




LIED VAN TINEKE VAN HEULE

Tineke van Heule, ons maartje
Kan werken gelijk een paardje
Kan melken - kan mesten
Kan schuren gelijk de besten.
Tineke van Heule, ons maartje*
Staat hoog in de gunst van mijn vaartje
En als moederken haar prijst
Dat mijn zuster er om krijscht
Dan lach ik een beetje in mijn baardje.

Refrein:

Liever dan 'n visch die in een goudzee zwemt
Liever dan een vogel die geen sparen kent
Liever dan een freule
Tineke van Heule
Tineke ons maartje in haar hemd.

Tineke heeft geld noch goedje,
Noch landeke, noch pandeke, noch koetje,
Noch huisje, noch kruisje
Noch een lappeken voor mijn buisje*
Tineke heeft geld noch goedje,
Maar een hemel is haar lach en haar groetje,
Als zij trippelt naar de bron
Met haar emmer in de zon,
En haar klompeken aan haar voetje.

Liever dan 'n visch die in een goudzee zwemt
Liever dan een vogel die geen sparen kent
Liever dan een freule
Tineke van Heule
Tineke ons maartje in haar hemd.

Tineke van Heule mijn minneken,*
Op U staat mijn zoetste zinneken,
U lust ik, u kust' ik.
Op uw harteken bouw en rust ik.
Tineke van Heule mijn minneken
Mijn poezelig dubbel kinneken
Leg uw handeken in de mijn,
En een bruiloft zal het zijn
Van een boer en een schoon boerinneken.

Liever dan 'n visch die in een goudzee zwemt
Liever dan een vogel die geen sparen kent
Liever dan een freule
Tineke van Heule
Tineke ons maartje in haar hemd.


*maartje: meidje, meisje
*buisje: kort nauwsluitend jasje
*minneken: afgeleid van minne (liefde), liefje

'Tineke van Heule' werd op muziek gezet door Emiel Hullebroeck.
Deze laatste leidde de duitsgezinde ‘Kunstenaarsgilde’.




Het puiteke

      
Geen kloef en kletst er*
in krakende kruid
of plompe daar pletst er
een puiteke uit
Men dompelt in 'water
Zo potig ter per
en een kringetje
gaat er een voetje ver

Het schiet er zo stille
en het rept er meteen
Zijn buik en zijn bille
En zijn achterbeen
Het strekt en het strijkt, en
Hoe dieper het duikt
Hoe lomper het lijkt
Hoe dikker gebuikt

Het stribbelt en strevelt,
En eer gij het ziet
Daar kruipt het en krevelt
In 't roerende riet.
Maak maar gedruis, en
Stamp maar één keer
Het zit in zijn kluis, en
Toont zich niet meer


'Het puiteke' doet aan de natuurgedichten van Gezelle denken

*puiteke: puitje, kikkertje
*kloef: klomp




Ik ben van den buiten

Ik kreeg van mijn ouders,
Van ieder mijn part
Van vader mijn schouders
Van moeder mijn hart
Ik vocht om mijn stuiten*
Met zuster en broer.
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer!

Bij d'eigenste pachter,
Eerst koeier dan knecht*
Mijn klakke van achter,*
Mijn hoofd immer recht
Zoo dien 'k om duiten,
En teer op mijn toer;*
Ik ben van den buiten.
Ik ben van den boer!

Ik zout en ik zaaie
Ik eg en ik ploeg
Ik mest en ik maaie
Ik zweet en ik zwoeg,
Ik klets op de kluiten
En glets op de moer.*
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer!

En hebben de zeisens
Gezinderenzind
De mallende meisens
De wagens gepint
Dan zit ik te fluiten
Van boven op 't voer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!


Uit 'Gedichten' - Sijthoff (Leiden).

