Duytse Lier I

Duytse Lier II

Jan Luyken - Duytse Lier III
Jan Luyken

Duytse Lier (embleem).
Jan (Ioan) Luyken (1649 - 1712).
Dichter, schilder, etser, graveur 
en boekillustrator.
De afbeelding toont een sater met draailier 
in het gezelschap van nimfen (of muzen?).

Duytse Lier III

Achtste verdeeling

Negende verdeeling

Tiende verdeeling

Biografie van Jan Luyken


Achtste verdeeling


Te vergeefs preekt men den dooven.
O Dat de min zich zelf bespiegelen wou, Aan 's anders schade, aan 's anders na berou, Aan 's anders schande, en los gewenschte trou,          1 En groote elenden, Men hoorden niet van zo veel bitter leet, Van zo veel ramps, door losse min gesmeet, Van zo veel spijts, die 't harte knaagt en eet, En 't al kan schenden. Maar 't is vergeefs, wat voorbeeldt dat men stelt: Hoe ver het naar de grootste jam'ren helt,          2 Noch doet het op de liefde geen gewelt,          3 Het is verlooren. Hy drayt het oog ten klaren spiegel af,          4 & 5 En schelt de schroom en vrees, voor bl en laf,          6 Wat goude les men oyt dien dwazen gaf, Hy wou niet hooren. Men spreek, men preek, men leer vry jaren lang, De dart'le min gaat zijnen ouden gang, Hy lacht, en acht het al voor kind're zang, En beuzelingen.          6' Dies is 't onnut, dat ik mijne uuren spil, Met leering die ik lang voor ydel hiel:          7 Ik laat de min zijn gangen gaan, en wil Van zoetheyd zingen.

Elk om t schoonst.
TWee beminnende gezellen Roemden van haar Vrysters schoon: Melleker zou het oordeel vellen, Die, of deze spant de kroon: Hofrijk zou 'er onder fluyten,          8 Op het besten dat hy kon: De Echo teeg terstont aan 't stuyten,          9 Met als Bloemert dus begon:          10

Toon: Ghy heyligheetjens, &c.
't MOet alles wijken voor de schoone Gaardelijne; Wijk witten Yssel-swaan, verschuyl u in het riet, Uw blankheyd gelt 'er niet. Mijn Nimph is blanker dan de schoonste maneschijne.
Eelhart.
By Gloroos witte deugt, mach sneeu, noch hagel halen; Waar is 'er schoonder schoon, als wijsheyd, eer, en deugt, In 't bloempjen van de jeugt? Men ziet de kuysheydt uyt haar zeedige oogen stralen.
Bloemert.
Mijn lief is jeugdiger dan d' eerst ontsloote Rozen; Haar kaaken gloeijen als het bloosjen van de Pers,          11 Haar lippen als een Kers; Mijn lief is bolder dan de purpre Abrikozen.          12
Eelhart.
Gelijk den dageraat, wanneer zy door komt breeken, Nu bleek is, en nu bloost, en purpert veld en zee, Zo word mijn Gloroos mee, Wanneer men haar bekijkt, in kuysse schaamte ontsteeken.          13
Bloemert.
Haar vroolijk wezen doet de koutste harten vonken,          14 Haar loddere oogen, vol aanlokkelijke brant,          15 Zo bruyn als Diamant,          16 Die schieten, drayende, beweegelijke lonken.          17
Eelhart.
Mijn Gloroos, als zy maar met ymant komt te spreeken, Zy buygt haar knin, en bewijst hem schuldige eer,          18 Zy slaat haare oogen neer; Mijn liefsten is volmaakt, wie wijst my haar gebreeken?
Bloemert.
Mijn Nimphjes byzijn kan 't geselschap staag vermaaken, Ze is fier en dart'ler dan een jongen Geyt,          19 Die in de klaver weyt; Wanneer zy danst, dan schijnt zy d'aarde niet te raaken.
Eelhart.
Mijn Lief hangt niet te veel aan spel, en speelnootinnen: Zy loopt niet dikmaal uyt, maar stemmig, stil van geest, Zit zy in huys en leest, Of aan haar Moeders zijde, en spilt den tijd met spinnen.          20
Bloemert.
Wat deugden zal ik meer de Nijt voor ogen stellen? Wie is zoo redenrijk, als 't Nimphjen dat my blaakt?          21 Wie is 'er zo volmaakt? Zy weet wanneerze wil, veel sprookjes te vertellen.
Eelhart.
Het past de Swaluw, die van achteren tot vooren,          22 Des landmans huys doorkruyst, te snat'ren, maar geen Vrouw, Dat die zich stemmig houw: Mijn Gloroos praat niet veel, het lust haar meer te hooren.
Bloemert.
Al 't kleyne pluym-gediert, gewoon in 't groen te springen, Swijgt met de Nachtegaal, die met zijn kleyne tong, Zo menig deuntjen zong, Heel stil, en luystert toe, als zy begint te zingen.
Eelhart.
De boert, en stoejerey (een strik om 't hart te vangen)          23 Die meenig jonge bloem haar maagdom heeft geschaakt, Die word van haar gewraakt:          24 Ze is achterdenkende, en voorzichtig als een Slange.          25
Bloemert.
O Gaardelijn, hoe ver verwinnen uwe haaren, Zoo blond, de geele verf, der uytgedijde pruym,          26 Zo ver als 't goud zijn schuym, Zo ver als 't rijpe graan de tijdelozer aren.          27
Eelhart.
Alle ydeltuytery, en alle slimmigheden, Doortraptheyd, dat een gek verstant en wijsheyd hiet,          28 Die gasten huyst zy niet. Wat ziert een Maagd zo, als eenvuldigheyd en zeden?
Bloemert.
Mocht ik de slaapkoets van mijn Nimphjen eens genaken,          29 Een blooten krop, een arm zo blank, zo schoon, zo bol, Zo zacht gelijk een mol, Deede u bezeffen, wat daar schuylden onder 't laaken.
Eelhart.
Wat hoef ik mijn gezang noch verder uyt te breyden? Men vind geen schoonder schoon, dan wijsheyd, eer en deugt, In 't bloempjen van de jeugt. Nu Melker, oordeel, wie de kroon strijkt van ons beyden.          30

Verschil. Toon: Ons blijdschap is vermengt met schreyden.
Tymena.

DE dageraat begint te blinken, De Roosjes zijn aan 't open gaan; De nucht're-Zon komt peer'len drinken,          31 De zuyde wind speelt met de blaan: Het Nachtegaaltjen fluyt, En 't Schaapje scheert het kruyt; Hoe zoet Is een gemoet, Met zulk een vreugd gevoet.
Hofrijk.
O Harderin! wat meugt gy zingen?          32 Van 't geen gy in den uchtend ziet; Van vreugd, van duyzend zoete dingen: De rechte zoetheyd kent gy niet; Wat is een bloot gezicht,          33 Van beemde, en morgen licht? Ik vin Voor mijne zin Daar geen vernoeging in.
Tymena.
Wat keurt gy Harder dan voor 't besten? Te slurpen uyt Silenus kan?          34 En 't lijf met lekk're spijs te mesten, Zoo veel de buyk verdragen kan? Of is het noch al meer? Kom wijze Harder, leer My 't wit,          35 En 't rechte pit, Dat in de vreugden zit.
Hofrijk.
Een mensche tong kan 't niet verbeelden, Het is een eeuwig duurend vuur: Een vuur dat al de wereld streelden Van ouds; het is een zoet en zuur; Het is de schoone Min, Onnoos'le Harderin; Geen beest, Of't is geweest, Bewoont van deze geest.
Tymena
. Onnoos'le Harder, loop vry heene, Is dit het pit van zoetigheyd? Dat tuygt uw zuchten, klagen, steene,          36 Uw ongeruste levens tijd; O ver verdoolde gast! Het spreekwoord dat gaat vast:          37 Die mint Is blint, Onnozel als een kint. Wy kuyze Harderinne rijen, Gaan onder lindeschaau ten dans,          38 Gerust, en onbelust op vrijen; Wy pronken met de maagde-krans, Ons allerbeste goet; Wat is de maagdom zoet! Swijg vry, Want Harder gy Praat nimmer min in my.
Hofrijk.
Geveynstheyd is ten troon gezeten, In 't wulps en brandend maagden hart:          39 Hoe spreekt men tegen zijn geweten! Wat voed uw ziel al vuur'ge smart, Om dat gy dragen moet, Uw allerbeste goet,          40 Waart gy Met eeren vry Daarvan, wat waart gy bly.

