Duytse Lier I

Duytse Lier III

Jan Luyken - Duytse Lier II
Jan Luyken
Duytse Lier (embleem).
Jan (Ioan) Luyken (1649 - 1712).
Dichter, schilder, etser, graveur 
en boekillustrator.
De afbeelding toont een sater met draailier 
in het gezelschap van nimfen (of muzen?).
Duytse Lier II

Vijfde verdeeling

Zeste verdeeling

Zevende verdeeling

Biografie van Jan Luyken

Vijfde verdeeling     1


Paren doet baren.

Men plant en paart de groene bomen. Men vuld een kloofjen met een end,          2 Het weelig sap, dat samen rend, Doet aengename vruchten komen. Den Appelaer, die by de hagen, En ruigten in het wilde sproot, Vervuld den graanzak met zijn noot: D'Andoren ziet men Appelen dragen,          3 Die trots, den heelen hof braveeren: Den Olm schut Eekels op de grond;          4 Den wilden Esch nood yders mond, Op schone en smakelijke Peeren. De Beuke laat Kastanjen vallen, Als 't windjen door haar telgen jaagt: Maar een gepaarde en be-ente Maagt Die strijkt de praalkroon van hun allen; Met vruchten die het al doen buigen, Zo blank als melk, geplekt met bloed geplekt        5 Op kaak en lipjes, die zo zoet De room uit volle borsten zuigen:

Toon: Nova: of t Sa Monsieurs.
Laura laat het pratte varen,          6 't Is wel waar gy zijt heel schoon, Maar gy zult naar 't weelig paren naar: na ('k Sweer 't u by mijn vaders zoon) Noch schoonder staan. Noch schoonder pronkt de boom met vruchten, Als alleen met groene blaan. Waarom lang alleen geslapen? Waarom by de vryer niet? Want gy zijt 'er toe geschapen, Als men aan 't fatsoen wel ziet,          7 En waarom niet Genoten 't zoet der dart'le minne, Eer 't den ouderdom verbied. 't Zijn de grootste zotternyen, Dat een Vryster fier en bly, Haar jaar in, jaar uyt laat vryen,          8 Want de bloey-tijd gaat voorby; Dan is het uyt, De kansjes zijn dan al verkeeken, En de jeugd verydeltuyt.          9

Toon: Candieraton.
Een Landman end, met vleyende genuchten,         10 Den wilden stam, die op een and're tijd Verwondert staat, om zijne vreemde vruchten, En maakt de geest zijns meesters heel verblijd, Die nu belust, vast hevig water-tant, En banketeert van 't geen hy heeft geplant,         11 Met eygen hant. Ay laat de liefde ons ook zo t'zamen voegen, Mijn Leonoor: zo kan de zoetste vrucht, Van ons geteelt, uw brave ziel vernoegen, Wanneerze met een zorgelooze zucht, De speen verlaat, ten blanken borst afwijkt,          12 Al lachgende zijn Moeder-lief bekijkt, En vrindelijk strijkt. strijkt: in slaap valt By zulken vrucht moet al de wereld leven, By zulk een vrucht blijft d' aarde in haren stand; Houd op dan van de min te weder-streven, Laat toe dat hy door zijn gewijde hand, U maake tot een boom die vruchten draagt, Een vruchtbaar Wijf braveert vry onverzaagt, De schoonste Maagt.

Aan de Juffrouws, ter Bruyloft
van W. vander Keeren. La Duchesse.

Laat af, Bloempjes van het Y, De schoonste bloem van uwe jeugd te spillen, Stapt met u willen In de zoete ly;          13 Wie liefde schuwt, is door d' waan bedrogen; Bespiegel u maar in het Bruydjes ogen, Dan ziet gy straal en vonken, Van een vroolijk hart: Zy blaakt en blixemt lonken, In de min verwart;          14 't Gelach, 't gespeel, 't Gekus, 't gestreel, Van twee verliefde harten, Kan alle vreugde tarten: Liefdens vreugd is eel. Tree toe, wanneer de gulde poort Van Liefdensgaarde gaapt, en nood u binne, Terwijl de minne Roept: stap voort, stap voort, Of anders word hy licht weer toe gedreven, En gy moet buiten staan voor al uw leven. De tijd vlied als de stromen, En hy keert niet weer, Hy schud de jonge bomen, En berooft haar eer. De lust, de vreugt, Het mooy, de jeugt, Word door de tijd onaardig, En voor een knaap onwaardig. Mind, terwijl gy meugt.          15