*stuiten: boterhammen
*koeier: koejongen (hoeder van koeien)
*klakke: pet
*En teer op mijn toer: en vier op mijn beurt
*moer: moerassig land




Geen luid geluid

Geen luid geluid, geen luid geluid
De winter vriest de vreugden uit.
Maakt grond en sneeuw en harten hard
en al de bomen zwart
De hutten staan zo kil en stil
alsof haar elk gesloten wil
daarbinnen dringt de koude maar,
daar uit de dodenbaar

Gebogen hoofds, vereenzaamd droef
Een moeder die haar kind begroef
Sluipt wanhoop d' aarden straten door
en glimlacht als te voor
en glimlacht of zij hoop nog hiet
dat niemand merk haar wrang verdriet,
En draagt uit rouw geen rijker kleed
Maar diep haar dieper leed


Uit 'Gedichten' - Sijthoff (Leiden).



De Bietebauw


Kleine, kleine stouterik,
     zoudt ge moeder tergen?
wacht, ik zal hem roepen, ik,
     uit de zwarte bergen.
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
     grijp, grap, grauw!
         de bietebauw!

Hoor hem, met zijn berenkop,
     op de deuren bonzen.
Krak! hij kruipt een zolder op,
     oei, oei, oei, den onzen!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
     grijp, grap, grauw!
         de bietebauw!

Recht naar bedde komt hij, boe,
     riekt aan de gordijne,
doe maar zeere uw oogjes toe,
     of ge ziet de zijne!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
     grijp, grap, grauw!
         de bietebauw!

Neen, neen, neen! Naar buiten, beest,
     om de stoute knapen!
Moeders kind is braaf geweest;
     kan zoo schoone slapen.
Douw, douw, kindje douw;
Zwicht u voor den bietebauw,
     douw-douw-dijn;
         en zoete zijn.


Uit: 'Gedichten' (1907).



Oogen die het bruin weerkaatst

Oogen, die het bruin weerkaatst
Van uw breede brauwen,
Laat me dieper voor het laatst
In uw donker schouwen.

Teere wittetandenlach
Brekend door mijn denken...
Ach, dat ik geen enklen dag
Aan uw vreugd mag schenken.

Dat mijn neiging nimmer wordt
Wat ze liefde noemen;
Smachtend knopje dat verdort
Onder zware bloemen.


'Uit de diepten' - S.L. van Looy (Amsterdam-1911).



Molenbeeld

Molen draait ten hemel op
Molen draait teraarde neer,
Molen met een kruis er op
Ach, mijn hart doet zeer.

Zwaai ik met een arm omhoog,
'k Zink al met een ander laag.
Hartstocht, die het zeil doorvloog
Blaast nu hijgend traag.

Moet ik steeds in de aarde vast,
Strekken naar de hemel heen?...
Molen, draag uw kruis en last
Trots alleen.


'Uit de diepten' - S.L. van Looy (Amsterdam-1911).



Zeg nooit

Zeg nooit: daar kom of keer ik niet.
Wie weet zijn naasten weg?
Het wondre, dat geen mensch voorziet,
Verijdelt overleg.
En niemand houdt zijn morgen
In zijne hand geborgen.

Zeg nooit: daar kom of keer ik niet,
Noch reken op uw kroost.
Een snelle vreugd baart traag verdriet,
En zuur bezorgde troost.
Wij groeien op, vermindren
En sterven in onze kindren.

Zeg nooit: daar kom of keer ik niet.
Een ieder draagt zijn schuld.
En of gij 't nadert of gij 't vliedt,
Uw noodlot wordt vervuld.
Dan schuil', voor zon verlegen,
Uw ziel in schaduwzegen!


'Uit de diepten' - S.L. van Looy (Amsterdam-1911).



Moederke alleen

Wie zal er ons kindeke douwen*
En doet het zijn moederke niet?
Wie zal er zijn dekentje vouwen
Dat 't schaarsch door een holleken ziet
Kleine, kleine, moederke alleen
Douw, douw, douwderideine;
Kleine moederke alleen
Kan van uw wiegsken niet scheên!*

Wie zal naar ons kindeke kijken,
Dien, bleuzenden, stouten kapoen*
Wie zal er zijn hemdekes strijken,
Zijn haarken in krullekes doen?
Kleine, kleine, moederke alleen,
Douw, douw, douwderideine;
Kleine, kleine, moedeke alleen,
Kan van uw wiegsken niet scheên!