Mijn Lief is al myn vreugd. Toon: Windeken waar den bos af drilt.
OCh Leliana! och al mijn goet, Die mijn hartje branden doet, Door uw lonkjes, Vol van vonkjes, Vonkjes die van 't lodder oog,          41 Quetzen, als pijltjes van een boog. Schoone, waar schuylje hier in 't groen? 'k Moet my laven met een zoen, Voor de tipjes, Van uw lipjes, Lipjes die als rooze-blaan, Zijn met een zoete dauw belaan. 't Rijzend zonnitjen gaat my voor, Wenkt mijn lusjes, om zijn spoor, Na te reppen, En te leppen, 't Vochjen van uw montjen zoet, Als hy 'et van zijn Lauren doet.          42 Nu dan mijn waarde, sla geluyt, Steek uw hooft ten groenten uyt: Met dit wachten Mijn gedachten Raaken in een diep gepeyns; Lelienhalsje, dat 's geen reyns.          43 Of hebt gy uyt boertery, Voorgenomen, datje my Wat zoud quellen, En eens stellen, In een vuur van ongedult, 'k Sweer datje 't my betalen zult. Als ikje nu maar vinden kan, Prille Nimph zo moetj'er an; Hondert kusjes, Zijn mijn lusjes, Niet genoegzaam tot een wraak: 't Gelt dan u halsjen, mont, en kaak.

Getrooste Minnaar. La boure dOlivet.
HY lacht, en acht, wiens fiere hart Van liefde nooyt en wart Bestookt, een minnaars klacht van pijn, Voor louter veinzery. By and'ren mach die denking zijn, Maar anders is 't by my. De smart die 't hart eens minnaars knelt, Daagt alle smart in 't velt,          44 Indien dat hy rechtschapen mint, En naar zijn Nimphjen zoekt, En haar, of hare gunst niet vint, Die smart die zy vervloekt. Geen rust, maar lust, bekruypt de ziel, Die in de strikken viel, Van een bekoorelijke maagt; Een lust die 't al verheert,          45 Die wijsberaat en rust vervaagt, En vleesch en bloed verteert. Acht weeken zag de nacht en dag. Sint ik Klaryna zag, My quynen als een bloem op 't veld, Misdeelt van hemels nat; Een bloem die op zijn steeltjen helt, Door heete droogte mat. Dit zong Urmedon in der nacht, Bekans in lust versmacht; Bekans: Bijna By nacht! voor zijn Klarinaas duur;          46 Sy hoorden 't lietjen aan; Zo droef een toon beweegen heur,          47 Ten rust-bedde af te gaan. Sy stak haar hooft ten venst'ren uyt, En sprak: Urmedon sluyt Uw klachten, want my deert uw pijn; Komt spreekt my morgen aan; Ik zal voortaan zo straf niet zijn, Mijn wrevel is gedaan.

La boure dolivet.
EEn ander zing van krijg en moort, Hoe datmen menschen smoort, In 't laauwe bloed, door 't swaart geplengt, En roep hem uyt voor vroom,          48 Die 't meeste volk om 't leven brengt, En verft, of velt, of stroom.          49 Ik zing met aangenaam vermaak, Van Liefde, een schoonder zaak: Daar stort men bloed, maar niet langs 't velt Ten kosten van den man; Maar bloed waar uyt het leven swelt,          50 Dat staat my beter aan. Is 't leven schoonder dan de dood, Die 't alles 't hart afstoot?          51 Wat roemt men dan op moordery? Men zing het schoonste lof, Indien het leven 't schoonste zy, De min is 's levens stof. Al wat my op de weereld haagt, Dat is een schoone Maagt, Alle and're dingen acht ik niet, Die harts-tocht trekt my meest; Die voert de Scepter en gebied, De tochten van mijn geest. 'k Zie Venus, die de geest vermaakt, Veel liever moeder naakt, Ontbroost, ontgord, ontslingerkleed,          52 Met alle deelen blood, Als Mars in 't blanke staal besmeed, Bespad met dierbaar rood.

Petite Bergere.
RUyssende winden, Door Yp en Linden, Echoos stuyten,          53 Op 's Harders fluyten, Door het dichte houd Van 't groene woud, Vleyd my veel meer als het klinken Der trompet, Die schel ten gil gezet, De harten wet wet: scherpt En dorstig maakt om bloed te drinken, En graag om 't swaart te zien besmet.          54 Als men ziet kommen 't Nimphjen met blommen Bloey-maant.          55 & 56 En met bladen, Schoone sieraden, Om het hooft gesiert, Van 't woud gevierd,          57 Dan is het goed in 't velt te slapen. Dien 't dan mach Gebeuren met den dach Te wand'len, ach Wat kan hy lekkernye rapen! Het singend woud maakt dan gewach.          58
Andere Vryers, Lustige stryers, Dap're knechten, Vryen met vechten Vryen:          59 't Muertjen van een stat, Ik gun haar dat. haar: hun Vry een jonge Harderinne Aan een stroom, Begroeit langs haren soom Met d' Else-boom, Dat dunkt my is een beter minne, Dat is een soeter levens droom.

Aymable Bergere.
VErbied gy my 't minne? O schone wat 's dat?          60 Verbied gy my 't minne? O schone wat 's dat? Gy roofden mijn sinnen, En wees my dat pad, O schone wat 's dat! Gy roofden mijn sinnen, En wees my dat pat. Aan u moet ik klagen Mijn smart ende leed, Aan u moet ik klagen Mijn smart ende leed, Gy kunt het vervagen,          61 Gy hebt het gesmeed, Mijn smart ende leedt; Gy kunt het vervagen, Gy hebt het gesmeed. Ach schone verkeer eens,          62 En wees niet meer wrang. Ach schone verkeer eens, En wees niet meer wrang. Wor sachter, en leer eens Des liefdens bedwang;          63 En wees niet meer wrang. Wor sachter, en leer eens Des liefdens bedwang.

Het wachten valt pijnelijk. Se mille torments.
VErvager der dagen, zo stadig in 't jagen, Hoe vliegt gy, hoe vliegt gy zo trage? Nooyt susten uw 't rusten, of zoude 't u lusten          64 Een minnaar, een minnaar te plagen. Wanneer ik verlange, dan tracht gy uw gangen,          65 Dat valt my, dat valt my zo bange Ik achte, te smachten, dit beyden, dit wachten achte,          66 Dat smaakt my, dat smaakt my zo wrange. Wanneer mijn beminde, haer by my laat vinden, Dan kunt gy, dan kunt gy verslinden, O guure, zo duure vergulde schoone uuren,          67 Dan tart gy, dan tart gy de winden. Dan tart gy de stromen, die langs hare zomen Als pijlen, als pijlen af komen. De kusjes, de lusjes, van heden, van flusjes,          68 Die maakt gy, die maakt gy tot dromen. Dit uurtjen is hene, dit weder verschene, Dit kusjen, dit kusjen verdwene. Dat glijden, der tijden is beter te lijden, Als 't treuren, als 't treuren alleene. Den dach is aan 't rijzen, en 't nachjen aan 't dijzen,          69 Ay rep u, ay rep u wat grijze, Ga spoede, nooyt moede, dan noem ik u goede,          70 Dan zal ik, dan zal ik u prijzen.

Op de schoone oogen van Juffer Lea Stylvlied. La pieron.
VRaagt men wat 'er in het wezen,          71 Van de schoone Lea woont, (Schoone Lea nooyt volprezen) Wijl zy zulke krachten toont, Wijl zy zulk een groot vermogen Heeft op harten koud en guur? 't Is geen wonder, want haar oogen Zijn bezielt met Hemels vuur. Als de Goden Nektar dronken, Strooyden 't albeheersend wicht          72 Dartel twee geweyde voncken, Van zijn eeuwig brandend licht: Venus vingse strakx in eenen          73 Kruyk van helder Kristallijn, Daar zy flikkerden en schenen, Onverdronken in de Wijn. Lea had pas eerst ontsloten Bey haer oogen, als dit vat Schoon daar in wierd uitgegoten;          74 Daar men 't vuur op 't hemels nat Nu siet dryven, blik'ren stralen; Lea schoonste die 'er leeft, Al wat trots is doet gy dalen, Als gy maar een lonkjen geeft.

Op het schoon zingen van Juffer Appelona Pynberg. La Duchesse Rojaal.
IN 't rijzen van den koelen dach, Als yder noch te slapen lach, Zat Appelona, die ik sach ('t Zijn my geen dromen) In de schaauw der bomen, En streelde een Luyd,          74' Terwijl sy uyt Een heldere boesem song. Stil hiel de tong,          75 Die 't geveert          76 Van het hele Woud braveert,          77 Het singen, 't Springen, 't Fluyten 't Tuyten, En 't swieren, Gieren Dat In de Linde, Leefde, Sweefde, Was nu stil, en sat Te luysteren; 't Fluyst'ren Van de blaan ging sacht. O Gon Zo schoon Een Zang Haar dwang Heeft my verkracht.          78

Verrassing.
SPytig klaartje sou haar baden          79 Moedernaakt in eene beek, Die langs klavere boorden streek, Overschaaut van wilge-bladen; Grage Reynoudt sat en keek, Watertandend door de rietjes; En hy riep eens soet met een: Noch wat dieper, tot de knietjes; Daer mee droop sy schaamroot heen.