De Liefde is listig. Courante la Bare.
O Aangename jonge jeugt, Die 't Bruilofs-feest, door zoete vreugt gedreven, Bezielt volop met geest en leven, Vaar voort, vaar voort, weest vrolijk en verheugt. Men doe al wat men denkt en wil: Maar die het haagt die zy een weynig stil.         16 Mijn Zangster wil een sprookje gaan vertellen,        17 Noch nooyt gehoort; Wel aan gezellen, Luyster, 'k vaar dan voort. Een jonge Visscher ging op buyt, En zach een Fuyk aan Amstels groene boorden, Doch niemant die haar toebehoorden, Daar stapt hy heen, maar liefde, een loze guyt, Zat achter eene dichten struyk, En vong door list, de Visscher in zijn fuyk; Hy sweert met eeden, hy zal zijn gevangen, De vryigheyd, Niet weer herlangen,          18 Tot de dood hem scheyd. O Vrysters, fuykjes van de min, Wat vangt de min met u al jonge harten! Die anders haren vyand tarten, Gaan hier gerust en mak ten kerker in; De Min is wonder! wie hem ziet, En voelt, en smaakt, begrijpt zijn wezen niet; Maar dit begrijp ik: dat hy schoon moet wezen, En een die quynt, Wel kan genezen, Daar hy word gepynt.          19

Nova: Of stukje Pens.
Lustig Vryers, lustig Vrysters, Speel een zoetjes mont aan mont;          20 Queel eens rustig op als Lijsters, Spoel de lippen in het ront, Met offer-wijn, Geplengt ter eeren van de minne, Schoonder dan de Sonne-schijn. Schoone min die hier in d' oogen, Van de brave Maagden-stoet, Toont uw goddelijk vermogen, Roert en blaak het jeugdig bloet, En fiere hart, Wy plengen u dees wijn ter eeren, Op dat gy ons gunstig wart. Gunstig als den helt verkeeren,          21 Die gesterkt door uwe hand, 't Nimphjen 't pratten kan verleeren,          22 En verkeeren ys in brand,          23 En staal in vuur; Zo klimt men op den troon der weelde, Schoon de Nijt ziet wrang en zuur.
         24

Woordverklaring: 1 De 5e verdeling geeft nieuwe argumenten ten gunste van de liefde en bevat ook enkele bruiloftsliederen. 2 end: ent, takje dat op een andere boom verder groeit 3 Andoren: plataan 4 Olm: iep 5 met: met een doorschijn van 6 pratte: van het ww. pratten, preuts zijn 7 't fatsoen: hier betekent het de lichaamsbouw 8 laat vryen: het hof maken, flirten 9 En de jeugd verydeltuyt: en de jeugd lichtzinnig vergooid 10 end: ent van het ww. enten. Met vleyende genuchten: in aangename stemming 11 banketeert: smult 12 speen: tepel 13 ly: luwte 14 min (minne): liefde 15 Mind: van het ww. minnen, liefhebben. Meugt: kunt 16 haagt: behaagt 17 Zangster: Muze 18 weer herlangen: terugkrijgen 19 Daar: Terwijl 20 een - lees: eens 21 den helt verkeeren: verwijzing naar de bruidegom W. van der Keeren 22 pratten: preuts zijn 23 verkeeren: veranderen (toespeling op de naam van de bruidegom) 24 Nijt: Afgunst

Zeste verdeeling     1


DE handen blijven (dit staat vast)
Beyd' schoon, als d' eene d' and'ren wast.
Door verdiensten word men bemint.

Hier spiegel zich de weereld in, En leer, hoe vrundschap, liefde, en min Best goeit, en bloeit, in volle waelden;          2 Hier ziet een yder zich verbeelden,          3 Na volle wensch, hoe Man en Vrouw Aan een gesnoert, door vaste trouw, Om t'zaam door zoet en wrang te streven, In vrede, en vreugde kunnen leven; Dit pakjen valt de blinde licht,          4 Om dat de kreupel zijn gezicht          5 Besteed, om veilig 't spoor te vinden. Dus doende, blijft men goede vrinden.

Mins dienst wordt licht beloont. La Duchesse.
Myn schone droog uw tranen af, Versweep het spook de quijnende ongenuchten;          6 Uw diepe zuchten Graven my een graf. Wat peinst uw ziel op vollegende rampen? Al wat 'er komt, zal op mijn borstbeen schampen. Ai kom omhals uw minnaar dan mijn leven. Ach! Laat wreevle Nijd ons vry vervolgen nacht en dag. Rechtschape min ontziet noch pijn, noch ballingschap, noch leyden,    7 Sy is nooit recht geweest, Daar 't sneuvelen word gevreest. Laat ons niet zagen voor dees zee,          8 Wie weet waar 't lot, na slingeren, en sollen Ons luk doet rollen, Op een goede Ree. Ik heb Radulf, met zijn vervloekte knapen,         9 In 't wilde woud een ys're slaap doen slapen, Als hy door last ons fel vervolgden op het spoor.       10 So staanwe vast met moed de woede buyen door; 'k Heb u mijn Lief op mijne nek de razerny ontdragen: Noch leeft die zelve moed In mijn doorluchtig bloed. Een kusjen (dat men 't heilig noem) Weegt meer als alle mijn verdiensten t'samen; De schoonste namen Smoren in uw roem. Een kusjen van uw rozemont gegeven, Word niet betaald met goed, noch bloed, en leven: Een traantje dat 'er uit uw schreiende oogjes dreef, En op het purper van uw kaakjes hangen bleef, Verquikt, als ik het lek, my meer als 't bloed der schoonste druiven. Een lonkjen dat gy baard, Is my een Rijksstaf waard.          11

