Duytse Lier II

Duytse Lier III

Jan Luyken - Duytse Lier I Jan Luyken
Duytse Lier (embleem).
Jan (Ioan) Luyken (1649 - 1712).
Dichter, schilder, etser, graveur 
en boekillustrator.
De afbeelding toont een sater met draailier 
in het gezelschap van nimfen (of muzen?).

Embleem (emblematiek): korte spreuk (motto),
afbeelding (pictura) en onderschrift (subscriptio).

Duytse Lier I

Eerste verdeeling

Tweede verdeeling

Derde verdeeling

Vierde verdeeling

Biografie van Jan Luyken

Eerste verdeeling     1


DE liefde is stark genoeg om droefheit te verwinnen; Haar smeulend vuur verdrenkt hy in de vloet der minne.

Courante la Reyne

De liefde blust het leet. Een hart in rouw verdronken,          2 Wordt door zijne vonken, In vreugden door-heet,          3 En gloeit, al was 't van louter staal gesmeet. Een ander hou de Rijnse-wijn, De geesel-sweepen van 't verdriet te zijn, Wanneer mijn zinnen Gaan te gast op minnen, Dan verstuyft mijn droefheyts pijn. De goude Zon verquikt, Als zy in 't uchtent bloozen, De bloejende Roosen Met stralen beblickt, En varsse dauw van haare blaatjes lickt; Noch schoonder smaakten my een toog,          4 Die 'k uyt mijn Amorellaas lippen zoog; Ik smolt in weelden, Als zy my maar streelden, Met een lonkjen van haar oog. O geurige Amstel-bloem! U lippen en uw kaaken,          5 Die als roozen blaaken, Verdienen de roem, En lof, en eer, dat ick se heylig noem; Ja heylig montjen, mocht ik in Een dauw verandert worden, door de min, En eeuwig blijven, Op uw lipjes drijven, 'k Had geen leven in mijn zin.

La Belle Iris

's Uchtens, als het haantje kraayt, Onder 't klappen van zijn wieken, Als den dag begint te krieken, Eer den Huysman ploegt of zaayt,          6 Gaat Lucella bloempjes pluyken, Daar zy 't graatig oog me streelt:          7 & 8 Bloempjes die naar honing ruyken, Daar de lekk're Bey in speelt.          9 O Lucel, wiens bloejend schoon Al het puyk der Velt-godinnen, Praalende komt te overwinnen, Strykende de schoonste kroon,          10 Waart ten troon te zijn verheven, Laat dese oogen-streeldery; Word gy van een lust gedreven Tot de bloemen, gaa met my. Loop niet meer door 't wilde lof,          11 Ga met my in liefdens gaarde, Schoonste Nimph, daar baart ons d' aarde Bloemen van een eelder stof: Die alleen de reuk niet vleyen, Maar het lieffelijk gevoel, Schaffen duysent lekkernyen, Door een streelend geest gewoel. Liefdens-hof, braveert het al,          12 Laat 'et hagelen, laat 'et waajen, Laat den Hemel blixems swaajen, Met een sware donder val, Laat de guure winter beven, Dat al 't geurig-groen bederft, Liefdens bloemen blijven leven, Laat 'et sterven wat 'er sterft.

Weerelts ballet, of Ballet in Hester

Schoonste Clara, zoetste Maagt, Morgen uchtend als het daagt, Als het licht het duyster vaagt, (Gy moet het niet weerstreven) Gaan wy in het groene wout, Vol quinkelerend leven, Leven dat de wetten houd Door liefde in 't hart geschreven.

Twede Ballet
Daar heerst de min, In linden en abelen. 't Graau Mosjen treet          13 Zijn gaatjen, rijs op          14 't Vinkjen dat in Het lange riet loopt speelen, Brandende heet, Maakt met zijn liefste peys;          15 Daar fluyt de Lijster, 't Nachtegaaltje zingt Ter eeren van zijn vrijster, Die rontom hem heene springt; 't Ringel-duyfjen, daar me          16 Sprookjes van vertelt, Dat toont zich in het minnen, Staag te zijn een heeten-helt.

Derde Ballet
Wrang was het Meysjen,          17 Dat dit niet kon raaken, Kout was het vleysjen,          18 Dat dit niet dee blaaken; Zoo het geschiet, Dat gy het eens ziet, 'k Weet u een ongevraagt kusjen zal smaaken.

Courante la Reine

Onzalige eenzaamheyt! Vol quynende ongenuchten,          19 Och! hoe doet gy zuchten, Die al zijn tijt, En schoonste bloem, van 't jeugdig leven slijt! Gy zijt de moeder van 't verdriet, En gunt ons d' allerflaauste weelde niet; Uyt u donker weesen,          20 Kan yder leezen, Dat gy alle vreugden vliet. Gelukkig is zijn staat, Gelukkig is zijn leven, Dien het is gegeven, Door 't zoet gelaat, Van zijn beminde, nooyt te zijn verzaat;          21 Geheyligt zy de kuyse trouw, Wie denkt om swarigheyt, wie denkt om rouw, Als de lipjes kleven? O zalig leven! Daar men 't al om geven zou.

Toon: Amarilli mia bella     22

Wie spant de kroon der schoone, Van 't Godendom, om hoog in 's hemels zalen, Daar duyzend schoone pralen? Wie aars, dan die, die Juno en Bellone aars:          23 De schaamt' spreid op de koone? Als zy cieraden, voor moeder naakt doet wijken, En met d' Appel, en met d' Appel, en met d' Appel gaat strijken.          24 Wech Vrouw Juno, met vlejen, Van heerschappy, van Kroon, en Scepter staven, Van rijkdommen en gaven; Wech Pallas, met uw diepe sufferyen, Die zoete wellust mijen;          25 Een schoon' Helena, den Rechter opgedragen,          26 Kan hem meerder, kan hem meerder, kan hem meerder behagen. Loddere oogen vol lonken,          27 By poezel-naakt, gebootst, van melk en bloede,          28 Doen ysere gemoede, Ja 't koutste hart, met killig staal beklonken          29 In Vrouwe-min ontvonken, En lokken Pares, vol toegestraalde branden,          30 't Gulde twist ooft, 't gulde twist ooft, 't gulde twist ooft uyt de handen. Groote Venus, schoone! Gy spant de kroon om hoog, in 's hemels zalen, Daar duyzent schoone pralen; Gy spreit de schaampte, als rozen op de kone, Van Juno, en Bellone,          31 Als gy cieraden, voor moeder-naakt doet wijken, En met d' Appel, en met d' Appel, en met d' Appel gaat strijken.