Verrassing.
ZEven dart'le Nimphjes vonden Geyte oor, daer hy sliep in 't woud,          80 Elke Nimph was even stout, Daad'lijk zach men Pan gebonden,          81 Hy schoot op en lach gewonden In een zeel van kruyt en gras,          82 Meysjes riep hy; wat sal 't wesen? Maar hy sag haast wat het was,          83 Elk wou 't eerste zijn genesen.
         84

Woordverklaring: In deze verdeling bereikt het liefdesverlangen tussen de aanstaande bruidegom en de bruid een climax. 1 los gewenschte trou: lichtzinnig nagestreefde relaties 2 Hoe ver het naar de grootste jam'ren helt: Hoezeer het naar de grootste rampen verwijst 3 gewelt: uitwerking 4 Hy: verwijst naar Amor op de gravure 5 ten: van de 6 bl: bang; bevreesd; bedeesd; schaapachtig; schuchter. 6'beuzelingen: onbenulligheden; beuzelarij=kletspraatje; haarkloverij. 7 ydel: ijdel: inhoudsloos 8 er onder fluyten: ondertussen op de fluit spelen 9 De Echo teeg terstont aan 't stuyten: de echo weerkaatste meteen 10 Met als: meteen toen 11 Pers: perzik 12 bolder: molliger 13 ontsteeken: ontstoken 14 wezen: (aan)gezicht 15 loddere: minzame; lieve. Een andere betekenis van loddere is losbollige; wellustige 16 bruyn: in dit gedicht betekent het schitterend 17 beweegelijke: ontroerende, opwindende 18 schuldige: verschuldigde 19 fier: zelfbewust; trots 20 spilt: besteedt 21 redenrijk: onderhoudend; assertief 22 Swaluw: metafoor voor babbelwijf 23 boert: grappenmakerij 24 van haar gewraakt: door haar afgekeurd 25 achterdenkende: bedachtzaam 26 uytgedijde: volgroeide 27 tijdelozer: jongere 28 hiet: noemt; heet (van ww. heten) 29 slaapkoets: bed 30 de kroon strijkt: overwint; zijn slag thuishaalt 31 nucht're-Zon: ochtendzon 32 O Harderin! wat meugt gy zingen?: O Herderin! hoe jij ook mag zingen 33 een bloot gezicht: alleen maar de aanblik 34 Silenus: de eeuwig dronken leermeester van Dionysus (Gr. mythol.) 35 't wit: de essentie; de bedoeling 36 Dat tuygt: Waarvan getuigt 37 dat gaat vast: dat is waar; dat is betrouwbaar 38 lindeschaau: schaduw van de linde; de boom van de liefde 39 wulps: sensueel; dartel 40 Uw allerbeste goet: metafoor voor de maagdelijkheid 41 van: vanuit 42 Lauren: laurierbomen. Verwijzing naar de nimf Daphne (Gr. mythol.). Zij werd veranderd in een laurierboom. 43 geen reyns: niet eerlijk 44 Daagt alle smart in 't velt: Daagt (ww. uitdagen). Overwint alle verdriet. 45 verheert: vernietigt 46 Bekans: bijna 46 duur: deur 47 Zo droef een toon beweegen heur: beweegen (bewoog) Een droeve toon greep haar aan. 48 vroom: moedig, dapper 49 verft: hier betekent het 'met bloed gekleurd'. 50 bloed waar uyt het leven swelt: tijdens de huwelijksnacht Men dacht dat sperma ontstond uit bloed. 51 Die 't alles 't hart afstoot?: ombrengt 52 Ontbroost: van haar laarzen ontdaan 53 Echoos stuyten: echo's weerkaatsen 54 graag: gretig 55 't Nimphjen met blommen Bloey-maant: Een nimf is een bevallig meisje. In de griekse mythologie is het een halfgodin die in de natuur verblijft. 'De nimf met meibloemen'. 56 Bloey-maant: mei 57 Van 't woud gevierd: Door het woud toegejuicht 58 gewach: laat zich horen 59 Vryen met vechten Vryen; proberen te versieren (veroveren) 60 wat 's dat?: wat is je bedoeling? 61 vervagen: tenietdoen 62 verkeer: verander 63 bedwang: dwingende macht 64 Nooyt susten uw 't rusten, of zoude 't u lusten: rusten was nooit jouw ding. 65 dan tracht gy uw gangen: dan vertraag jij. 66 beyden: verbeiden 67 guure: wrede 68 flusjes: van daarnet, zoven 69 't nachjen aan 't dijzend: wegdeinzen. De nacht wijkt. 70 Ga spoede: ga vlug. 71 wezen: (aan)gezicht 72 't albeheersend wicht: Cupido. De kleine god van de liefde. Wie door n van zijn pijlen getroffen werd, werd verliefd. 73 Venus vingse strakx: Venus had ze 'meteen' in haar ban. 74 Schoon: Volledig 74' En streelde een Luyd: en betokkelde een luit. 75 Stil hiel de tong: de vogel (nachtegaal) zweeg. 76 geveert: gevogelte 77 Van het hele Woud 'braveert': van het ww. braveren (uitdagen, tarten). 78 verkracht: overweldigd 79 Spytig: zelfbewust, ongenaakbaar 80 Geyte oor: spotnaam voor de bosgod Pan. Hij was ook god van de geneeskunde. Van gestalte half mens en half geit. 81 Pan (Oudgrieks) of Faunus (Latijn) is een figuur uit de Griekse mythologie. Hij is een zoon van Hermes en de nimf Penelope. Pan is de god van het woud en patroon van de herders en hun kudden. Verder is hij de god van het dierlijk instinct. 82 zeel: dik touw 83 haast: snel, al gauw 84 Elk wou 't eerste zijn genesen: iedereen wou snel genezen. Iedereen wou snel verlost zijn (van liefdesverdriet).

Neegende Verdeeling     1


Het ydele vermaak. Toon: Waer mag mijn Philida.
Het ydele vermaak verdrijft gelijk een stroom: Nu is 't: nu is 't geweest; het leven is een droom.
Op 't hoogste van de nacht, naar 't sinken, en voor 't krieken Des dageraats, wanneer de slaap die 't al verblind, Met Mankop om de kruyn drijft op sijn vale wieken,          2 En d' yd'le dromen, door een fluysterende wint Ten Olm-boom uytgejaagt,          3 Door al de Weereld vliegen, Om al wat harssens draegt, Met schaduw te bedriegen, Met list te domp'len in een treur, of vreugde-stroom, Toen viel mijn geest te beurt, dese allerschoonste droom. Mijn Laura dien ik min, quam in mijn Slaapsaal treden, Met lieffelijk gelaat, en moedernaakte len, Een kleetje alleen bedekte haar heupe naar beneden, 't Hing al van melk en bloed, en Maagdenwas aan een:          3 Een windje op haar verlieft, Ten veynster ingeslopen, Bedreef een stoute dieft,          4 En spreyden 't kleetjen open, Daar zach men dat een mensch, hoe koud, sette in een vlam. Men segt, dat Venus so wel eer ten oordeel quam.          5 Zy naderden mijn koets; wat hart was niet bewogen          6 Geworden, door soo schoone en goddelijk een swier? De liefde blixemde uyt haar bruyne en drayende oogen,      7 En setten al de Zaal in lichte vlam en vier; Zy lachte, en greep mijn hand, Mijn boesem sloeg aan 't beven; 't Hart swoegde door de brand; Ik swijmde, en blies het leven Op roose lippen uyt; maar och! hoe onverwacht, Vond ik my toen gewaakt, in eene donk're nacht.

