SONNETIk ben in eenzaamheid niet meer alleen,Want waar mijn ogen langs de wanden dwalen Schemert uw lach daarheen. Ontelbre malen Hoor ik in 't klokgetik uw voeten treên. En langzaam nadert gij, zo ver, zo kleen... 'k Zie dat een brede neevlenkring met valen Lichtlozen sluier u omhult; dan dalen Zachtjes uw lichte schreden naar mij heen. Uw adem vaart mij aan! gij zijt verschenen, Ik zie uw ogen in mijn ogen gaan; 'k Hoor in de wind, die langs mijn ruiten henen En door de schouwe klaagt, uw woorden aan, Zó vrees'lijk droef en teer, dat 'k u zie staan, Met bukkend hoofd, om in mijn arm te wenen. ![]() |
Lodewijk van Deyssel behoorde bij 'De tachtigers'. Hij was geen dichter,
maar een prozaschrijver. Toch heeft hij ook enkele gedichten geschreven.
Het bovenstaande sonnet is vrij geslaagd, omdat Willem Kloos enkele verbeteringen
heeft aangebracht, waardoor het vloeiender werd.