Getergde Min doet wonderen. La Signale.
Zo zach Ar'mant zijn lief Amiel, Zijn heyl, zijn vreugd, zijn hart, zijn ziel, Met traantjes op de bleeke wangen; En 't hooft op een gebogen hals; Zy zuchte, en riep ter krop uyt bange:          12 Balstuurig lot, wat zijt gy vals!          13 Zo zach dien wakk'ren oorlogs-gast, Zijn liefstens zachte handjes vast, Ten rug geboeit met harde snoeren, Geknevelt van den Arabier, Om als een duyfjen wech te voeren, Voor d' oogen van een wrede gier. Die met een trop verraders quam,          14 En scheurden dit onnozel lam, Als winter-wolven uyt zijn armen; Hy roert noch voet, noch hand, noch oog, Men hoort zijn krijgs-stem niet allarmen, Hy staat gelijk een marmere-boog. Armantus hoe? waar 's nu het pit, Dat in uw sterke spieren zit: Zo riep de Min-god in zijn ooren; Die stem herwekt zijn dapp're geest, Die door te heete en heevige tooren, Was als verstikt, en wech geweest. Nu stroopt hy 't snydend kamp-swaard blood, En sweert Argielukus den dood, By Ammons blixem-vuur en donder;          15 Met valt hy als een Teyger an,          16 En zend met d' eerste klink naar onder,          17 Zijn allereerste wederman.          18 Zo vaart hy als een bos-leeuw voort, Maayt weder-zijds, en scheurt en moort, Al wat hem naakt, om wraak te boeten; Al staag weer met een nieuwe moet, Tot hy van 't hooft tot aen de voeten, Bespat was met Arabes bloed. Dus woedende, vat hy Argiel, Met deze woorden aan: O fiel,          19 Die my mijn schoone Bruyd ontkaapten: Met veegt hy 't swaard de hals-strot door, En wierp de kop, zo die noch gaapten,          20 Daar 't bloed van droop, Amiela voor. Nu smijt hy 't rookend staal daar neer,          21 Ontboeyt de blaauwe handjes weer, En veegt de traantjes van haar koone, En streelt haar ziel met zoete ren, Omhelst heel vrindelijk die schoone, En strijkt met zijn Amiela heen.

Toon: Mijn soete Iakelijn.
Wie wekt my uit den slaap? wie roept my uit mijn dromen? In 't midden van de nacht. Zijt gy 't, zuidewind? Zijt gy 't die suist en ruist, door hoge Beukebomen? Neen sluimerende ziel; 't is 't knaapjen dat u mind. Hy klaagt de nacht zijn leed, En noemt u dikmaal wreed, Hy roemt zijn trouwe minne, Met beweegelijk een toon, En hy noemt u dikmaal schoon. O brave jongeling! uw trouheid in het minnen, Maakt dat mijn grootste ziel in wederliefde blaakt;   22 Kon ik de rode schaamt', en bleke schroom verwinnen, Dorst ik het wagen, daar het hartje wel na haakt;      23 Daar my de lust toe troont; Gy zaagt u haast beloont,          24 Voor al uw trouwe diensten, Daarom noem my niet meer wreed, Als gy vaak voor hene deed. O Hemel! waarom schiep gy voor 't Geslacht der menschen De rode schaemte, en vrees, de schone lust ten spijd? De beesten zonder schroom, voldoen hun wil en wenschen, Het Ringel-duifjen, en al 't Pluim-gedierte vrijd, En trekkebekt en blust Haar minne als 't hun lust, By daag voor yders ogen. Albeheerschende Natuur, Och u schikking valt my zuur.