Air
Droom is 't leven, anders niet; 't Glijt voorby gelijk een vliet, Die langs steyle boorden schiet, Zonder ooyt te keeren. d' Arme mensch vergaapt sijn tijt, Aan het schoon der ydelheyd, Maar een schaduw die hem vlijt,          8 Droevig! wie kan 't weeren?          9
d' Oude grijse blijft een kint, Altijd slaap'rig, altijd blind; Dag en uure, Waart, en duure, Waart, en duure:          10 Word verguygelt in de wind,          11 Daar me glijt het leven heen,          12 't Huys van vel, en vlees, en been, Slaat aan 't kraaken, d' Oogen waaken,          13 Met de dood in duysterheen.          14

Woordverklaring: 1 Traditioneel wordt een embleembundel afgesloten met vanitasgedichten. In 'Ydel vermaak' en 'Air' zweert Luyken zijn lichtzinnig leven af. 2 Mankop: papaverbollen (drug). 3 Olm-boom: in een olm huisden de dromen (mythologie). 4 Maagdenwas: zuivere was. 5 oordeel: het Parisoordeel (Griekse mythologie). Paris werd verleid door Aphrodite en schonk haar de gouden appel, waardoor Hera en Athena in woede ontstaken. 6 koets: bed. 7 bruyne oogen: vurige ogen. 8 vlijt (vleit): bekoort. 9 weeren (weren): verhinderen. 10 Waart, en duure: Waardevol en kostbaar. 11 verguygelt: verzwonden; verspild. 12 Daar me: daarmee. 13 & 14 d' Oogen waaken, met de dood in duysterheen: De ogen gaan open na de dood en zien dan duisternis.

Tiende Verdeeling     1

DIe d' onrust niet in 't hart en heeft, 
Leeft zalig, als hy buyten leeft.    
GElukkig mensch, wien 't is gegeven, 
By 't vreedzame en onnozele vee,          2   
Dat nooyt noch quaat, noch onrecht dee, 
In 't veld zijn dagen af te leven; 
De Bloemekrans braveert de goude Kroon          3   
Die 's Konings zorg by nacht doet waken; 
Geruster zit men onder daken, 
Van riet gebout, als op den hogen Troon. 
O hoe pleyzierig is 't te kruypen, 
Ter kooye op eene veed'ren zak, 
In 't land-huys, onder 't lage dak, 
Wanneer de rege-vlagen druypen, 
Een koele wint in hooge beuken ruyst, 
De krekel die geen zorg wil dragen, 
Voor winter, zingt uyt ruygte en hagen, 
Tot dat men word in zoeten slaap gesuyst.          4   
Daar legt men en ronkt, en droomt in vreden,          5   
Niet als den Vorst, die onverwacht 
Uyt zijne slaap springt, en by nacht 
Het klamme sweet vind op zijn leden, 
Om dat hem docht: men stak hem naar het hart: 
Maar hoe het veld begint te gelen, 
Hoe in het groen de Gytjes spelen, 
Hoe Bloemerts fluyt de Nachtegalen tart. 
Den hof-hond bast met zijne makker, 
Wanneer den Huysman smorgens vroeg,          6   
Voor dag, met omgekeerden ploeg, 
Al zingend', trekkende ten akker, 
Op zijne Guyl voorby de hoven rijt;          7 
Dan waaktme, en hoort de wakk're hanen,          8   
Die ons tot naarstigheyd vermanen: 
Gelukkig mensch, die zoo zijn jaren slijt. 
Men opent vensteren en deuren, 
Men ziet de starren dun gezaayt, 
Men voelt hoe 't weste windje waayt, 
Dat met een schat van versche geuren, 
Van Vlier-blom, en Violen zuyker zoet, 
Van Wyn-ruyt, Tym en hage Rozen,          9   
Die als een root scharlaken blozen, 
U in uw huys zo liefelijk begroet. 
Daar ziet men 't blode Haasje lopen,          10  
Gins zeylt den Havik in de lucht, 
De Klok-hen raast, en is beducht,   
Dat hy haar koomt heur kiekens stropen; 
De Tortel kort, de swarte Lyster fluyt,          11   
Men hoort langs 't veld de beesten loeyen, 
Terwijl den dag begint te gloeyen, 
En langs hoe meer haar licht te spreyden uyt. 
Men ziet den hof met vruchten prijken; 
Men zayt, of plant, of ent den boom, 
Of queelt een deuntjen aen de stroom, 
Zo gaat de zomer middag strijken; 
Tot dat de Zon in 't weste aan 't ondergaan 
De schad'we rekt, langs beemde en heyden, 
En jaagt de beesten uyt de weyden, 
Ter kooye, met hun Uyers vol gelaan. 
By winter, als de wat'ren sluyten, 
Wanneer het snippen van de vorst,          12   
Het land met eenen harden korst, 
Bedekt, dan blijft men in der muyten;          13   
Den avond steekt heel vroeg haar lampen aan; 
De deeren zit 'er by te spinnen:          14   
Men sluyt de laauwe Zomer binnen, 
En laat gerust de Winter buyten staan. 
Dan groeyt het roet in schoorsteen hoeken: 
Dan knapt de harde Beuke-stam, 
En roost de schenen met zijn vlam, 
Terwijl men gaat te gast in boeken; 
Men braat in d' as Kastanien; of vertelt 
Malkander sprookjes: zo met vreden, 
Verwacht men weer de zoetigheden, 
Des zomer-zons, die 't koude berg-sneeuw smelt. 
Dit leven loofden alle wijzen: 
Dit haagden Kats, en Westerbaan,          15   
Die prijzen 't ons met vaarzen aan; 
Dit leven zal ik altijd prijzen. 
O dat het lot my zulk een leven gaf? 
Mijn zang-lust zou veel schoonder bloejen 
En met den Wilg aan 't beekjen groeyen, 
Gelijk een Swaan lijde ik het leven af.          16   
Gelukkig mensch, wien 't is gegeven, 
By 't vreedzame en onnozele vee, 
Dat nooyt noch quaat, noch onrecht dee, 
In 't veld zijn dagen af te leven: 
De bloemekrans braveert de goude-kroon, 
Die 's Konings zorg by nacht doet waken, 
Geruster zitmen onder daken, 
Van riet gebout, als op den hogen Troon.

Aan Joan van Rozendaal. Op zijn vertrek na Pruysen.
SPits-broeder, als gy naar uw wenschen,          17 In 't vette en vruchtbaar Pruisen-lant,          18 Uw voester-stee, de voeten plant,          19 Daar gy wel eer, zo ver van menschen, In koele schaau van eenen Olm-boom zat,          20 Uws Vaders Geyt, en Stier, en Koeyen, Zaagt in 't verschiet, de klaver snoeyen, Van morgen-dauw, zoo zoet als honing, nat. Eer 't Oorlogs-beest met staale tanden,          21 Dat vuur en rook ter neuze uyt blaast, En balkt, en brult, en tiert, en raast, Gelijk een wolk, vol heete branden: Een swarte wolk, die 't hemels-blaauw ontblinkt, Die fors gewrongen, en genepen, Met donder-kloot, en blixem-strepen, De trotze kruyn van berg en steen-rots klinkt. Eer dat dat spook met zo veel euvel, En zo veel ramp 't al onder bracht, En liet u, vluchtende in der nacht, Zo guur en kout van eenen heuvel, Eens ommezien, hoe dat uws Vaders huys, In lichte vlam, door 't vuur zijns oogen, De wolken roosten aan den hoogen, Als 't leven u verdroot door 't sware kruys. Wanneer gy, zegge ik, daar in vreden, Met vreugd en veylig weder koomt, En al de woestheyd schijnt gedroomt, En welstant vind in volle leden; Dan veeg een kroes ter goe gedachtenis,          22 Van al uw Y, en Amstel vrinden, Schoon uyt, rerwijl gy u zult vinden,          23 Verwelkomt aan uws broeders vette dis. Maar als de Zon rijst uyt de baren, En schildert veld en gevel root, Naar dat hy driemaal's weerelds kloot          24 Op zijne koets is om gevaren,          25 Dan neem uw Lier, en schuyl in 't Eekelwout, Dat aan uw Oom, dien vromen ouden, Wel eer, toen hy zijn woning bouden, Beschaften dik en schoon, en duurzaam houd.          26 Daar zittende onder eenen hage, Ofte eenen bruynen Eekel-boom, Aan 't kantjen van een varze stroom,          27 In 't kriekjen van den koelen dage, Zing rustig; hoe gy zo veel jaren lang In 't vrye en goude Holland leefden, Hoe dat gy naar Parnasses streefden,          28 Hoe lente-bloem u wees den rechten gang.          29 Zing, hoe wy daar elkander vonden; En hoe wy kouten langs de weg; Zing meerder als ik u wel zeg; Zing, hoewe ons aan elkaar verbonden, Door vrundschap, en hoe dat wy naar dien tijd, Zo vaak, wanneer den yver woelden, De zorgen van het harte spoelden, Met Lieber, die de doffen maakt verblijd.          30 Maar zing, voor al aan 't bos van Pruysen, Hoe dat wy met de Zang-godin,          31 Wiens schoonheyd ik zo hoog bemin, Niet ver van daar het Y koomt bruysen, Zo liefelijk gedooken in het riet, Uyt aller menschen ogen lagen, Gekoestert naar ons welbehagen, Van niemant, dan de weste wind bespiet. O jonge bloem der Rozen-dalen! Wanneer gy van die zoetheyd zingt, En hart en ziel tot dichten dwingt, Men moester u als Vorst onthalen, Indien gy dan niet weer naar Hollandt haakt; Ja schoon mer u als Vorst onthaalden,          32 Ik weet uw harsens hierwaard dwaalden; Ik weet het waar u geest mede is vermaakt. Vaar heene met mijn wensch en zegen, Gy draagt mijn gunst en vrundschap mee; Dat op de wilde en woeste zee U nooyt een swarte wolk bejegen; Den Hemel hoede uw Schip voor klip en zand; Een koelte blaaze in uwe zylen, En doet u door de golven ylen, Tot dat gy aan het vruchtbaar Pruysen land.