Woordverklaring: 1 Het thema van de eerste verdeling is de universele kracht van de liefde. 2 rouw: verdriet 3 door-heet: door en door verhit 4 toog: teug 5 kaaken: wangen 6 Huysman: hier betekent het boer 7 graatig: gretig 8 me: mee 9 lekk're: snoepgrage 10 Strykende: Ervandoor gaande met 11 't wilde lof: de wilde natuur 12 braveert: trotseert, overtreft 13 Mosjen: musje. Mosjen treet gaatjen: paart met zijn wijfje 14 rijs op rijs: keer op keer 15 Maakt peys: Wordt het eens 16 me: men 17 Wrang: Zuur 18 vleysjen: vleesje, lijfje 19 quynende ongenuchten: ongenoegens waardoor men wegkwijnt 20 donker weesen: somber voorkomen 21 verzaat: verzadigd 22 Amarylli (Griekse mythologie): Amaryllis was een mooie herderin 23 aars (anders) Juno: oppergodin, echtgenote van Jupiter, godin van macht en huwelijk Bellone: de Romeinse godin van wijsheid en krijgsroem 24 Appel: Paris moest oordelen wie de mooiste godin was. Hera, Athena of Aphrodite. Hij koos Aphrodite en haalde zo de vijandschap van de 2 andere godinnen op de hals 25 mijen: schuwen 26 Een schoon' Helena, den Rechter opgedragen: de mooie Helena van Troje werd aangeboden aan Paris 27 Loddere: aanlokkelijke 28 gebootst: geboetseerd 29 met killig staal beklonken: met een beslag van kil staal 30 En lokken Pares, vol toegestraalde branden: Paris die in vuur en vlam is gezet Paris (Griekse mythol.) was een zoon van de Trojaanse koning Priamos en diens gemalin Hekabe. Paris verleidde de Trojaanse Helena 31 Juno: Romeinse godin van het huwelijk. Bellone: Romeinse oorlogsgodin (zuster van Mars)

Twede verdeeling     1


Een hart dat brand van dorst, en slijt de tijd met wachten, Naar lessing, quijnt, en moet ten langen laaste smachten.

In 't vuyr stak my de liefd' eerst aan: De liefde de my 't harte branden,          2 Mijn leven staat in zijne handen, Hy moet mijn gloet weer uyt doen gaan; Of doet hy 't niet, ik ga te schanden, Door min viel ik de vlam ten buyt, Mijn troost schuylt in zijn volle kaaken,          3 Blaast hy niet toe, zoo moet ik blaken, De heele tijd mijns levens uyt, Tot dat ik aan het end zal raken.

Reveille vous belle endormie

Een straal uyt Leonoraas oogen,          4 Noch bruynder dan den dyamant;          5 Stak door een heymelijk vermoogen Mijn jeugdig hart in lichte brand. Blaas uyt, blaas uyt, Leonore! Blaas uyt de vlam die my verteert; Een vlam uyt uw gezicht geboore, Gezicht dat Zon en Maan braveert.          6 Dan doe my vry al weder blaken, Nu blus, nu blaak, nu blus weer uyt, Tot dat ik aan het end zal raken, Tot dat de dood mijn leven sluyt. Of lust het u dat ik zal quynen, En smelten door dien zelven gloet, Die Echo de tot lucht verdwynen,          7 & 8 Ontbeent, ontspiert, ontvleest, ontbloot.          9 Och! lust u dat, dan hoor my zingen, Wat Nazo van Narcissus zong:          10 Hoe trotzen hare loon ontfingen;          11 Hoe straf altijd den hoogmoet dwong. Narcissus was een schoone jongen, Op 't jagen snelder dan de wint,          12 Van Echo, die zich vond gedwongen, Tot liefde, laas! te veel bemint. Noyt wou hy 't Nimphjes hette blussen, Verachting was haar prijnens dank;          13 Nooyt wou hy haar tot troost eens kussen, Dies smoltse, en bleef niet dan een klank.          14 Een klank die in de wilde plaatzen, In bos, en bergen zich versteekt:          15 En niet en doet dan woorden kaatzen, Wanneer der ymant zingt of spreekt. Dit wou den goeden hemel wreeken, Zy deed hem 's uchtens voor den daauw, Zoo hy zich spiegelde in de beeken, Verlieven op zijn eygen schaauw.          16 Die liet hem dus elendig klagen: dus: aldus O Minnaars-bossen, zaagt gy ooyt Minnaars          17 Een Vryer zoo elendig plagen, Door liefde, als my? 'k geloove nooyt. Daar zijn geen bergen die ons scheyden, Geen bossen; neen: niet anders als Een weynig waters tusschen beyden, Belet my dat ik u omhals. Och! kom 'er uyt, puyk der knapen!          18 Veracht my om uw schoonheyt niet, 'k Ben me noch jong, en wel geschapen,          19 De Nimphjes wenschen my in 't riet. De tranen dreven uyt zijne ogen, Langs 't aanzicht, in de glaze beek, Zoo dat het water wierdt bewogen, En hem zijn beeltenis ontweek. Toen riep hy, als van hoop versteeken,          20 Waar vliet, waar vliet gy doch zoo snel? Toef noch een weynig, hoor my spreeken, Hoe zijt gy toch zo wreet, zo fel! Verlaat my niet, met voort te spoeden, Laat ik (dewijl 't niet mach geschien, Dat ik u raak) mijn lusten voeden, En vleyen met u slechs te zien. Maar als hy 't beeld nu zach verdwenen, En dat het ook niet weder quam, Begost hy deerlijk te weenen, Terwijl zijn jeugd een eynde nam. Hy smolt als sneeuw, in zonne-schijnen, Zoo als hy lach op 't groene kruyt, Men zach zijn schoonigheyt verdwijnen; Hy sturf, en blies het leven uyt.