Getrouheit is loffelijk.
Dachus hest dieu tout plain de gloire.
    25
Ay tortelduifjen, staak uw treuren, Schoon nijd ons poogt van een te scheuren, 't Is waan, 't is ydel dat sy gist.          26 Verschrik niet voor haar vurende ogen, Licht breekt de zon door zulk een mist; De liefde zal dat nooit gedogen. Mijn borst staat pal voor korsle vlagen;         27 Al komt de droes met al haar plagen,         28 Om ons gebou te storten neer, Zy bijt op staal, en schend haar tanden. De liefde acht minder als een veer, Het bonsen van haar ys're handen. De liefde breekt door alle rampen, Gelijk de Zon door neveldampen, Dies bidde ik schoone voed geen leed, Ik sweer voor 't Wesen van daar boven, Dat alles siet, en alles weet, dat nooit de nijd mijn hart sal roven.

Tot ongeluk geboren. La Isabella.
O Wrede schik Goddinnen!          29 Wat moogt, wat moogt gy spinnen Voor my so lang een draad, Van rouw, van ramp, van quaad? Wie blies u so vol haat, Toen gy mijn noodlod schikten, Dat van sich self verschrikten? 't Waar nutter maar een beest,         30 Noch nutter nooit geweest, Dan sou mijn droeve geest Niet eeuwig moeten klagen! O hagelbui van plagen! Hoe vaak stond ik u pal, Als d' Eekelboom de vlagen, Van wind en donderslagen, Nu brocht gy moed, en al Zo derelijk ten val. De schoone Leomede, Die ik door mijn gebede, Door liefdens dap're kracht, Een langen wijl veracht,          31 Tot wederliefde bracht, Mocht my nu garen lijden, Zy wou dat ik haar vleiden, Naar ik haar hart doorgrief,          32 Zy noemden my haar Lief,          33 En roemden. en verhief roemden.: roemde Mijn diensten boven and'ren. Wy leefden met elkand'ren In weelde, en saligheid. De nijd knarst' op haar tanden, En wrong, van spijt, haar handen; Wy leefden haer ten spijt, In vreugde een lange tijd. Nu quam de dood ( smarte!) En stak mijn Lief in 't harte, De kracht ontvlood haar haast,          34 En liet my heel verbaast. Zy kusten my voor 't laatst, En sloot haar bleke lippen, En ging ter ziele glippen, En liet my hier alleen. Ween, Dioniksus, ween!          35 Op eene koude steen Zal ik de dood verbeien, En al mijn leed beschreien, Tot ik in tranen smeld, Tot ik als dauw verdwijne, Als dauw voor 't helder schijne, Des uchtens, als sy sweld,          36 En vloei langs beemde en veld.

Woordverklaring: 1 In de zesde verdeling komen de hoogten en laagten van de liefde aan bod. Het gaat ook over de steun die man en vrouw elkaar bieden in het huwelijk. 2 goeit... in volle waelden: groeit in volle weelden 3 zich verbeelden: uitgebeeld worden 4 pakjen: lastje 5 gezicht: ogen 6 Versweep: Ransel weg 7 ontziet: vreest 8 zagen: versagen 9 Randulf: niet getraceerde naam 10 door last: op bevel 11 Rijksstaf: scepter 12 ter krop uyt: krop betekent keel, bovenkant van de boezem 'ter krop uyt': uit de grond van haar hart 13 Balstuurig: Grillig 14 trop: troep 15 Ammons: van Ammon, de Egyptische oppergod 16 Met: Onmiddellijk 17 klink: houw 18 wederman: tegenstander 19 fiel: schurk, schelm 20 zo: zoals 21 rookend: dampend - van het bloed 22 grootste: lees 'grootsche', trotse 23 na: naar 24 haast: weldra 25 Dachus: uit de Babylonische mythologie. Het principe van hun universum was androgyn. 26 gist: beraamt 27 korsle vlagen: kwaadaardige aanvallen 28 droes: demon 29 sch(r)ik Goddinnen: de drie Moiren of Parcen, die de levensdraad van ieder mens spinnen en afknippen 30 beest - een beest te zijn 31 Een... veracht: Die zij lange tijd veracht had 32 Naar ik haar hart doorgrief: Nadat ik haar hart erg kwetste 33 noemden: noemde 34 haast: snel 35 Dioniksus: Dionysus of Dionysos (Griekse mythologie) 36 sweld: zwelt. In kracht toeneemt