Op het Verjaren Van Nikolaas de Vree
VYfmaal zag het bosch haar bomen, Wit besturven als een doot, Vyfmaal scheenen 't weder dromen, Als 'er blad en bloeyzel sproot: Vyfmaal was het Y bevroren, Zedert, by een los geval,          33 Onze vrundschap wierd geboren, Noch al staatze kant en pal.          34 Kant en pal, en zonder wikken, Dat zy al mijn leven sta, Zonder buygen, zonder schrikken, Hoe verdeeltheyds donder sla: Viermaal zag ik u verjaren, Driemaal vlocht ik u eens krans,          35 Om uw kruyn en blonde haren, Toen noch Vryers, nu al Mans.          36 Maar wat zal ik nu verkiezen? Wat voor bladers? wat voor kruyt? 't Winter-maantje klapt zijn kiezen,          37 Kruyt en bladers hebben uyt: Maar het speelt noch in mijn zinnen, Wat men op uw trouw-dag zong, 't Was, ik wensch dat gy meugt winnen, Binnen 't eerste jaar een jong. En nu zien ik dezer menschen, Wenschen, meer als half volbrocht: Schuylt 'er zo veel in het wenschen? Waar toe naar een krans gezocht? Steekt in menschelijken zegen, Zo veel kracht, en zo veel pit? Wat 's aan blad en kruyt gelegen? Luyster spits, ik wensch u dit:          38 Van uw Bloem een jeugdig roosjen,          39 Root van kaakjes, blank van vel: Bolder dan het Abricoosjen,          40 Moojer dan de Keuken-schel,          41 Die men zegt te zijn gesproten, Uyt de bloed-bel van Adoon,          42 Zulke bloempjes, zulke looten Worden u een schedel kroon. Zulke looten, zulke bloemen, Zulke kruyden, zulke blaan, Geven stof om op te roemen, Zetten 't leven luyster aan; d' Ouders (niemant kan 't verzaaken)          43 Leven schoonder in haar zaat. 't Zijn de vruchten die 'er maken, Dat het boompjen mooyer staat. Leef ook in uw groene kind'ren, Opgekoestert door 't penzeel, Die noch spijs, noch drank vermind'ren, 'k Hou van zulke kind'ren veel: Dat zy uwe kruyen verzieren,          44 Om het hooft van Pozy, Past een krans van Lauwerieren, Of zy stom, of spreekend zy.          45 Leef in vreede, leef in vreugde, Leef zo als gy wenschen kant; Leef in eeren, leef in deugden, Leef in wijsheyd en verstant, Leef zo, dat u naar dit leven, Van het al bevattende          46 't Eeuwig leven word gegeven, Daar men nooyt weer sterven zal.

Op het Af-beeldzel van Juffrouw Barbera Wiggers
HIer bootst de kunst het wezen na,          47 Van d' allerschoonste Barbera, En poogt de Lauwer-kroon te strijken;          48 Maar ver na kanze niet berijken, De groote Meesteres, Natuur, Die konstig door een vocht, en vuur, En aarde, en lucht, in een te mengen,         49 Dit wezen quam in 't licht te brengen, Dat zelf het licht met schoonheyd hoont; Een hemel daar de liefde in woont, Die al zijn goddelijk vermogen, Door diamante blikrende oogen, Uytstraalt tot op het vrye hart, Dat dadelijk in min verwart, Zich geeft aan die Diaan gevangen,          50 Belust op purp're lip en wangen, Zo roos-beschamende, en zo mals, Belust op blanke nek en hals, Waarom de blonde lokjes speelen, Wanneer een windjen haar komt streelen; Houd op vermeetele penzeel, Natuuraas maakzels zijn u te eel.          51 & 52

Aan den Pot Karel Verlove
LAat Kaizer Karel, trots te paard,          53 Vol moeds door ys're drommen stooten; Bescheptert met een snydend swaard, Geslepen op de nek der Grooten: En dond'ren met zijn grof kanon, Op 't Ooste, op 't Weste, op 't Zuyde, en 't Noorden, Beschenen van een harnas zon;          54 En halen zo door mensche moorden, Een Lauwre-kroon met bloed besmet, Om d' omkreits van zijn guld helmet.          55 De krans die om uw schedel sluyt, Gehaalt door vrindelijk te streelen, De snaaren van u Duytse-Luyt,         56

Op een vraag, Welk de beste kunst zy.
DOor braaf met letter-klank te speelen, Wijkt voor de zijne niet een zier; Maar trotst dien dubb'len oorlogs kroning,          57 Van Goud, en bloedige Lauwerier: Dus stoot uw kruyn der starren woning, Daar gy eer lang noch blinken zult, Als 's levens maat is opgevult. O Swaan, die in den mstel speelt,          58 Al drijvend langs haar bieze boorden: De zoete zangen die gy queelt, Als of men Maroos veld-pijp hoorden,          59 Rekke aller Nimphen halzen op; En doen de Y Mereminne luyst'ren;          60 Zo haalt men een bekransten kop:          61 Nooyt zal de dood uw lof verduyst'ren: Gy leeft noch in uw zang, hier naar, Veel langer dan drie hondert jaar.

Aan N.N.
WEl-levens kunst word noyt volprezen, Zy vind den rechten wijsheyds steen,          62 En strijkt met groote schatten heen: Haar kracht kan lijf en ziel genezen; Wie deze kunst recht leeren kan, Is rijk, en een gelukkig man: Hy is op wijsheyds top gerezen. Wat kunst zoude op haar zegepralen? Schoon d' Algemist zijn doelwit raakt,          63 En klink klaar goud van yzer maakt, En poiren schept voor alle qualen:          64 Zo is 't nochtans niet meer dan wint; By 't gene dat wel lusten vind, Te weten God, in 's Hemels Zalen. Ga wijsheyd tot een Hemel richten: Gaar alle kunsten tot een schat,          65 Die 's Weerelds wijde kring omvat, En hangts'er aan voor starre-lichten: Zo zal mijn kunst met held'ren straal Alleen die and'ren altemaal Gelijk een zon doen schaemroot swichten. Zie hier mijn Vriend den allerbesten; Zy is van vele wel begeert, Maar weynig word sy recht geleert, Dat doet de wellust met haar pesten: Maar slaat dien vyand uyt het veld, Gelijk een wakker Oorlogs held; Zo houd gy licht wel-levens vesten.
EEn geest die ydeloos poogt te leven,          66 Van edelmoedigheyd gedreven, Door Leerzucht stadig aangesweept; Ontziet noch wind, noch dolle baren, Der sware moeyten en gevaren, Hy oogt op 't geen hier achter sleept. Beleefde Jongeling, de stralen Die 'k op uw voorhoofts star zie pralen,          67 Die hebben 't hart door 't oog gevleyd; En porren al mijn aanspraaks krachten, Om u te manen tot het trachten, Naar 't heyl van goude onsterflijkheyd. Een zal'ge berg, alom bewossen,          68 Met geurige Mirte en Lauwre bossen;          69 Een kroon van 't sware en logge eelment,          70 Verheft zijn kruyn door 's hemels ringen,          71 Hier koomt een bron ten aar uyt wringen,          72 Wie daar van drinkt, leeft zonder ent. Daar moet gy heene om op te stijgen, Door klimmens moeyten, swoegen, hijgen, Verdient men by de Wijzen eer; Verschrik niet, schoonse hoog en steyl is: Denk wat 'er op dien top al heyl is; Kijk al na hooge en nimmer neer. Daar wonen negen zuyv're Nonnen,          73 Wiens tweemaal negen voorhoofts zonnen,          74 Bezielen 't drajend rond met brand;          75 Die zullen u te moede treden,          76 Met zang en dartelende leden, En bieden u beleeft de hand. Een ziel die eyndeloos poogt te leven, Van edelmoedigheyd gedreven, Door leerzucht stadig aengesweept, Ontziet noch wind, noch dolle baren, Der sware moeyten en gevaren, Hy oogt op 't geen hier achter sleept.