Esprits quiscupires,
& O nuict jalouze nuict

Kom weste windtje, dat de bladertjes doet beven,       21 En zieltjes zuchten helpt, als gy zoo naar en zacht,      22 & 23 Door duyzend telgjes heen, komt fluysterende sweven, En zoeltjes gonzen, in het donk're bos by nacht, Kom, neem mijn zuchten op uwe uytgespreyde wicken,         24 En tuytze in Felaas oor, ( Fela! schoon van aart,         25 En wit van deugde) en zech hoe Pooles, voor het kricken,        26 Des Rooden dageraats, om hare hof-stee waart. Zech, hoe haar af-zijn, hem doet branden, door verlangen, Hoe hy by donk're maan, in guurte, wint, en weer, Zijn droeve luyt vermengt met klagende gezangen, Terwijl zy lecht en droomt, gedooken in de veer.          27 Zech, hoe de liefde hem zijn harsenen doet dwalen; Hoe hy Natura noemt, den oorzaak van zijn pijn,          28 Wijl hy niet vliegen kan; hoe dat hy menig malen Met Philomela wenscht, een Nachtegaal te zijn. Een Nachtegaal om, op den Ypenboom gevlogen, Die met zijn blad'ren voor haar slaapkoets uytzicht speelt, Haar lof te zingen, en een bloote krop te beoogen,        29 Of schoer, of arm, terwijl de slaap hare oogen streelt.       30 Zech, hoe de Nijt hem knaagt, hoe zy hem 't hart doet breken,   31 Wanneer de nuchtere zon, door wien het alles leeft;        32 Met held're straalen, door het klaare glas koomt steeken, En haar, terwijl zy slaapt, een morgen-kusjen geeft. Zech, weste-wint, hoe hy haar zelver liever kusten; Vlieg heen, en trek, ay trek uw snelste vleugelen an, En zech, hoe Pooles van zijn Fela niet kan rusten, Hoe Pooles, zonder haar gezicht, niet leven kan.          33

La Belle Iris

Rozelinde, trotze Maagt,          34 Eelste schepzel van natuure, (Wist u hart en ziel van vuure) Daar de kuysheyt roem op draagt; Slaat, ay sla voor 't laatst uw oogen, Daar de Majesteyt uyt blinkt, Op Arnoldo, die gebogen, Voor uw schoot, in rouw verdrinkt. Zachte Nimphen, harde klip,          35 Zie de zilte trane-peer'len, Langs uw Minnaars wange dweer'len, Op een bleeke ontgloeyde lip; Hemel, och! ik moet versmachten, Wijl de straffe Rozelindt, Palder staat voor al mijn klachten, Dan een Yk voor weer en windt. Rozelinda die my schend,          36 Wijl gy dan uwe ooge leden, En uw mededogendheden, Van Arnoldo hebt gewent, Gun dan dat hy voor het laatste Eens uw lippen raken mach, Daar mee gaat hy naar 't verbaaste          37 Onderaardze, zonder dach. Daar de wrede Belial          38 Duyzend, duyzende van zielen, Die 'er door malkander krielen, Langs de grazelooze wal, Drijft met zijne geesel-roeden, Naar het Tarterkuylze-veer.          39 Daar mach elk ter helle spoeden; Maar men keert 'er nimmer weer. Daar zal mijn bedroefde geest, Fel geteystert, en geslagen, Swaar belaan met duyzend plagen, (Hemel waar ik nooyt geweest!) Door de na berouze-baaren,          40 Swart als pek, en heet als vuur, Met een swerm ter helle vaaren; Och! die liefde staat my duur. Vaar dan wel mijn Rozelind, Harder dan de steyle klippen: Vaar dan wel, mijn geest gaat glippen, Daarze nimmer zon licht vind; Strak zult gy dit staal zien rooken, Van u minnaars laauwe bloed, Als het hart is doorgebrooken, Daar hy Rozelinde in voet.          41

Liefde doet klagen

Och hoe is mijn lot zoo wreet! Van rampen te zamen gesmeet; Appelona hoe lang          42 Zult gy blijven zo stuurs, zo wrang? Hoe lang al even trots? Gelijk als een harde rots, Die 't zee-gewelt op zijne borst doet breeken; Zo wrevel staat gy, voor mijn zuchte en smeeken. Hoe dikmaal zach my de Maan, Voor uw vensteren waaren gaan;          43 In het diepste der nacht, En aanhoorden mijn minne-klacht: Dan lacht gy zacht en sliep,          44 Terwijl Greomandus riep: O Tralien! zoo wreet, als uw Meest'resse, Waarom belet gy my mijn dorst te lesse.