Wie zou voor ons kindeke derven,*
Heur laatste kruimeltje brood?
Wie zou er, wie zou er voor sterven,
En lachen op kind en op dood?
Kleine, kleine, moederke alleen,
Kan van uw wiegsken niet scheên!


Uit 'Verzamelde Gedichten'

*douwen: wiegen
*kapoen: 1)vetgemeste jonge haan 2) hier betekent het bengel
*derven: ontberen, zich onthouden van
*scheên: scheiden




Zal ik zingen voor mijn wijn

Zal ik zingen voor mijn wijn?
Zal ik lachen, zal ik denken?
Zal ik drinken maar en schenken?
Zal ik eenzaam vroolijk zijn?

Die mij haten, hoonen, krenken,
willen mij met edik drenken.
Zal ik treuren vóór mijn wijn?

Zie, zoovele vreugden wenken.
Ria mijn, aan u te denken
jaagt de Schelde door den Rijn.

Droomen zal ik vóór mijn wijn,
drinkend aan uw kussen denken,
neigend u mijn hart uitschenken,
tot den grond, als jongen wijn.

Jonge wijn,
godenwijn!
Liefde kan niet eenzaam zijn.


Uit 'Het boek der liefde', Amsterdam (J.M. Meulenhoff) 1921.



Ik heb u lief

Ik heb u lief, ik heb u lief !
Dat is mijn kus, dat is mijn groet,
dat is de blijdschap in mijn bloed,
dat is elk woord in elke brief,
dat is mijn hart: ik heb u lief.

Ik heb u lief, ik heb u lief !
Dat is mijn zorg, dat is mijn zang,
dat is mijn roem, mijn leven lang.
Slechts Hij, Die mij tot u verhief,
kent gans mijn hart: ik heb u lief !


Uit '27 Nagelaten gedichten', 1937.



"Uit het volgende fragment blijkt zijn vlaamsgezindheid"

Wij houden van trukken noch tirelantijnen,
Heeren van Havere, weet het goed!
Wij zijn Germanen, geen Latijnen,
Opene harten, zuiver bloed!
Heb ik geen recht, ik heb geen land;
Heb ik geen brood, ik heb geen schand;
Vlaanderen, Vlaanderen, met hand en tand
Sta ik recht voor u,
Vecht voor u!


Naar boven

Naar 'Dode-dichterssoos'