Schijn bedriegt Toon: O Karsnacht
EEn knaap, in 't bloejen zijner jaren, Dreef daar de zee met breede baren, Komt slepen op de schuyne strand, Zijn Vaders vee, naast zijne Broeder, Geboren van een zelve Moeder: Nooyt was de vee-staf uyt zijn hand. Nu beurden 't op een vroege morgen, Wanneer Kleenardes zonder zorgen, Beschouden hoe de purp're dag, De bleeke melk-weg d verdwijne, Dat hy de dart'le Schoone schijne, Dat blanke water-Nimphjen zag. Zy liet haar tot de navel kijken, En quam langs d' Oever heene strijken; Noch schoonder dan de trotze Swaan, Bekleed met hagel witte pluymen, Die 't water voor zijn borst doet schuymen, Wanneer hy wil ten strijde gaan. O hogen Hemel! riep de jongen, (Och had hy toch zijn oog bedwongen, Dat hem zo deer'lijk doolen dee!) Mocht ik mijn Vaders vee begeven,          82 En met dit schoone Nimphjen leven, Ik sleet mijn dagen in de zee. Het Nimphjen dat haar aansicht draayden Zo haast dees woorden overwaayden, Benam hem met een lonk 't verstant: Daar lach sijn plicht en trouwigheden, Daar lach de deugt, daar lach de reden, En mensheyd met de staf in 't zant. Nu lobden hy al in de golven,          83 Die bey zijn benen vast bedolven, En klommen by zijn dyen op; Zo als zich aen de poort zijns ooren, Zijn Broeders bange stem liet horen, Een stem uyt een benaaude krop: Sta stil, sta stil, waar wilt gy hene? Rampzalige! ach gy doet my wene! Uw dwaasheyd gaat my aan het hart! Keer weer, of anders zal 't u rouwen, Gy brout, ik sweer 't by myner trouwen, Gy rout uw eygen leed en smart.          84 Keer weer, keer weer, waar zijn u sinne! Waar dwaalt gy door verdoolde minne! Wat ziet gy dese schoonheyt aan? Haar monster-deel schuyld in de baren:          85 Zo gy dat zaagt, ik weet de haren Die zouden u te berge staan. Zoo voer hy voort. Terwijle vleyde Het Nimfjen, hem van d' andre zeyde; Met dese ren: Kleenardes, hoe! Hoe laat gy u so licht verbasen?          86 Uw' ooren vol versaagtheyt blasen: Waar is uw stoute moed? tre toe, Tre toe, gy meugt de kans wel wagen: Ik sal u op mijn armen dragen; Of anders sult gy met gemak, Des Dolfijns schone nek beschryden, En over 't water hene glyden, Gelijk een Duyf, door 't grote vak.          87 Niet ver van hier leyt eenen haven, Daar heeft natuur een hol gegraven, In 't borst-stuk van de harde steen Daar laat sich nooyt het onweer vinden; De hoge steenrots breekt de winden. Tre toe; daar moet gy met my heen. Daar sullen wy vermaak'lijk spelen, Elkander kussen, vleyen, strelen, En doen al wat de liefde lust. En so gy weder t'huys wilt keren, Ik sal u, trots d' onstuyme weren, Weer brengen aan uws vaders kust. Dees redenen, vermengt met lonken, Die bliesen in Kleenardes vonken, En setten 't hart, in vlam en vuur; De hette straald' uyt bey sijn' oogen, Hy quam het Nimfjen toe gevlogen; Maar ach! die dwaasheyt stont hem duur. Zo haast als sy de knaap sach vlotten,          88 Begon sy met sijn leet te spotten, En dook toen naar de diepe gront; Het water vond sijn aam-gat open,          89 En quam ten lichaam ingeslopen, Dies sloot de doot sijn bleke mont. O Harders! die uws Vaders schapen, Langs d' Oever weyd, jonge knapen, Wanneer gy Schoone-schijne ziet, Dan sluyt uw oogen en uw zinnen, Of geef u vaardig boswaart inne, Betrouw, betrouw u zelven niet.