Toon: Houw Charon, houw

Antiopana, lief, mocht ik raaken U malse lippen, of uw zachte kaaken, Mijn ziel verliet dit lichaam, en zy bleef Als morgen dauw, aan zulke rozen hangen, Mijn schoone, ay laaf, ay laaf eens mijn verlangen, Terwijl ik leef. Antiopana ziet uw Minnaar stikken, In zuyv're minne-gloet, de laaste snikken Van 't quijnend hart, zijn voor de bleeke mont. Weerhoud u woeden: ay heb medelijden, Met Argidon; helaas! moet hy dan glijden Naar Achrons gront.          45 Och straffe Nimph! kunt gy de tran'ge vlieten, Die biglend langs u Minnaars wangen schieten, Zoo koel ontfangen, op een hart van steen? Kan 't by zo schoon een Nimphje moochlijk wezen, Het geen de Hel onmoochlijk was voor dezen?          46 Waar wil dit heen? Zag ik u lief gezicht een traan ontslippen, Mijn ziel zat daad'lijk op de dootze lippen; Want aan uw ogen is zy vast vertuyt;          47 Ja schoone, daar den uchtend voor moet dijzen,          48 Liet gy een zuchjen uyt uw boezem rijzen, Dan vloogzer uyt. vloogzer:          49 Maar gy, wrede! bind my eerst met koorden, En poogt my dan gevankelijk te moorden;          50 Hoe zal de Fama noch, van wint gejaagt,          51 Zoo ys'lijk gieren in mijns vaders ooren: Den jongen Argidon die gaat verlooren, Dat door een Maagd.          52

Een dolheyt noemt men trouw

Toon: Anakreon.
't IS een vermaak, 't is een vermaak, te minnen; Ik schat die vreughd veel hooger dan het gout; Wanneer de Nimph, niet al te stuurs van zinnen, Met weder-liefde u toe kaatst, als in 't wout Vrou Echo, door het pijpen van een harder          53 Getart, getergt, By 't rijzende gebergt, Haar weerklank hooren laat, Zoo lang het fluitjen gaat. Men vind 'er die, men vind 'er die, als zotten, Haar jonge jeugt verzuchten, zonder maat, Om Maagden, die met hun verdienste spotten; Dat is een min, die my voor 't voor-hooft slaat, Hy doe 't wie wil, ik acht hem niet rechtschapen; 't Is zotterny, Te blyven in de ly,          54 Men spil de gulde jeugt, Zoo lang zy bloey, met vreugt. Als ik bemin, als ik bemin een schoone, Ik buyg my neer, en bie mijn diensten aan: Maar zo zy my geen gunsten wil betoone, En lange een tijd laat zonder weer-min gaan, Ik scheyd 'er van, ik laatze, ik spoel die minne, Ik spoel die smart, Slechs rustig van het hart, Met eene kroes vol wijn, Geswollen aan den Rijn.          55 Woordverklaring: 1 De tweede verdeling wijst op de behoefte van een verliefd hart om wederliefde te krijgen. Als dit niet gebeurt, dan kwijnt de verliefde persoon weg. 2 de: deed 3 kaaken: wangen 4 Leonoraas: reminiscentie aan Hoofts zang "Leonor, mijn lieve licht" 5 Noch bruynder: met nog meer gloed 6 Gezicht: Ogen braveert: trotseert 7 Echo: de nimf Echo was verliefd op Narcissus. Toen deze haar liefde niet beantwoordde, kwijnde ze weg totdat alleen haar stem overbleef. De goddelijke straf voor Narcissus bestond hieruit, dat hij verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld. 8 de: deed 9 ontbloot - lees: ontbloet 10 Nazo: de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso, die het verhaal van Echo en Narcissus beschrijft 11 trotzen: weerspannigen 12 Op 't jagen: bij het jagen 13 prijnens - lees: pijnens haar pijnens dank: de dank voor haar inspanningen 14 Dies: daarom 15 zich versteekt: zich verbergt 16 schaauw (schaduw): spiegelbeeld 17 O Minnaars-bossen: bossen waarin minnaars verblijven 18 puyk der: schoonste der 19 me: ook 20 versteeken: verstoken 21 weste windtje: Zephir, de westenwind, wordt voorgesteld als liefdesbode 22 zieltjes zuchten helpt: verwijzing naar de titel. 'Esprits qui scupires' scupires=soupirez. Soupirer vers=verlangen naar. Esprits qui soupirent. Geesten die verlangen (smachten). 23 naar: geheimzinnig 24 wicken: wieken, vleugels 25 tuytze: doe ze tuiten (klinken) 26 kricken: krieken 27 in de veer: in de veren - in bed 28 Natura: Moeder Natuur 29 krop: keel, bovenkant van de boezem 30 schoer: schouder 31 Nijt: afgunst 32 nuchtere: pas ontwaakt 33 zonder haar gezicht: als hij haar niet ziet 34 trotze: ongenaakbare 35 Nimphen (lees Nimphe): nimfen zijn mythologische meisjes die bossen, rivieren, enz. bewoonden. Bekoorlijk meisje 36 schend: te gronde richt 37 verbaaste: in ontzetting verkerende 38 Belial: duivel. In de Dode Zeerollen staat hij beschreven als de leider van alle zonen der duisternis 39 Tarterkuylze-veer: het veer naar de kuil van de Tartaros (de helleput) 40 na berouze-baaren: golven van het berouw 41 voet: koestert 42 Appelona: verwijzing naar Appelona Pynbergs 43 waaren: ronddolen 44 Dan ... sliep: Dan lag jij zacht te slapen 45 Achrons gront: de bodem van de doodsrivier 46 onmoochlijk: Hades, de god van de onderwereld had zich ooit wl laten vermurwen, namelijk door Orpheus 47 vertuyt: verbonden 48 dijzen (deinzen): terugwijken 49 vloog ze er; ze is Argidons ziel, die zich met de geliefde wil verenigen 50 gevankelijk: als ik gevangen ben 51 de Fama: het Gerucht 52 Dat: en wel 53 pijpen: fluiten 54 in de ly: in het (lijden) liefdesverdriet 55 Geswollen: gerijpt

Derde verdeling     1

IS 't Maagden hartjen, meer dan 's Iongelings, van steen, Of staal? Wie oordeel heeft, die zegge met my neen.
Ik brande en braak vast vlam en vonken:          2 Mijn koolen worden root als gout: Mijn stookebrand is hard en kout, Van staal en yzer t'zaam geklonken: Maar zo zy lang mijn hart doorwroet, Betaalt zy 't met een heete gloet, Die mijne vlammen uyt dorft tarten;          3 Het Nimphjen is der liefden tang;          4 De weerschijn van geblaakte harten, Brengt koude en hartheyt in bedwang.
De liefde nam my in sijn handen,          5 En lei door my een vuurtjen aan: Daar bleef hy, sonder wijken staan, Tot dat het lichterlage branden.          6 Nu ziet eens wat de loosheid doet,          7 Hy maakt my gloeiende in de gloed, Dien ik (helaas wie kan 't belette!) Zelf stookten, door zijn wrede hand. Wie met het vuur speeld voelt de hette: Wie 't vreest, die hou zich aan een kant.