Zevende verdeeling   1


Onkuisse min doet rede en nabedenking wijken; 
Vertoont zich schoon, maar laat berouw zijn hielen kijken.
De donkre nacht schuild in den dag, Hoe schoon hy immer schijnen mag, De min te saam geronne,          2 Gevoed, gevormt en uitgedijd, Van wellust, weelde en legen-tijt,          3 Verwint het schoon der Zonne. Zijn blanke vel daer 't bloed doorslaat, Verbeeld de purp're dageraad, Die met Oranje-stralen, Door bolle, en witte wolken dringt, Terwijl het bosch haar optocht zingt          4 Met duizend Nachtegalen. Zijn opgeblazen wangen zijn Als lelien, daer de wederschijn, Van vers ontslote rozen, Zo schoon en haag'lijk inne speeld: Zijn lippen van een geur gestreelt, Doen d' Ammoerellen blozen          5 Van schaamte; 't voorhooft spreid een glans; Zijn krullend hair, dat als een krans Swiert over nek en schoeren,          6 Braveert het goud der Zonne om hoog, Zijn wieken, Ieris Regenboog,          7 Wie zou hy niet vervoeren? vervoeren: verrukken Het koudste Nimphjen, dat 'er leeft, Wenst, als hy voor haaar oogen sweefd, Hem in haar schoot te strelen, Te kussen met een groot vermaak, Zijn voorhooft, lippen, hals of kaak, En zo met hem te speelen. Nochtans dit schoone naakte kind, Dat jeugt haar lod're oogen blind,          8 Dekt met zijn schoone leden, Een overloze en boze geest,          9 Wel waardig om te zijn gevreest, Men vrees hem vry met reden. Hy dwingt het alles met geweld, Wie hem verwaand, verwacht in 't veld, Zal duur zijn trotsheid boeten. De wijste kan hem niet weerstaan, Hy siet noch God, noch Godsdienst aan, Hy trappeld de eer met voeten. Het praalbeelt, van de pronkende eer, Moet met een dart'le voet omveer,          10 De Godsdienst die moet buigen. Men luister na mijn Duitse Lier, Het geld Emelia, die hier De waarheid sal getuigen.

Toon: Ie voudro bien cloris.
Emilia so kuis, als schoon van wesen,          11 Sliep heel gerust in d' armen van haar heer. Zy had hem lief, hy had haar uitgelesen,          12 Tot al sijn vreugt, tot al sijn troost en eer. 't Ging heel na wensch. Revildo baade in weelden, Als hy, vol lust, sijn schoone weerg streelden.          13 Nu had de Maan haar hoorens achtien malen Gebogen, en gesloten dicht aan een, Sint Hymus toors met Goddelijke stralen Sint:          14 Haar bruilofs-disch vol vreugt so schoon bescheen, Als gijle min dit kuissche bed benijden, En socht het door sijn listen heel te ontwijden. Emelia verdwaalden met hare oogen, In 't lonkend schoon van eenen jongeling. Zy rusten niet, voor dat 's hem had bewogen,          15 Voor dat sy hem in hare schoot ontfing, En so (helaas!) haar uitgespatte lusten Een langen wijl met Dialarkus blusten. Dit moest terstond de gulde kuisheid spijten, Het speet haar, en het stak haar tegen 't hart,          16 Des quam sy 't stil den Man in d' ooren bijten,          17 Die door dees maar in wraak herbooren ward.          18 Zy schreef het self met stralen van Aurore,          19 En stelden 't hem so klaar als dag te vore. O Dialark! elendigste der knapen! O schoonste bloem der vryers van uw tijd! Geen mensch kan lust in uwe schuldstraf rapen;          20 Uw jonge jeugd was los, en licht verleid. Voelt gy het hart niet in uw boezem beven? De woede dood brult vreeslijk naar uw leven. Op eene nacht als Dialarkus vleyden Zijn sno boelin, en smolt in hare schoot,          21 Vond haar de wraak, met twee die hem geleyden; En met een steek was Dialarkus doot; Emelia vol schaamte en schrik, verflaauden Terwijl haar man haar dit in 't aansicht snaauden. O geyle hoer, nu sterf door deze handen, Onzalige: dat nooyt uw lichaam rot Als in den buyk der dieren: sterf in schanden;          22 Uw naam die zy de weereld tot een spot; Hier mede toont hy haar den naakten degen, Daar hy zo straks haar boel me had doorregen.          23 & 24 Het blanke staal knarst tusschen bey de borsten, En 't geyle bloed vloog by de moortpriem op, Daar 't laau en warm, dien wreeden hand bemorsten: Een purpere beek dreef langs de bleke krop Door 't bed, en droop al rookend van de sponden; Elendig mensch! hoe smoort gy in uw zonden! Nu sloeg zy noch, op d' oever van het leven, Haare oogen op, en opende den mond, En zuchte, en sprak: ach woud gy 't my vergeven, 'k Getroosten 't my, te sterven aan deez' wond; Men zecht dat dit den man zo heeft bewogen, Dat hy bleef staan, met traanen in zijne oogen. Maar 't was gedaan: zy sloot haar bleeke lippen; De naare doodt blies 't roosjen van haar kaak; De bange ziel quam uyt den beezem slippen          25 En liet tot loon van 't goddeloos vermaak, Haar goede naam, die eer een praalbeelds waarde Verdiende, door de min geschopt ter aarden.

