
Op 't landLieve, zie dat lindeloverKlimmen om mijn klemen huis. 't Spreidt er koelte en geuren over, Verre van het stadsgebruis. Enkel schalt daar 't vogelliedje, Enkel suizelt daar het rietje, Enkel ruizelt daar het vlietje Sluimring op het mos, u toe. Enkel klinkt er 't herdersrietje, Of 't geloei der gladde koe. O, daar wilde ik met u leven, Met u, en ons lievend kroost; Daar me reeds naar 't veld begeven, Vóór nog de eerste schemer bloost. Na we de onzen zeegnend kusten, En de zorg in sluimer susten, Zou mij de avond met u lusten, Stil bij de opgeklommen maan, En ik wilde eens met u rusten, Ginder, waar die kruisen staan. Gedichtjes voor kinderen't Weldadige meisje't Was een zeer gestrenge winter; Ieder kruimeltje, hoe kleen, Van de tafel overschietend, Hield Marietje stil byeen: Tweemael daegs ten hove gaende, Strooide ze alles mild daer heen. Daedlyk kwamen om te pikken Er een vogeltje vier vyf. Mietje sidderden de handen, Van de koude bleek en styf, En haer moeder zag vol vreugde Dit menschlievende bedryf, ‘Waerom doet ge dat, o Mietje?’ ‘Moeder, sprak het zoete kind, Zoo gestreng is reeds de winter, Dat geen vogel iets meer vindt. 'k Voede dien, en ik geloove, Dat de kleine my bemint.’ Lachend zeî de goede moeder: ‘Kind, ik pryze dit beschik, Maer gy kunt niet allen voeden.’ En, met liefdevollen blik, Zeide dit beminlyk meisje: ‘Doet elk kindje niet als ik?’ De wederkomst der koeijenWat geloei werd daer vernomen? 't Is de koe die huiswaert gaet, Uit de groene weî gekomen, Van het malsche kruid verzaed. Onze buerman wacht zyn koeijen, Zingend, af; de lekkre melk Zal weldra in d'emmer vloeijen, Tot verzadiging van elk. Hoe kan 't weîgras, dat ze scheeren En dat haer zoo weeldig voedt, In die stroomen melks verkeeren? Dat weet God, die 't wonder doet.1849 ![]() |
Bi(bli)ografienotarisklerk te Laken. In 1826-1827 studeerde hij filosofie aan de Leuvense Universiteit en in 1827 begon hij rechten te studeren in Gent. Zijn eerste publicatie verscheen in 1829, namelijk "Lofdicht op de Nederlandsche tael". Hij schreef vele gelegenheidsgedichten, zoals "De spellingsoorlog" (1842). Van Duyse drong als eerste op literaire vernieuwing aan in "De wanorde en omwenteling op den Vlaemschen Zangberg" (1830). Bij het uitbreken van de revolutie week hij uit naar Nederland, waar een bundel "Gedichten" (1831) verscheen. Na zijn terugkeer in 1831 promoveerde hij in de rechten in 1832. In 1836 werd hij stadsarchivaris te Gent. Andere werken van hem zijn "De Gentsche waterbeul" (1839), "Vaderlandsche poëzy" (1840), "Anton Van Dyck of De reis naar Italië" (1841), "Godfried" (1842), "Natalia" (1842), "De zang van den Germaanschen slaaf" (1848), "Het klaverblad. Romancen, legenden,sagen" (1848), "Gedichtjes voor kinderen" (1849), "Nieuwe kindergedichten" (1849), "Jacob Van Artevelde" (1859) en gedichten in "Nazomer" (1859). Tenslotte schreef hij ook een "Verhandeling over den Nederlandschen versbouw" (2 delen; 1854) Prudens van Duyse overleed te Gent op 13 november 1859. 'De vijfjaarlijkse Staatsprijs voor de Vlaamse letterkunde' viel hem postuum ten deel in 1860. Na zijn dood verschenen nog tien delen "Nagelaten gedichten" (1882-1885). Hoe belangrijk was Prudens Van Duyse als dichter? Van Duyse was een verdediger van het belaagde Nederlands, want de Vlaamse elite sprak toentertijd meestal Frans, vooral in de steden. Alhoewel hij een flamingant was dichtte hij af en toe ook in het Frans. In Nederland was het niveau van de poëzie in de 19e eeuw eerder middelmatig, maar in Vlaanderen was het nog erger gesteld. Prudens Van Duyse pleitte voor literaire vernieuwing, maar kon dit zelf in de praktijk niet waarmaken. Het was wachten geblazen op Guido Gezelle en 'Van nu en straks'. Sommigen noemen hem de laatste rederijker, omdat hij aanvankelijk dichtte in een gezwollen retorische stijl. Later trad er een versobering op, maar zijn gedichten bleven eerder middelmatig en leunden aan bij de melige predikantenpoëzie uit het Noorden. ![]() |