Van Dooraltus          90
DOoralt, roem der Jongelingen! U kan ik niet vergeten: 't lust My van uw trouw, aan d' Amstel-kust, De jonge knapen toe te zingen; O negental! begunstigt mijn verstand;          91 Verlicht mijn doffe geest met stralen: Gy hebt Dooraltus zelf zien dwalen; Gy weet waar hy zijn Leliana vand. De Zon verzonk in Tetus stromen,          92 't Was spade, tusschen dag en nacht,          93 Wanneer Dooraltus onverwacht, Een rook zach rijzen uyt de bomen; Daar woont een mensch (zo dacht hy) en stapte aan, Langs 't kromme pad, dat hem gelijden, Begroeyt met ruygte aan weder-zijden, Tot hy zich vand aan d' ingang van een laan. Hier stond hy stil, als een verstelden;          94 Daar lag een doodshooft in het gras, De swarte Raaf riep drie maal kras; De Nacht-uyl scheen niet goeds te spelden, Hy evenwel schept moet, en gaat al voort, Belust waar 't eynde zal belanden; Nu stuyt hy tegens hooge wanden; Een oud gebouw, heel woest, met open poort. Hy koomt tot in de keuken streven, En vind een lang en mager wijf: Het harte klopt hem in het lijf, En al zijn frisse leden beven: Een eys'lijk wijf, zat slordig by den haart, Haar lange swarte hayr te kemmen. Een koude schrik scheen 't bloed te stremmen, Van onzen knaap, voor dezen nooyt vervaart. Een menschen-hooft, met bleke wangen, En open monde, vuyl van bloed, En etter swart beklad met roet: Dat zachm'er aan een nagel hangen,          95 Zo als het wierd beschemert van de vlam, Eens vuylen lamps, die damte en rookten, Dooralt, schoon hem de vrees bestookten, Ontsloot zijn mond, zoo dra hy wat bequam. Hy sprak: Weet gy my ook te wijzen, De heyrbaan op de naaste stad? Mijn onluk bracht my van het pad. Hier me begint zijn hayr te rijzen; Het wijf siet op, en grimlacht hem eens aan: En daad'lijk laatse haar wakker horen:          96 Mijn waarde dochter koom eens vore, Ga heene en wijs dien man de rechte baan. Met hoord hy een portaal-deur kraken, Daar komt een maagt met flaauwe schreen, Noch jong, maar ongedaan so 't scheen;          97 Het hooft behangen met een laken. Volg maar de Maagt; so sprak de monstervrouw. Dooralt, vol duchten en vol sorgen, Veranderde, als de vroege morgen, Nu root, nu bleek; en wist niet hoe hy sou; Doch, na den aart der grootste zielen, Gesproten uyt een edel bloed, Verflaaut de bloheyt voor de moed,          98 Hy volgt de Deeren op de hielen. Zy treden af by donk're maneschijn, Langs twalef blaauwe steene trappen; Nu zijnse, ontrent een twintig stappen, Of daar ontrent, gevordert, op een plijn, Wanneer de Maagt begint te spreken, Met stem vervalst, door droefheyts pijn; O Ridder, wie gy ook meugt zijn; (Hier bleefse weer in suchten steken) Doch na 't gedroog der tranen, voer sy voort: Zo weldoen ooyt uw ziel behaagden, Verlos d' elendigste der Maagden: Dit kunt gy doen, als gy dees borst doorstoot; Door-boort dit hart, met uwe degen, En berg uw selve door de vlucht; Ach kost gy vliegen in de lucht, Dan waar ik min om u verlegen: Dees Gaarden legt besloten in een muur. Dat monster-mens, sonde! schanden! Verscheurt, en knaaut met hare tanden, Het menschen-vlees; dat leven valt my suur. Dit was een donder in sijn ooren: Hy vraagde: Zijt gy geest, of spook, Zo laat my, en verdwijn als rook: Maar zijtge een mens, so laat my horen, Van waar, en wie, en hoe 't met u is gegaan; Ik sweer by 'tgeen ik 't meest beminne, U, wie gy zijt, met hart en sinnen, Met raad en daad, als broeder, by te staan. Hier op begon de Maagt te schreyen, En sprak: Och of't noch mocht geschien, Dat my mijn vader weer mocht sien, Hoe sou dien grijsen sich verblyen! Ik was wel eer een lief en waardig kint, Gekoestert op de schoot mijns moeders; Ik had, noch susters, noch gebroeders, Ik wierd alleen, als 't hoogste pand, bemind: Mijn Vader was een Land-regeerder, Ik soog het Vorstelijke bloed, En wierd tot grootsheyd opgevoet; Mijn jaren wierden langs hoe meerder. Het beurde dat een braven jongeling, Op my verlieft, al zijne dagen, Besteeden, om my wel te hagen, En nacht en dag om mijne woonplaats ging. Mijn vader wild' hem zien, noch horen, (O blinde staat-zucht, nooyt gelooft!)          99 Maar stiet hem wrevel voor het hooft, Wijl hy zoo hoog niet was geboren. Hy evenwel houd onverzetbaar stand, En trok door zijne trouw mijn zinnen, En blies door zijn standvastig minnen, Mijn jeugdig hart in eene lichten brand. Ik minde hem, ja ik kan 't niet veynzen? Dien schoonen bloem! dien trouwen och! Schoon dat hy dood zy, 'k min hem noch, Het lust my staag op hem te peynzen. Wech tranen, toef, tot dat ik dezen Helt, (Zoo oyt een pijl van liefdens pezen Hem trof, hy zal medogend wezen) Mijn leven en mijn lijden heb vertelt. Wy dan, van alle hoop verlaten, Besloten, door een jong verstand, Om t'zamen naar een ander land Te vluchten; en het Hof te haten: Men vond het goet, men stemden eenen tijd, Wanneer men heymelijk zou vluchten, Ik wachten naar dien tijd met duchten: Nu waar ik bang, nu wederom verbleid. 't Was 's uchtens, in den koelen dage, Wanneer ik wandelde in den Hof; Vaak keek ik om door 't groene lof, Of my ook ymants oogen zagen: Ten laasten sloop ik stil ten hof-poort uyt, En quam daar my mijn Liefste toefden, Met al het geen dat wy behoefden: Ik noemde hem lief, hy noemde my zijn Bruyd. Wy vluchte, en hielden ons verborgen: Men zocht ons door het heele land, Door bos en beemde, en langs de strand: Vaak waren wy in angst en zorgen: Maar 't ging naar wensch, men zocht en vond ons niet, Totdat wy ons, na dartien dagen, Te scheep op Zee bevonde, en zagen Ons Vaderland verdwynen in 't verschiet. 't Was lang mooy weer, de ronde zeylen Gespannen door een koele wind, Die deden 't logge Schip geswint, Gelijk een Duyf door 't water eylen: Maar och! 't geluk dat word ons maar geleent! 't Balstuurig lot, te wuft in 't wenden,          100 Herschept de vruugden in elenden,          101 En zend de dood, wanneer men 't niet en meent.          102 Den sesten dag quam, uyt het Noorden, Zo als de Zon in 't Westen sonk, En blikrend langs de baren blonk, Een byster sware lucht; men hoorden De Noorde-wint versuchten, langs de Zee: De nacht quam snelder aan getogen, En rukten ons den dag uyt d' oogen; Het wierd een weer, dat yder schrikken dee. Men sach de dood op yders wangen, Men suchte, en riep den hemel an, Den allerstoutste en starkste man, Liet toen het hooft van weemoed, hangen. De blixem schoot door swarte wolken heen, En flikkerde in de lucht: het kraken Des donders, scheen elkx hart te raken; De wind groeyde aan, en maakte groote Zeen. Het schip aan lager wal gedreven, Ging schuuren over klip en sant, En liep te barsten op de strant; Daar kosten 't menig man sijn leven; Wy bleven op het voor-schip sitten. Ach! Mijn waarde lief had my om-vangen, En las de tranen van mijn wangen; Zo wachten wy, al suchtende den dag: Ten laasten quam den uchtend rijsen, Ter kimmen uyt, met weynig kracht, En ons in schaduw van de nacht, Het land met berg en bossen wijsen: Het schip sat hoog en droog, met sant bewelt;          103 Den hemel voerde een soeter weder, Wy klommen by de boorden neder, Doch vonden ons van niemand meer verzelt: Nu dreef een wolk van voor de Mane, Zo dat het bleek besturven licht, Quam scheem'ren in haar aangesicht: Toen riep hy: Ach! mijn Leliane! Daar zeeg sy neer, en sweem in 't groene gras, Terwijl Dooraltus nederbukten, Haar blanke boesem open rukten, En kus op kus, van hare lippen las. De Maagt bequam, daar had men mogen          104 Beschouwen, hoe die beyde elkaar Omhelsden met een bly gebaar; De tranen dreven uyt haar oogen. Na lang een wijl' quam haar de spraak weer by. Hoe quaamt, hoe quaamt gy doch, mijn schoone, Hier by dit monster-wijf te woonen? Zo vroeg den held, geseten aan haar zy. Hier op de Maagt: Toen wy de stranden, En 't schip verlieten, met den dach, En al so diep al gaande (ach! ach! het viel my suur) in 't bos belanden, Toen gy my daar by d' ype-boom liet staan, En liept door struyken en door hagen, Om 't jonge Geytjen na te jagen, Helaas toen ging, toen ging mijn ramp eerst aan: Gy quaamt niet weer, hoe lange ik beyden;          105 De winden ruysten door het wout, 't Was eensaam, naar, en guur en kout; Ik stont alleen bedroeft en schreyden; Ik schrikten van het rislen eener blad: De waan quam toen mijn herssens krenken; Ik wist niet wat ik had te denken: Ik twijffelde of gy my verlaten had. Den avond was alrede aan 't komen, Toen quam dit leelijke oude wijf, (Ik schrok) my onvoorsiens op 't lijf; Zy sach 't, en seyde: ay staak uw schromen, Mijn kind hoe koomt gy hier so verdoolt? Kom ga tot mijnent overnachten; Ik seyd' haar dat ik u moest wachten, En heb haar al ons avontuur vertelt. Kom, sprakse, en greep my by der mouwen, Den knaap koomt licht op onsent aan, Als hy de rook sal op sien gaan; Gy kunt het hier by nacht niet houwen: Zo sleepten sy my naar dit oud gebou, En liet my, tot den dag van heden, Nooyt weder uyt de voorpoort treden; Drie Maanden sleet ik so in angst en rou. Een leven daar men nooyt van hoorden, Ik sach haar een verdwaalde knaap, Die hier quam rusten, in sijn slaap, Helaas! so deerelijk vermoorden: Gy hebt sijn hooft sien hangen in de schou; Zy at sijn vlees, en dorst my noden O Gruwel! o alsiende Goden, Gy weet dat ik veel liever sterven wou. Zy houd op my een wakend ooge, En spoort waar dat ik hene ga, Altijd met vlijt mijn stap-sten na. Dank sy de Godheyt in den hooge, Dat ik u sie: Maar seg, hoe is 't geschiet? Hoe ging 't met u, mijn hoog beminden? Kost gy de plaats niet weder vinden, Daar gy my by den hoogen Ype liet? Dat kosten my so vele tranen. (Dit was sijne antwoord dien hy gaf) Ik socht, en liep my self schier af;          106 Ik suchte en riep: Mijn Leliane; Maar al vergeefs; de nacht quam schielijk aan De halve Maan alrede aan 't klimmen, Schiep nare schaduwen en schimmen; Ik doolden, met een hart vol pijn gelan. In 't kriekjen van den koelen dage, Quam ik ter plaats daar ik u liet, By d' Ype, maar ik vond u niet: Denk schoone, hoe ik was verslagen! Van dien tijd af hebbe ik het land doorsocht, In Dorp en Stad, door Woude en Velden, Op hoop dat ymand u sou melden. Dank zy die God, die my hier by u brocht. Maar sacht: Wat komt daar van de trappen? Met glonde Fakkel in de hant. 't Is 't Wijf: Vrees niet, mijn lief; hou stant. Terwijle quam het Monster stappen Met flaauwe schren: nu stontse, en sach rondom, Tot sy de lieven had gevonden: Zy prevelden met scheven monde. Kom sprak den held, vervloekte Monster, kom. Hy scheurt de fakkel uyt haar handen, En drijftse haar blakende in 't gesicht. De hair-klits zengt, en geeft een licht,          107 En stinkt: hy knarst op sijne tanden, En sleeptze by het swarte hayr langs d' aart, Zy ballikt, en vloekt, met ys'lijk gillen, Dat d' Eekel-bomen staan en trillen, De Nacht-uyl en de Vleermuys zijn vervaart. Het blanke swaart zo scharp van snede, In 't kamp-perk, of op 't vlakke-veld, Beproeft op menig wakker helt, Sijn schilt en helm, raakt uyt de schede, En verft zich in de strot van 't menschlijk beest; De ziel geprangt om heen te vaaren,          108 Vloeyt met het swarte bloed uyt d' aaren, Zy krimt, en geeft al brullende de geest. Kom, schoone kom, mijn ziel, mijn leven, Het staat ons hier niet langer aan; U waakster slaapt, kom laat ons gaan, En deze gruwel-plaats begeven,          109 Zo sprak Dooralt, en nam haar by der hand; 't Geluk was nu voortaan haar mede: Hy voerden haar door Lande en Steden, Zo wijd, zo ver, tot in haar Vaderland. Daar wierden zy met gonst ontfangen; De grijze Vader baade in vreugd, De Moeder kreeg een nieuwe jeugd, En beter verwe op haare wangen: De heylige Echt schiep haar tot Man en Vrouw, Zy sleeten al hun levens dagen, In lust, en rust, en welbehagen, Men week 'er nooyt van d' eerst gegronde trouw.