Meyneendigheyd is grouwelijck. Esprits quiscupires, &c. O nuict jalouze nuict.
O Astor! wilt gy nu voor Leontine vluchten? En laten, na dat gy uw lusten hebt geboet,          26 Voor haar niet over, ach! dan tranen, klachte, en zuchten! Zijn dit de blijken van een ridderlijk gemoet? Is dit getrouwheyds loon? mein-eedige verrader, Hoe schrapt gy dus verwaant, de heugnis uyt het hart, Hoe ik om u, verliet mijn land, mijn grijze Vader! En heugt het u niet meer, hoe ik door min gesart, De beuk'laar aanschoot en het swaart ten heupe gorden,        27 En steeg als man te paart, de speer-piek op de borst, En liep helthaftig toe, op ysere slach-orden? Waar gaaft gy u ooyt heen daar ik niet volgen dorst? Is 't al vergeten? ach! ondankbaare, en ontaarde! Hoe dikmaal heb ik u het leven wel ontzet, Als gy omzingelt waart! hoe stutten ik de swaarde! Dat proefden vaak de kam van mijn gebuylt helmet.       28 & 29 Nooyt kon mijn standb're moet voor barsse Turken zagen;     30 Nooyt leuterden mijn min: dat is genoeg betoont          31 In 't hevigste gevecht der bloedige oorlogsslagen: En word ik dus met schimp en lasteren beloont! Ondragelijke hoon! verrader, 't is een wonder, Dat d' Hemel die dit ziet, zich niet tot wreken zet, En wringt ten wolken uyt een balderende donder, Die u met eene kling, de losse kop verplet.          32 Hoe zoude ik zonder wraak nu langer leven konnen? God ziet zijn tergers met langmoedige oogen aan, Maar ik ben maar een mensch van bloed te zaam geronnen, Ik voel mijn menschlijkheyd, 't en zalder zo niet gaan. Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven,          33 Ik eysch u voor de kling, te paarde, of ook te voet;         34 Wy moeten zamen eerst eens speelen om het leven, Zo koelt mijn smart, door mijn of uw vergooten bloed. Zo sprak de fiere Vrouw, en streek haar kuyf en vlechten, Ten blakende oogen uyt. Zy sloot het met een zucht: Maar Astor niet belust, dan met haar eer te vechten,          35 Ontsloop haar oog, en gaf zich heym'lijk op de vlucht. Vlucht Astor, vlucht vry voort; gy zijt haar oog ontschoten, Maar haar gedachten niet; zy krijgt de lucht daar van, Dies komt zy hem te paart, galloppend' na gestoten, De degen in de vuyst, beharnast als een man. Verrader sta, hou stant, hou stant, om u te weeren, Keer om, en stroop uw kling, of 't gaat van acht'ren door; 36 & 37 Ik zal u dezen dag, of gy my, sterven leeren: Zo quam een forze stem hem klinken in het oor. Hy wenden zich, en zach twe blix'mende oogen blikken, Gevolgt van eene vuyst, die dapp're slagen gaf. (Een woede Vrouw heeft vaak een Manshart doen verschrikken) Nu keert hy vast een poos de vinn'ge dreven af.        38 Dan roept hy om verdrag, tot zy haar bloed ziet vlieten,      39 Door Astors kling getapt; daar rentze grimmig in, Gelijk een Leeuw, die op zijn tergers aan komt schieten; Geen grooter razerny, als omgekeerde min. Dien aanval lukt niet, maar de tweede zo veel beter, Het zwaart gaat door, dat haar zijn bloed in 't aansicht spat; Daar legt meyneedigheyd, dien Eet en Trouw vergeter;       40 Zo was de troost, die hy op 's levens oever hat.

