Louis Couperus

Narcis

Het bad

Ginevra

NARCIS

Aan de boord ener beke
Zie ik leliën dromend staan,
Wijl golfjens om haar stengels
Schuimend gaan.

Een rei als van nymfen,
Die zich beuren uit de beek,
Een rei als van sneeuwwitte bruidjens
Zo kuis, zo bleek.

En in heur midden heft zich
Een enkele narcis,
die kwijnt op zijn stengelke
Van droevenis.

De leliŽn smachten van minne,
Voor die geluwe narcis;
Zij geuren haar zoetste geuren,
Zo zwoel...zo fris.

En de goedgele blomme nijgt zich
Steeds verder naar de vliet,
Tot hij in de zilvren spiegel
Zijn beeldtnis ziet.

Zo kou en zo kil in het water...
Zijn zoenen prangt
De bloem op het beeld, waar minnend
Hij over hangt.

En de leliŽn lispelen droeve,
Dat nog steeds met des jongelings lust
De bloeme zijne beeldtnis
Op 't water kust...


Het debuut van Couperus (1863 - 1923) als dichter,
met ondermeer Een lent van vaerzen (1884),
was geen succes...
Willem Kloos raadde hem aan om zich toe te leggen
op proza. Couperus werd dan gaandeweg een goed
en gevierd romanschrijver.


HET BAD

Baadster (1881).
Karel Lodewijk De Kesel 
Zomergem 1849 - Erlangen (Duitsland) 1922.
Olieverf op doek.  
Afmetingen: 182,5 x 86,8 cm.  
Museum voor Schone Kunsten Gent.

Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen 't blonde hair, dat druipend nat
Nog van den amber der violen geurde.

Hoe 't rozig-blond van 't blozend rozeblad
De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,
Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,
Zij lelie was, die in den dauwe treurde!

Daar stond ze, steunende op het slanke been,
Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,
Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.

Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,
Geheel omsluyerd in den korenblonde:
Antieke vaas met gouden veile omwonden.


 GINEVRA

  En Lancelot ontwaakte en richtte zich
 Uit lisch en neêrgeknakte lelies op,
 En weerde halm en stengel zacht op zij...
 Het meer, doorschijnend vloeisel van saffier,
 Lag roerloos in den hellen stralengloed
 Der zonne en breidde zich, gelijk een zee,
 Tot tooverachtig-lichten einderstreep,
 - Azuren lijn, een verren droom gelijk, -
 Met rhythmiesch rimplen van zijn spiegel uit...
 En Lancelot zag uit en lachte, want
 Twee donzen zwanen, - rijk gekroond, een ring
 Rondom den lelieslanken hals; de wiek
 Van vloeibre paarlen vocht, zich gracievol
 Ontplooiend, dreven aan, en achter hen,
 Een gulden meermin met geschubden staart
 In vorm gelijkend, gleed een gondel na...
 Daar rustte zij, Ginevra, in 't gewaad
 Van zilverblank sindaal, met hermelijn
 Omzoomd, een sluier weemlend, om heur haar
 Als draden kronklend goud, - een hel vizioen
 Van liefde en schoonheid... heur ivoren hand
 Hing in de plooien van heur wijle omneêr
 En sleepte in 't water, spelend met een bloem,
 Die zij liet wieglen, greep, en weder liet...
 Een enkle knaap zat aan 't omkranste roer
 En zong een gondellied...


Uit 'Williswinde'.


Naar boven

Louis Couperus - Williswinde

Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 07-10-2003.
Laatste wijziging: 16-09-2017.

E-mail: webmaster