Waar toe geveinst

Sofonie.
Allerschoonste Maagdelijn, Zoeter dan een kroes vol wijn, Gy spand de kroon Van 't bloejend schoon Der maagden, Die haar spieg'len in de glazen Amstelstroom. Uw byzijn haagt my meer Als 't zonne-schijntje, in het koude Winter-weer: Wat vreemder schroom Kan met zijn hand Uw kloek verstand Weerhoude, Van te smullen liefdens varse bruilofs room. Toen ik 't eerste by u quam Staakt gy my in lichte vlam, Door 't stralend licht Van uw gezicht,          8 Vol vonken: Heeft de weerschijn noch niet op uw hart geblikt?          9 Heeft zy 't noch niet ontkoelt? Zy heeft: maar gy en wilt niet weten, Dat gy voelt Hoe liefde prikt, Dat is niet reins,          10 Met een geveins Bezeten, Quijntge, wijl uw Minnaar in verlangen stikt. 't Smeulend vuur, dat in uw hart, Al te naauw beslooten ward, Dat heeft al lang Uw bleeke wang Doen gloeien, En de lusten van uw grage ziel verran. Wat dicht gy in uw zin? Dat schoonte, en kuisheid gaat te gronde Door de min? 't Is dwaze waan De min is zoet, En nut en goet, Geen zonden, Als men blijft op 's Hemels goude Wetten staan.

Is anders als gy meent

Ballet du Roy
Zo var In het woeste wilde Groene Woud, Heel bar, Zat schoone Gullamilde, Treurig, droevig, en benoud, Verlaten, heel alleen, En schreyde op eene steen. O wreedart! (riep zy) ! Beloont gy zo Gulle liefde! 't is te sno,          11 Hoe zijt gy zo verwaten?          12 Kund gy haten, En verlaten, Die zo vaak Voor desen was uw allergroost vermaak? Ach! ik bid den hoogen Hemel dan om wraak. Ga heen O steen En laat uw lief alleen, Tot in het graf; Maer dat den Hemel uwe boosheyd straf. Zo haast Zy dees reden eynde, Wiert zy gans Verbaast,          13 Wijl Mierus geest, die quijnde,          14 Haar verscheen met eene krans, Van een Cypressen tak,          15 Hy zuchten, en hy sprak: Staak, Gullamilde, staak Uw lust tot wraak, Mierus is getrouheyts baak.          16 Denk niet dat ik verwaten, U kon laten, Minder haten, Gullamild, Want t' uwer min heb ik mijn lijf gespild. Och, ik quijnde, als vader my van u onthild. Ik zucht, En vlucht, Uit louter ongenucht, Tot in de dood, Als met mijn bloed de ziel ten wonde uit vlood. Dus sloot Mierus geest zijn woorden Zo hy rees,          17 En vlood Gelijk de wind van 't noorden, Als een pijlschacht van een pees,          18 Toen riepse, als in een droom; Toef, Mierus, toef, ik koom, Ik volg u achter aan, Ay blijf wat staan, Want ik kan zo snel niet gaan. 'k Kan u niet achterhalen, 'k Sal verdwalen, Blijf wat dralen; Hier mee was Gullamilde aan het swijmen in het gras, Tot de dood de rozen van haar lippen las. Noch riep, Noch liep, Haar stem zo ver, zo diep In 't bosch, heel droef. Al 't wilde woud riep: Mierus, toef, ay toef.

Getrouwe tot in der dood

Repicabam
Wrede Vader, Die my het leven gaf, Gy naamt my meerder dan het leven af, Gy naamt my meerder dan het leven af, Gy knaagt mijn hart met tanden, schanden! En schopt my levende in het duister graf, En schopt my levend, En schopt my levende in het duister graf. Och! wat waant gy? Dat ik door Status trou, Mijn Palmaarts liefde wel vergeten zou, Mijn Palmaarts liefde wel vergeten zou? Eer smelt ik, trots uw wanen, in tranen, Eer zal ik smoren in mijn eigen rou, Eer zal ik smoren, Eer zal ik smoren in mijn eige rou. 't Is verloren Noch Scepter-staf, noch Throon, Noch al de prachten van des konings Troon, Noch al de prachten van des konings Troon Vermogen nooit mijn zinnen, te winnen, 't Moest alles buigen voor mijn minnaars schoon, 't Moest alles buigen 't Moest alles buigen voor mijn minnaars schoon. 'k Wraak het leven Wraak: Verwerp Sunt ik dat schone hooft,          19 Door blinde Staatzucht zag van 't lijf geklooft,          20 Door blinde Staatzucht zag van 't lijf geklooft, Zach bleek en vuil van bloede, o woede! Die my by wijlen van geduld berooft,          21 Die my by wijlen Die my by wijlen van geduld berooft. Blinde Staatzucht Zo boos, zo fors, zo fel, O oudste dochter van de wrede hel! O oudste dochter van de wrede hel! Wat brout gy door uw schenden, elenden, Gy brengt de menschen in een diep gequel Gy brengt de menschen. Gy brengt de menschen in een diep gequel. Hogen Hemel Weegt goud dan meer als deugd? Is rijkdom waarder als een schone jeugt! Is rijkdom waarder als een schone jeugt! Kan dit de reden lijden! tijden! Die zo verdurven, zo veel quaat vermeugt, Die so verdurven, Die so verdurven, so veel quaat vermeugt. Troutste Minnaar Ik schaam my waar ik sta. Wie kan het weren, dat ik tot u ga? Wie kan het weren dat ik tot u ga? Ik wil het leven derven, en sterven. Ja sterf bedroefde, en volg uw minnaar na, Ja sterf bedroefde, Ja sterf bedroefde, en volg uw minnaar na.