Het wout heeft ooren.
Melarkus had zijn ad'ren vol gepeepen,        41 En lach gestrekt in 't groene gras, Zo breet en lang gelijk hy was, By eenen Olm, met d' oogen toe geneepen. Hier vonden hem Dareide, en Amarille,          42 & 43 De bloem der Vrysters in haar tijd; Van elk gedient, geviert, gevrijd; Zy gingen uyt, om vroolijk tijd te spillen. Nu waakt hy juyst, en vryft zijne oogen open, Zo als zy bezig zijn met schroom, Om hem te binden aan een boom, Zy reppen zich, en zetten 't op een loopen. Daar sach men hem het boven lichaam beuren, Zijne oogen gins en weder slaan, En springende, op zijn kooten staan,         44 Om door het veld haar achter heer te peuren.         45 Soo ging wel eer de schoone Dafne strijken         46 De wind voorby, gelijk men segt; Eerse in der aerden wierd gehecht, En liet, vol schrik, de Zon haar hielen kijken. Dariede kon het nu niet langer duren; De mild de haar door 't lopen seer: Zy hijgde, en seeg in 't klaver neer, Maar Amaril ging, als een jachthond, schuuren.        47 & 48 Ay laat my gaan Melarkus (bad Dariede) Die nu al in sijn armen ley, Wy deden 't maar uit boertery. Hier op den knaap: gy sult my niet ontvlieden. Uit boertery sal ik wat met u speelen. De Vrijster lachte met vermaak, En sloeg hem sachjes op de kaak, En liet met vreugt haar maagde-bloempje steelen.         49 Gy moet het niet aan Amarille seggen, Melarkus; dat men 't duister hou. Ik sweer het u by mijner trou (Zo sprak den knaap) het blijft in dese heggen. Hier me, vaar wel: de jonge zieltjes scheiden: De moye vrijster was ontkuist,          50 De vryer lachten in sijn vuist, En song sijn vreugt aan bomen, en aan weiden. Een ouden Yp, die 't lietjen quam te hooren, O hemel is het ooit gehoort! Die klapten 't, als een Aakster,          51 Dariede heeft in 't veld hare eer verloren.

Woordverklaring: 1 In de zevende verdeling wordt de lichamelijke liefde buiten het huwelijk afgeraden. 2 te saam geronne: 'geronnen' betekent gestremd, dik geworden. In het gedicht betekent het echter ontstaan (samengevloeid) 3 legen-tijt: ledigheid 4 haar optocht zingt: het voortschrijden van de dageraad bezingt 5 Ammoerellen: morellen (zure donkerrode kersen) 6 schoeren: schouders 7 Ieris: van Iris, de godin van de regenboog 8 Dat jeugt haar lod're oogen blind: lodder betekent suf, slaperig In het gedicht betekent lod're wellicht onschuldig, naef. blind: verblindt 9 overloze: gehaaide, zeer sluwe 10 dart'le: uitgelaten, baldadige 11 wesen: uiterlijk 12 uitgelesen: uitverkoren 13 Als: Toen 14 Sinds Hymus toors: de fakkel van Hymen de huwelijksgod 15 's - lees: se 16 haar: verwijzing naar 'de gulde kuisheid' 17 Des: Daarom 18 maar: mare betekent tijding (boodschap) 19 Aurore: de dageraad 20 uwe schuldstraf: de straf voor uw schuld 21 sno(de): misdadig boelin (Mnl.): betekende minnares 22 Als in den buyk der dieren: opgevreten door dieren 23 boel (Mnl.): minnaar of minnares, lieveling Het ww. boeleren (hoereren) is ervan afgeleid. 24 doorregen: doorstoken 25 beezem: boezem 26 geboet: bevredigd 27 beuk'laar: beukelaar is een rond schild 28 proefden: ondervond 29 gebuylt helmet: gedeukte helm 30 zagen: versagen 31 leuterden: wankelde 32 losse: lichtzinnige 33 ten top gedreven: alle perken te buiten gaande 34 kling: het staal van een zwaard of sabel Ik eysch u voor de kling: Ik daag je uit voor een zwaardgevecht 35 Astor: wellicht een verwijzing naar Asterius, zoon van de reus Anax 36 stroop uw kling: ontbloot je zwaard 37 of 't gaat van acht'ren door: mijn zwaard zal er achteraan uitkomen 38 dreven: slagen 39 verdrag: genade 40 Eet: Eed of eer 41 vol gepeepen: met wijn volgezopen 42 Dareide (Dariede): De bloem der Vrysters 43 Amarille: Amaryllis was in de Griekse mythologie een mooi herderinnetje 44 kooten: benen 45 achter heer te peuren: achter haar aan te zitten 46 Dafne: Daphne was een nimf die wilde vluchten voor de verliefde Apollo. In een gebed vroeg ze onaantrekkelijk te mogen worden. Daarop werd ze omgetoverd in een laurierboom. 47 Amaril: Amaryllis was in de Griekse mythologie een mooi herderinnetje 48 schuuren: de plaat poetsen 49 En liet met vreugt haar maagde-bloempje steelen: maagde-bloempje betekent maagdelijkheid 'Ze liet zich met overgave (gewillig) ontmaagden' 50 De moye vrijster was ontkuist: ontkuist = niet kuis meer De moye vrijster was ontmaagd 51 Die klapten 't, als een Aakster: zij kletsten maar door als een ekster