Naar 'Poëzieweb' - Poetryweb



Biografie


René de Clercq (Deerlijk 14 november 1877 - Maartensdijk 12 juni 1932) promoveerde aan de Rijksuniversiteit te Gent. Achtereenvolgens was hij leraar te Nijvel, Oostende en Gent. Hij week in het begin van de eerste wereldoorlog uit naar Nederland, waar hij redacteur was van "De Vlaamsche Stem" en leraar aan de Belgische school te Amsterdam. Daarna keerde hij naar bezet België terug en was conservator van het Wiertzmuseum te Brussel. Na de oorlog werd hij ter dood veroordeeld (17 april 1920), omdat hij "te" actief was geweest in het activisme*. Om de uitvoering van het vonnis te ontlopen, vluchtte hij met zijn familie naar Nederland. In het werk van René De Clercq kan men drie perioden onderscheiden. Een eerste idyllische periode getuigde van levenslust. Zijn liederen en gedichten waren hier beïnvloed door de poëzie van Guido Gezelle. Tot zijn betere werken behoren 'Terwe' (verhaal in verzen), 'Liederen voor het volk' en 'Natuur' (1903). In zijn tweede socialistische periode maakte zijn levenslust plaats voor opstandigheid en klaagde hij het sociale onrecht aan ('Toortsen - 1909 en 'Uit de diepten' - 1911). Toch zat hij niet in het schuitje van de Gentse socialisten. In zijn autobiografische roman 'Harmen Riels' (1913) rekende hij zelfs af met de socialistische leider Edouard Anseele. Tevens waren zijn romans uit deze periode meestal minder geslaagd. Zijn belangrijkste bundel is 'De noodhoorn' (1917), waaruit zijn anti-Belgische overtuiging blijkt. Ook 'Het boek der liefde' (1921), met liefdesgedichten, ging niet onopgemerkt voorbij. Tenslotte kende hij een lyrisch-epische periode, met gedichten, bijbelse verhalen, treurspelen en liefdeslyriek. René De Clercq was een flamboyant en hartstochtelijk man. Hij kende dan ook een vrij merkwaardig liefdesleven... Een pittige anekdote is, dat hij en Stijn Streuvels verliefd waren op Marie Delmotte. Streuvels lustte hem rauw, temeer omdat zij uiteindelijk koos voor De Clercq. Zij trouwden in 1903 en zouden drie kinderen krijgen. De dood van zijn vrouw in 1909 was een zware klap voor de dichter. Hij uitte zijn verdriet in de dichtbundel 'Uit de diepten (1911). De Clerck vond echter troost bij de jongste zuster van zijn overleden vrouw, Alice Delmotte. Zij trouwden op 30 mei 1910 en ook zij schonk De Clercq drie kinderen. Na W.O.I vluchtte het echtpaar naar Nederland, waar het zwarte sneeuw zag. De Clercq trachtte er te leven van zijn pen en baatte ook een kunsthandel uit. Hij geraakte echter financieel aan de grond. Zijn vrouw en kinderen keerden terug naar Vlaanderen en hij verviel in een zware depressie. Inmiddels was hij hevig verliefd geworden op Ria Vervoort, een Antwerpse pianiste. Zij hield de boot aanvankelijk af, maar hij bleef aandringen. Hij schreef zelfs liederen en een opera voor haar. De opera zou nooit opgevoerd worden... Uiteindelijk kon hij Ria Vervoort overhalen en zij kwam bij hem wonen in 1924. Zijn nieuwe vlam en muze leverde de inspiratie voor liefdesgedichten en drie bijbelse tragedies ('Kaïn', 'Saul en David' en 'Absalom' ). Tussen de 2 wereldoorlogen kende hij enig succes met sommige van zijn lyrische werken. Tot zijn dood in Sint-Maartensdijk (1932), bleef hij zich inzetten voor Groot-Nederland (de hereniging van België en Nederland).
* Vlaams activisme: het vastberaden ijveren voor de Vlaamse rechten en ontvoogding (1914-1918). De meeste activisten waren niet Duitsgezind, maar maakten gebruik van de oorlogstoestand om hun doel te bereiken. Dit resulteerde ondermeer in de vernederlandsing van de Gentse universiteit. René De Clercq ging echter verder dan de doorsnee-activist. Hij trok af en toe op met de collaborateur August Borms en heulde openlijk met de Duitse bezetter. Dit zou hem na de oorlog zuur opbreken!


Naar boven

Naar 'Dode-dichterssoos'

Naar 'Poëzieweb' - Poetryweb



Bibliografie:


a. Dichtbundels

Gedichten - Kortrijk, Jules Vermaut (1896)
Echo's(1900)
Ideaal - sonnettenkrans (1900)
Liederen voor 't volk (1903)
Natuur (1903)
Gedichten - Amsterdam, S.L. Van Looy (1907)
Toortsen - Amsterdam, S.L. Van Looy (1909)
Uit de diepten - Amsterdam, S.L. Van Looy (1911)
Gedichten, 2e vermeerderde druk, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1911
De zware kroon. Verzen uit den oorlogstijd, Bussum, (C.A.J. Van Dishoeck) 1915
Van aarde en hemel. Steun-uitgave, Amsterdam (L. Simons) 1915
De noodhoorn. Vaderlandsche liederen, Utrecht (Dietsche Stemmen) 1916
Uit zonnige jeugd, Amsterdam (Maatschappij voor Goede en Goedkope Lectuur) z.j. (1916)
Vaderlandsche liederen, Anderlecht (Vlaamsche Drukkerij) z.j. (1917)
Gedichten, derde vermeerderde druk, Amsterdam (S.L. Van Looy) z.j. (1918)
Onze baby's, Amsterdam (De Hooge Brug) 1920
Het boek der liefde, Amsterdam (J.M. Meulenhoff) 1921
Van aarde en hemel, vermeerderde uitgave, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1924
Meidoorn, Amsterdam-Tielt (L.J. Veen - J. Lannoo) z.j. (1925)
De noodhoorn. Vaderlandsche liederen, tweede uitgave, Tielt (J. Lannoo) z.j (1927)
Van aarde en hemel, vermeerderde uitgave, Leiden (A.W. Sijthoff) 1928
De noodhoorn, 4e zeer vermeerderde uitgave, z.p. (Amsterdam in eigen beheer) z.j. (1932)
Nagelaten gedichten, Amsterdam (G. Van Soest) 1937
Overgebleven gedichten, Amsterdam (G. Van Soest) 1937
De noodhoorn. Vaderlandsche liederen, 5e zeer vermeerderde uitgave, Utrecht (Nassau) 1940
De noodhoorn. Vaderlandsche liederen, 6e zeer vermeerderde uitgave, Utrecht (Nassau) 1943
De noodhoorn, facsimile-uitgave van de vijfde druk, Sint-Niklaas (Elza De Clercq 
    in eigen beheer) 1975, 

b. Bloemlezingen

Het beste uit de gedichten van René De Clercq, Zeist (De Torentrans) 1932
René De Clercq. Daar is maar één land... Verzameld door Elza De Clercq en ingeleid 
    door Karel Vertommen, Hasselt (Heideland) 1964
René De Clercq. Liederen, leeft! Verzameld door Elza De Clercq, ingeleid door Wies Moens, 
    (Sint-Niklaas, Elza De Clercq in eigen beheer) z.j. (1977) 

c. Verhalen in verzen

Halewijn's straf, Gent (A. Siffer) 1898
De internationale roeiwedstrijd te Terdonck, Gent (Jong Vlaanderen) z.j. (1900)
De vlasgaard. Landelijk tafereel in verzen, Gent (Alfons Sevens) 1902
Terwe. Een verhaal in verzen, Maldegem (Victor Delille) 1903
De vlasgaard. Een landelijk tafereel in verzen, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1916
Terwe. Een verhaal in verzen, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1916
Tamar. Bijbelsch verhaal in verzen, Antwerpen (Mercurius) 1918
Maria Magdalena. Bijbelsch verhaal in verzen, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1919

d. Verhalend proza

Het Rootland, Leuven (Davidsfonds) z.j. (1913)
Harmen Riels, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1913
Het Rootland, Bussum (Paul Brand) 1917
Het zonnefluitje. Een boek van humor, pseudoniem H.C. Joesken, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1926
Een wijnavond bij dr Aldegraaf, Tielt (J. Lannoo) z.j. (1927) 
Te lande. Een bundel schetsen, Tielt (J. Lannoo) z.j. (1928) 

e. Dramatisch werk

Halewijn. Opera in drie bedrijven en vijf taferelen, in: De Vlaamsche Gids, 2 (1906) 
Gebundeld: 
Kaïn. Treurspel in drie bedrijven 
Saul en David. Treurspel in vijf bedrijven
Absalom. Treurspel in vijf bedrijven 
Zeist (De Torentrans) 1934, 263 pag.




Naar boven

Vlaamse dichters

Nederlandse dichters

Dode-dichterssoos


Homepage


Poëzieweb-Poetryweb: pageviews since/sinds 21-03-2002  

Statist. Poëzieweb-Poetryweb  Free counter and web stats    © Gaston D'Haese: 09-06-2003.
Laatste wijziging 03-11-2009.   E-post: webmaster