Ongeveynst

Courante la Bare Drusella hoe! waer wil dit heen? De schaamte strooit haar rosen op mijn kaken. Zult gy so licht in liefde blaken? Zult gy u selven so vergeten? Neen. En waarom niet? mijn min is goet. Hy schaam sich, die als Cannus suster woed. Mijn lust weerstreeft de wet niet van nature Een schoner gloed Doet dese boesem vure Vol van edel bloet. Gy hoeft, allerkuyste Maan, Uw aanzicht niet met nevel te bedekken, Oft' uwe horens weg te trekken, In 't duister, als gy eertijds hebt gedaan, Wanneer Cyniras onbewust, Zijn dochters gijle, en gruwelijke lust, Uitblusten, daar 's haar moeders plaats bekleden          22 Op 't ledekant. Dat was geen min met reden, Maar een helsche brand. Ik min niet als die dwase maagt Die, op een stier verlieft, alleen ging dwalen In 't bosch, op bergen, en in dalen, Door Crete, van een dolle min geplaagd. Terwijl haar vryer by den stroom, In schaduw van een bruinen Eekelboom, Eerkauwende, op een zachte maybloem rusten. Of't grazen moe, Zijn heete minne blusten Met een jonge koe. Mijn minnaar is geen stier, o neen. Een jongeling nog schoonder dan den dage Die kon mijn trotse ziel behagen, Die streek met al mijn gunst en vryheid heen, Zijn wezen speelt my in de zin, Natuur en reden dwong my tot de min, Wie kan hem zien, en na zijn gunst niet haken? Zijn brave swier Zou 't koudste Nimphjen blaken Met een gloeiend vier.

Licht aan brand

Duifjen in de hazelaren, Stak door lonkjes lodderzoet, Tirsus hart in lichte gloed, Die sijn lipjens op de hare Klevende in haar kropjen wroed,          23 Haakt het los, en streelt die hoogjes,          24 Zo gekoestert, zo gevlijd, Luikt sy swymende haar oogjes, Daar mee was' haar maagdom quijt. Korte vreugt, en lang berouwen, Vreugje van een ogenblik, Schande, schaemte, spijt en schrik, Weet gy onder een te brouwen. Jonge zieltjes vlucht tot trouwen, Heb dan sonder schande of schroom, Zonder zonden, zonder schrikken, Duizent van zulke ogenblikken,
Woordverklaring: 1 De derde verdeling laat zien dat jonge vrouwen evenzeer verliefd worden als jonge mannen. 2 Het vuur is een metafoor voor de minnaar 3 tarten: uitdagen; hier betekent het uitdoven, blussen 4 Nimphjen: nimfjes (nimfen) zijn mythologische meisjes die bossen, rivieren, enz. bewoonden. Bekoorlijk meisje. Luyken noemt de huwbare meisjes 'Amstel-Nimphjes' 5 liefde: de liefdesgod Amor 6 lichterlage branden: in lichterlaaie 7 loosheid: listigheid (van Amor) 8 gezicht: ogen 9 geblikt: gestraald 10 reins: eerlijk 11 sno: boosaardig 12 Hoe... verwaten: Hoe kun je zo arrogant zijn 13 Verbaast: Ontsteld 14 Mierus: Gullamilde wil de schim van Mierus achterna, die voor haar stierf 15 Cypressen tak: symbool van de dood 16 getrouheyts baak: een toonbeeld van trouw 17 Zo: Toen 18 Als een pijlschacht van een pees: Als een pijl uit een boog 19 Sunt: Sinds 20 Staatzucht: het staatsbelang 21 geduld: vermogen om te verdragen 22 's - lees: se 23 kropjen: keeltje, bovenzijde van de boezem 24 hoogjes: heuveltjes

Vierde verdeling    1


't Staat vast: ten ware door een Goddelijk bewegen,      2 Den grooten Baijert had noch ongeschikt gelegen.        3 & 4

De varsemelk, gestreelt uit volle prammen          5 Stremt, door een stadiglijk geroer, Tot geele boter, die den Boer Ter marte vijlt, waar stedelinge op vlammen.          6 So karnt, zo roert de liefde in jonge harten, Met hopen, duchten, zoet en zuur, Het staag bewegen baart een vuur, Dat vuur groeit aan, en baart gewenste smarten; Tot datse, als room, ten laatste samen stremmen, In eene klomp, tot man en vrouw, Gebreydelt met de vaste Trouw, Door kuyse min in volle weelde swemmen.