Bi(bli)ografie

Jan Luyken (dichter, schilder, etser, graveur
en boekillustrator) groeide op in een streng religieus-
chiliastisch* gezin. Zijn vader Caspar was lid
van de reformateurs.
Omstreeks het einde van 1671 heeft de tweentwintig-
jarige dichter het manuscript van zijn debuut,
het erotische 'Duytse lier'** ingeleverd bij drukker-
uitgever Jacobus Wagenaar in Amsterdam.
Tijdens zijn adolescentie zette de dichter zich namelijk
af tegen zijn fundamentalistische milieu en genoot
volop van wijntje en trijntje. Toch prees hij in sommige
verzen het huwelijk aan.
Uit zijn 'Duitse Lier' blijkt ook dat hij gecharmeerd
was door verschillende meisjes, die hij 'vrolike Amstel-
Nimphjes' noemde. Ondermeer Appelona Pynberg
(in de 2e en 8e verdeling), Lea Steylvlied (in de 8e
verdeling), en Barbera Wiggers (in de 10e en laatste
verdeling) genoten zijn amoureuze belangstelling.
In 1672 trouwde hij met de actrice-zangeres Maria
de(n) Oude(n) (1647 - 1682) naar wie het slotgedicht
van de tiende verdeling verwijst. Zij wordt voorgesteld
als Argivinnia (meisje uit Argos).
 Ik bidde Argivina voor Venus aan.
Omstreeks 1676 'bekeerde' hij zich. Hij trad terug
in de voetstappen van zijn vader en werd een diepgelovig
man (mennoniet***).
In de laatste decennia van zijn leven paste hij zelfs
de leer van zijn vriend en leermeester in het mysticisme
Bhme grondig toe en deed afstand van het leeuwendeel
van zijn bezittingen.
Slechts de toewijding van een dienstbode, Annetje van
Vliet, behoedde hem voor verregaande verpaupering.
Na langdurig ziek geweest te zijn overleed Jan Luyken
in 1712.
Zijn schoondochter, de weduwe van zijn zoon Caspar,
die met haar zoontje bij hem inwoonde, stond hem bij
aan zijn sterfbed.
In het leven van Jan Luyken zijn er dus duidelijk
twee periodes te onderscheiden, een frivool-wereldse
en een ascetisch-vrome.
*chiliasme: het geloof aan een duizendjarig
vrederijk op aarde.
***mennoniet: doopsgezinde.

Zijn werken:
-**Duytse lier (1671). Dit is zijn bekendste werk
met minnepozie, verhalen, idyllen, romancen, sprookjes
en wijsgerige beschouwingen.
Luyken 'zou', volgens sommige bronnen, geprobeerd
hebben om alle exemplaren te bemachtigen en te
vernietigen. Dit is waarschijnlijk onzin als men weet,
dat in de 17e en 18e eeuw de Duytse lier zevenmaal
werd uitgegeven.
Na zijn debuut als dichter produceerde hij vooral
emblematabundels (een emblema bestaat uit een
zinspreuk, een afbeelding en de tekst).
Jan Luyken werkte later nauw samen met zijn zoon
Caspar (1672-1708), met wie hij zijn bekendste
emblemataboek maakte, namelijk 'Spiegel van het
Menselyk Bedryf'.
-Jezus en de ziel (1678)
-Oorsprongk, begin, en vervolgh der Nederlandsche
oorlogen (1680)
-Voncken der liefde Jesu, stichtelijke gedichten (1687)
-Spiegel van het menselyk bedryf, bundel etsen van
ambachten (1694)
-Lof en oordeel van de werken der barmhartigheid (1695)
-Zedelyke en stichtelyke gezangen (1698)
-Beschouwing der wereld, met voorstellingen van rampen
en bezoekingen (1708)
-De onwaardige wereld (1710)
-De bykorf des gemoeds, stichtelijke gedichten (1711)
-Het leerzaam huisraad, vertoond in vyftig figuuren
(1711)
-Des menschen begin, midden en einde, bundel etsen
van levensfasen (1712)
-Geestelijke Brieven (postuum 1714)
-Overvloeijend Herte (postuum 1767)

Duytse lier **

Een duitse lier of draailier is een snaarinstrument
waarop het geluid wordt voortgebracht door een schijf
die voortdurend langs de snaren strijkt. Het instrument
heeft een klankkast met twee klankgaten.
De snaren kunnen bespeeld worden met toetsen die de
toonhoogte veranderen. Enkele snaren, die bastonen
voortbrengen, veroorzaken een karakteristieke,
constante brom.


Naar boven

Jan Luyken - Duytse Lier I

Jan Luyken - Duytse Lier III

'Bakermat' van de pozie

Pozie in de middeleeuwen

Het Antwerps Liedboek

Gedichten uit De Gouden Eeuw

Anonieme liefdesgedichten

Liefdesgedichten - Top 10



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

©  Gaston D'Haese: 19-06-2009.
Laatste wijziging: 05-09-2017.

E-mail: webmaster