Het bad Ginevra |
NARCISAan de boord ener beke Zie ik leliën dromend staan, Wijl golfjens om haar stengels Schuimend gaan. Een rei als van nymfen, Die zich beuren uit de beek, Een rei als van sneeuwwitte bruidjens Zo kuis, zo bleek. En in heur midden heft zich Een enkele narcis, die kwijnt op zijn stengelke Van droevenis. De leliën smachten van minne, Voor die geluwe narcis; Zij geuren haar zoetste geuren, Zo zwoel...zo fris. En de goedgele blomme nijgt zich Steeds verder naar de vliet, Tot hij in de zilvren spiegel Zijn beeldtnis ziet. Zo kou en zo kil in het water... Zijn zoenen prangt De bloem op het beeld, waar minnend Hij over hangt. En de leliën lispelen droeve, Dat nog steeds met des jongelings lust De bloeme zijne beeldtnis Op 't water kust... ![]()
Het debuut van Couperus (1863 - 1923) als dichter, met ondermeer Een lent van vaerzen ![]() HET BAD![]() Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad, En toefde op de eerste treê; heur armen beurden En wrongen 't blonde hair, dat druipend nat Nog van den amber der violen geurde. Hoe 't rozig-blond van 't blozend rozeblad De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde, Terwijl van paerlen vloeyende en omspat, Zij lelie was, die in den dauwe treurde! Daar stond ze, steunende op het slanke been, Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde, Nu de armen hoog de dartle lokken bonden. Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen, Geheel omsluyerd in den korenblonde: Antieke vaas met gouden veile omwonden. ![]() En Lancelot ontwaakte en richtte zich Uit lisch en neêrgeknakte lelies op, En weerde halm en stengel zacht op zij... Het meer, doorschijnend vloeisel van saffier, Lag roerloos in den hellen stralengloed Der zonne en breidde zich, gelijk een zee, Tot tooverachtig-lichten einderstreep, - Azuren lijn, een verren droom gelijk, - Met rhythmiesch rimplen van zijn spiegel uit... En Lancelot zag uit en lachte, want Twee donzen zwanen, - rijk gekroond, een ring Rondom den lelieslanken hals; de wiek Van vloeibre paarlen vocht, zich gracievol Ontplooiend, dreven aan, en achter hen, Een gulden meermin met geschubden staart In vorm gelijkend, gleed een gondel na... Daar rustte zij, Ginevra, in 't gewaad Van zilverblank sindaal, met hermelijn Omzoomd, een sluier weemlend, om heur haar Als draden kronklend goud, - een hel vizioen Van liefde en schoonheid... heur ivoren hand Hing in de plooien van heur wijle omneêr En sleepte in 't water, spelend met een bloem, Die zij liet wieglen, greep, en weder liet... Een enkle knaap zat aan 't omkranste roer En zong een gondellied...Uit 'Williswinde'. ![]() |