Toon: Periosta die met trage

Ter middernacht, by soete somertijt, Zag Veldenrijk de blanke en volle Maan, Haar spiegelen in den Rijn, daer hy so wijd Zo ver van huis, op 't kantjen sat. De blan Des wilgenbooms, die ruysten met de vliet, Terwijl hy fluyte, en tuyte, en song dit lied: Den Reiger mind, met d' Elseboom; De waterwilg den oever van een stroom: Den roden Denne en Yp, beminnen 't koel, De steenklip, haagt d' onvruchtbare Elsche boom;          7 Op heuvels heeft de druif sijn beste tier;          8 Maar Veldenrijk bemint sijn Dianier. Gelijk de room van eenen rijken boer, Die 't gratig vee op vette weiden weid,          9 Tot boter word, door karnen, door geroer; Zo hebbe ik ook, met stage minnevlijd, Het trotse hart, van mijne Dianier Geroert, gemaakt van ys, tot vlammend vier. Als ik wel eer een kusjen, met gevley Van haar versocht, dan stak haar gramschap op. Ze vloodme, en was my harder dan een ky, Zo spits als riet, en bitterder dan Hop; Ia wrevelder als een getrede slang, Ick suchte, en quijnde, en 't leven viel my bang. Nu werpt sy my met eekels, of verhaast          10 My onversiens, en graastme in 't jeugdig groen.          11 Wy went'len op een sachte maybloem. Laast (O dat het lot my veel die gunst wou doen) Zach ik een deel van 't geen haet keurs bedekt,          12 Welks heugenis mijn minne vuur herwekt. Mijn Dianier steekt by de maagden uit, In schoonheit, als den hogen Eekelboom In 't Lindebos; als d' Els by 't lage kruit. s' Is klaarder dan den gulden Ysselstroom Den Rijn die snel langs haren over schiet,          13 Haalt met heur loop by hare snelheit niet. Haar byzijn is my soeter dan de schaauw Eens lindebooms, op 't heetste van den dag, Zo gaau ik haer kom naderen, so gaau Begroet sy my met lonkjes, met gelag. Zy neemt mijn hooft ( hagelijk vermaak!)          14 In bei haar hande, en kust mijn voorhooft, mont, of kaak. Dus song den knaap, en voer al lustig voort,
Wanneer den Haan zijn wikken rekte, en luid          15 Den dageraad aankraaiden, 't geen men hoort, Een mijleweegs, daar 't bos den klank niet stuit. Toen stak hy straks het fluitjen in zijn zak,          16 En ging na huis ten velde in met gemak.

De Liefde boud een Hemel

Toon: Amarillitje mijn vriendin.
Nimphjen als ik 'er uw oogjes zo zoet, So lief, zo lodder, vol heldere gloed,          17 Bekijke, zo vliegt 'er mijn zieltjen gebuid          18 Op wiekjens van zuchjes ten aderen uit. Dan blijft het hangen als 't Byelijn doet, Aan kaakjes of lipjes, vol gloejend bloed, Of kropjen, dat sacht op en neder geaamt,          19 Met blankheit de mellik en lely beschaamt. Ay zoete Nimphje wanneer 't eens rust Op 't mondeken, daar 't zijn vlammetjes blust, In stroompjes van Necter en zuchtende wind, Zo zuig het na 't hartjen, het geen het bemind. Laat 'et daar wonen, en geef uwe mijn, Zo worden wy Bruigom en Bruidelijn; En smelten de zieltjes te samen gerust, En slijten de nachjes en daagjes met lust. De blijde daagjes met lonkjes en praat, De nachjes met lekker dat minne verzaad, Waar voor men niet keuren zou perel noch goud,          20 Dat 's 't Hemeltjen hier op der aarden geboud.

Ter Bruiloft van K. de Vree

Toon: Delifian lief; ai laat uw straffe woorden, &c.
O Schone min, hoe ken ik u verbeelden? Gy spant de kroon van alle lust en weelden. Schoon my 't geluk met gonst quam bieden aan, Al wat een mensch kan in zijn hooft besluiten Tot vreugt, en 't zoet der minne bleef 'er buiten, 'k Zou dat versmaan. Veel liever wooud ik op de dorre stranden          21 In eenen hut, geboud van Vissers handen, By 't yslijk gonsen van de bare Zee,          22 En 't nare huilen van de woede winden, Met eene wederga, die mijn ziel beminden In rust en vree. Van dit geloof was ook de Vree beseten, Al lang genoeg de goude tijd versleten, In 't eenig leven, zonder wederga:          23 Zo dacht hy; en het was op gront en reden. Wie moed heeft, oog op siin gewisse treden En volg hem na.

Courante la Bare

Vaar wel mijn hals-vrund, in den staat,          24 Daar u 't geval-lot nu heeft toe gedreven Nu gy het vroolijk Vryers leven, Om beter vreugt, voor eeuwiglijk verlaat; De stijve vree-zuyl stut uw huys,          25 De schoone Hemel geef u weynig kruys;          26 Dat vreugd en deugd staag aangroey en vermeere, Zoo mach uw Trouw          27 De nijd braveren,          28 Die 't graag anders wouw.

Toon: Hooger Doris,
niet mijn gloetje, &c.

Filiana, konje 't minnen,          29 Hadje 't lekker eens gesmaakt, Ik Weet je wierd in de blanke krop geblaakt Van een vuurtje dat vinnig raakt, Dat queelen,          30 Dat eele, Smart heele          31 Door speelen, En streelen, Komt zoetheyts kroon te winnen: Nergens binnen binnen: zijn Zulke zinnen, Die deez' wellust niet vermaakt.

La Belle Iris

Mont op mont, en hart op hart, Naar de wetten van Godt Hymen,          32 Tot de zieltjes t'zamen swymen; Allerzoetste minne-smart! Wie u eenmaal komt te smaken, Acht geen and're lekkerny; Al wat leeft, en sweeft, moet blaken, In de liefelijke ly.          33 Al de Nimphjes die de Min, En haar lekkerny verachten, Spreeken tegens haar gedachten, Anders leyd het in haar zin;          34 Of zy waren niet rechtschapen.          35 't Heele schepzel voelt dien brand;          36 Tegens liefden is geen wapen, Maagde liefden is geen schand.
Woordverklaring: 1 De vierde verdeling gaat over de kracht van de liefde die de hele schepping ordent en aaneenhoudt. 2 ten ware: was het niet 3 Baijert: chaos, die aan de schepping vooraf gaat 4 ongeschikt: ongeordend 5 prammen: uiers 6 vijlt: veilt, verkoopt 7 Elsche (Esscheboom): es 8 tiert: van tieren=welig groeien 9 gratig: gretig 10 verhaast: verrast 11 graastme: pakt me, gooit me (in het jonge gras) 12 haet - lees: haer keurs: kleedje 13 over: - lees: oever 14 hagelijk: behagelijk 15 wikken: vleugels 16 straks: dadelijk, onmiddellijk 17 lodder: vriendelijk 18 gebuid: buitgemaakt 19 kropjen: keel. Bovenste deel van de boezem. Borstgeaamt: geademd 20 keuren: de voorkeur geven aan 21 wooud (woond) ik: woon ik 22 bare: akelige 23 eenig leven: vrijgezellebestaan 24 hals-vrund: boezemvriend 25 stijve vree-zuyl: standvastige vredeszuil (toespeling op de bruidegom) 26 kruys: metafoor voor verdriet, tegenspoed 27 mach: kan 28 De nijd braveren: De afgunst trotseren 29 konje: kende je 30 queelen: kwellen, lijden 31 Dat eele, Smart heele: dat edele smart kan helen 32 Hymen: hymen (maagdenvlies) verwijst naar de naam van de god van het huwelijk (Griekse mythologie) 33 liefelijke ly: minnesmart 34 Anders... zin: In hun hart denken ze er anders over 35 Of zy waren niet rechtschapen: of er mankeerde wat aan hen. Of zij waren niet eerlijk met zichzelf 36 schepzel: schepping

Bi(bli)ografie


Jan Luyken (dichter, schilder, etser, graveur
en boekillustrator) groeide op in een streng religieus-
chiliastisch* gezin. Zijn vader Caspar was lid
van de reformateurs.
Omstreeks het einde van 1671 heeft de tweentwintig-
jarige dichter het manuscript van zijn debuut,
het erotische 'Duytse lier'** ingeleverd bij drukker-
uitgever Jacobus Wagenaar in Amsterdam.
Tijdens zijn adolescentie zette de dichter zich namelijk
af tegen zijn fundamentalistische milieu en genoot
volop van wijntje en trijntje. Toch prees hij in sommige
verzen het huwelijk aan.
Uit zijn 'Duitse Lier' blijkt ook dat hij gecharmeerd
was door verschillende meisjes, die hij 'vrolike Amstel-
Nimphjes' noemde. Ondermeer Appelona Pynberg
(in de 2e en 8e verdeling), Lea Steylvlied (in de 8e
verdeling), en Barbera Wiggers (in de 10e en laatste
verdeling) genoten zijn amoureuze belangstelling.
In 1672 trouwde hij met de actrice-zangeres Maria
de(n) Oude(n) (1647 - 1682) naar wie het slotgedicht
van de tiende verdeling verwijst. Zij wordt voorgesteld
als Argivinnia (meisje uit Argos).
 Ik bidde Argivina voor Venus aan.
Omstreeks 1676 'bekeerde' hij zich. Hij trad terug
in de voetstappen van zijn vader en werd een diepgelovig
man (mennoniet***).
In de laatste decennia van zijn leven paste hij zelfs
de leer van zijn vriend en leermeester in het mysticisme
Bhme grondig toe en deed afstand van het leeuwendeel
van zijn bezittingen.
Slechts de toewijding van een dienstbode, Annetje van
Vliet, behoedde hem voor verregaande verpaupering.
Na langdurig ziek geweest te zijn overleed Jan Luyken
in 1712.
Zijn schoondochter, de weduwe van zijn zoon Caspar,
die met haar zoontje bij hem inwoonde, stond hem bij
aan zijn sterfbed.
In het leven van Jan Luyken zijn er dus duidelijk
twee periodes te onderscheiden, een frivool-wereldse
en een ascetisch-vrome.
*chiliasme: het geloof aan een duizendjarig
vrederijk op aarde.
***mennoniet: doopsgezinde.

Zijn werken:
-**Duytse lier (1671). Dit is zijn bekendste werk
met minnepozie, verhalen, idyllen, romancen, sprookjes
en wijsgerige beschouwingen.
Luyken 'zou', volgens sommige bronnen, geprobeerd
hebben om alle exemplaren te bemachtigen en te
vernietigen. Dit is waarschijnlijk onzin als men weet,
dat in de 17e en 18e eeuw de Duytse lier zevenmaal
werd uitgegeven.
Na zijn debuut als dichter produceerde hij vooral
emblematabundels (een emblema bestaat uit een
zinspreuk, een afbeelding en de tekst).
Jan Luyken werkte later nauw samen met zijn zoon
Caspar (1672-1708), met wie hij zijn bekendste
emblemataboek maakte, namelijk 'Spiegel van het
Menselyk Bedryf'.
-Jezus en de ziel (1678)
-Oorsprongk, begin, en vervolgh der Nederlandsche
oorlogen (1680)
-Voncken der liefde Jesu, stichtelijke gedichten (1687)
-Spiegel van het menselyk bedryf, bundel etsen van
ambachten (1694)
-Lof en oordeel van de werken der barmhartigheid (1695)
-Zedelyke en stichtelyke gezangen (1698)
-Beschouwing der wereld, met voorstellingen van rampen
en bezoekingen (1708)
-De onwaardige wereld (1710)
-De bykorf des gemoeds, stichtelijke gedichten (1711)
-Het leerzaam huisraad, vertoond in vyftig figuuren
(1711)
-Des menschen begin, midden en einde, bundel etsen
van levensfasen (1712)
-Geestelijke Brieven (postuum 1714)
-Overvloeijend Herte (postuum 1767)

Duytse lier **

Een duitse lier of draailier is een snaarinstrument
waarop het geluid wordt voortgebracht door een schijf
die voortdurend langs de snaren strijkt. Het instrument
heeft een klankkast met twee klankgaten.
De snaren kunnen bespeeld worden met toetsen die
de toonhoogte veranderen. Enkele snaren, die bastonen
voortbrengen, veroorzaken een karakteristieke,
constante brom.


Naar boven!

Jan Luyken - Duytse Lier II

Jan Luyken - Duytse Lier III

'Bakermat' van de pozie

Pozie in de middeleeuwen

Het Antwerps Liedboek

Gedichten uit De Gouden Eeuw

Anonieme liefdesgedichten

Liefdesgedichten - Top 10


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

©  Gaston D'Haese: 16-06-2009.
Laatste wijziging: 05-09-2017.

E-mail: webmaster