Schoonheyd is bekoorelijk. Courante simple
INdien 'er dan een Venus zey,          110 De schoonste van de schoone goden rey, Zo is 't Argivina, die ik bemin;          111 Want in haar wezenstrek speelt een Goddin.          112 Men ziet 'er smelten onder een De grootsheyd en de zoete vrind'lijkheen: De ziel die tintelt in haar bruyn gezicht,          113 Gelijk een star die uyt den duyster licht. Het root dat op haar wangen speelt, En zich als blood op melk geplengt, verdeelt,          114 Beschaamt de Rozelaar met dau besproeit, Hoe schoon hy in de geurige uchtend bloeit. Haar half ontsloote rozemont, Blaast zoeter geuren dan de morgen-stont, Waar door de blanke boezem swelt en daalt: 't Is schoon te zien hoe dat zy adem haalt. Op 't voorhooft blinkt de majesteyt, Gelijk een dageraat, zoo schoon, en spreyt Zijn stralen uyt, en schept een zonnekring, En om haar hals daar kreukt zich ring by ring. Nu lust het my haar heel t' ontklen, En eens te zien die welgeschikte len: Vergeef het my schoone zo 'k misdoe, Uw achtbaarheyt, mijn graagte word niet moe.          115 Haar opgeblaze borsten zijn opgeblaze: welgevulde Als sneeuw, wanneer den uchtent zonneschijn Die flaautjes verft met schuyne en purp'ren straal, So verft de krop, zo verft het altemaal.          116 Haar brave middel laat geen been (Gelijk als veele) zien door 't vleesch; neen; 't Is al volmaakt geschapen; maar zy beeft Van poezelheyt, wanneer zy treet en leeft.          117 Natuur boetseerde nooyt soo braaf, Nu teekent sy met eene stip de Naaf,          118 En buygt zo zoet allengsjes sachjes neer, En haalt een streep half ront, en puyld dan weer. Hier hoogt zy flaauw aan elke zy,          119 En trekt in schaauw, een diepsel tussen by: Ter rechter en ter slinker buygt de las. Nu raak ik weer van daar 't op 't heetste was. Nu schept mijn long, mijn ziel weer aam,          120 Nu stromen al mijn geesten weder t'saam. Het swoegend hart begeeft zich weer tot rust, Haast waar ik dood gestikt in diepe lust. Haar dey, volslagen en gezet, Voldoet te wonder de volmaaktheyts wet, Na d' enkelen smelt de bolle en ronde kuyt, En als sy treet verkreukt de voet geen kruyt. Daar staat die schoone naakt voor 't oog, Sy schiet gelijk een Palm-boom recht om hoog, En draayt haar hals, terwijl de weste wind Geneuchte in 't speelen van haar hayr-lok vind. Blijf eeuwig naakt, en kleed u nooyt, Het kleed hoe 't zy, hoe schoon, hoe wel getooyt, 't Misstaet u schoone by dat levend naakt, Dat zelf de wint van 't koude noorde blaakt Men dichte een Venus zo men wil,          121 'k Spot met haar grootsheyt niet, maar hou my stil Het zy hoe 't ook mach wezen, waar, of waan, Ik bidde Argivina voor Venus aan.          122
EYNDE

Woordverklaring: De tiende verdeling bevat naast een ode aan het buitenleven, een serie gelegenheidsverzen. Het laatste gedicht is gewijd aan zijn vrouw Maria den Ouden onder het mom van Argivinia. 1 Het gedicht zwaait de lof van het buitenleven. 2 onnozele: onschuldige 3 braveert: tart, daagt uit. 4 gesuyst: gesust 5 Venus is de Romeinse godin van de liefde. 6 Huysman: boer 7 Guyl: trekpaard 8 waaktme (waakt men): ontwaakt men. 9 Wyn-ruyt: medicinale plant die men dikwijls aantreft op boerderijen. 10 blode: bange 11 kort: koert 12 snippen: striemen 13 in der muyten: in zijn schuilhoek 14 deeren: deernen (hier 'boerendochter'). 15 Kats en Westerbaan: de dichters Cats en Westerbaan bezongen de natuur in 'Hofdichten'. 16 lijde: legde. 17 Spits-broeder: kameraad. Luyken en Van Rozendaal maakten deel uit van een groep jonge dichters. 18 In 't... Pruisen-lant: verwijzing naar versregels 1857-1859 van Vondels Gysbreght. 19 voester-stee: geboortegrond 20 schaau: de schaduw van een boom heet 'lommer'. 21 't Oorlogs-beest; oorlogsmachine. Verwijzing naar de Zweeds-Poolse oorlog van 1655-1660 22 Dan veeg een kroes: sla een kruis. 23 schoon uyt: leeg tot op de bodem. 24 's werelds kloot: globe; aardbol. 25 koets: zonnewagen; metafoor voor zon. 25 Beschaften: Verschafte 27 varze: frisse 28 naar Parnasses streefden: ernaar streefden om de muzenberg te beklimmen. 29 lente-bloem: metafoor voor een derde dichtergenoot. 30 Lieber: Liber Pater is een andere naam voor de wijngod Bacchus. 31 Zang-godin: Muze. Verwijzing naar Maria de Ouden. 32 mer: men er 33 Zedert: sinds; los geval: toevallige gebeurtenis. 34 Noch al: Nog steeds 35 eens - lees: een 36 vryers... mans: toen nog vrijgezellen, nu getrouwde mannen. 37 't Winter-maantje klapt zijn kiezen: december klappertandt. 38 spits: kameraad 39 Bloem: toespeling op de De Vrees echtgenote, Catharina de Blom. 40 Bolder: ronder 41 Keuken-schel: plant uit de familie Adonium, die zijn kleur ontleende aan het bloed van Adonis (mythologie). De mythe van de Moedergodin en haar zoon-minnaar gaat terug op de Sumerische herder Dumuzi. Jaarlijks werd een jongeman geofferd, zodat zijn bloed de velden vruchtbaar maakte. 42 de bloed-bel van Adoon: het bloed van Adonis. 43 verzaaken: ontkennen 44 kruyen: kruinen 45 Of zy stom, of spreekend zy: de 'stomme' pozie is de schilderkunst, tweelingzuster van de 'sprekende' dichtkunst. 46 Al: heelal. Metafoor voor God. 47 wezen: de stoffelijke vorm (realiteit). 48 strijken: verwerven 49 lucht: de vier elementen. Water(vocht), vuur, aarde en lucht. 50 Diaan: Diana is de Romeinse godin van de jacht. Ze is de maagdelijke heerseres van fauna en flora. 51 Natuuraas maakzels zijn u te eel: de scheppingen van moeder natuur. 52 eel: edel 53 Kaizer Karel: Karel V (1500-1558). 54 van een harnas zon: door een schitterend harnas. 55 Om d' omkreits van zijn guld helmet: omheen zijn gouden helm. 56 streelen: in de betekenis van tokkelen Duytse-Luyt: metafoor voor Nederlandse taal (Nederduits). 57 trotst: doet niet onder voor 58 Swaan: metafoor voor dichter 59 Maroos: van Vergilius Maro (70VC - 19VC). Romeins dichter. 60 Mereminne: meermin. 61 bekransten: met een lauwerkrans als teken van eeuwige roem. 62 wijsheyds steen: alchemisten hoopten met de steen der wijzen onedele metalen in goud te veranderen. Hij zou zijn bezitter ook onsterfelijk maken. 63 Algemist: alchemist (alles gemist). 64 poiren: poeders 65 Gaar: Verzamel 66 ydeloos: lees 'eyndeloos'. 67 uw voorhoofts star: uw blinkende voorhoofd 68 bewossen: begroeid 69 Mirte en Lauwre: symbolen van liefde en dichterlijke roem. Lauwre: laurier (Laurus nobilis). 70 't sware en logge eelment: de aarde. 71 's hemels ringen: de negen hemelsferen. 72 ten aar uyt: uit haar ader. 73 negen zuyv're Nonnen - de negen Muzen 74 tweemaal negen voorhoofts zonnen: toespeling op (18) ogen. 75 't drajend rond: het heelal 76 te moede treden: tegemoet komen. 82 begeven: aan hun lot overlaten; in de steek laten. 83 lobden: waadde 84 Gy rout uw eygen leed: rout (lees brout). Jij brouwt jouw eigen leed. 85 monster-deel: monsterachtig onderlijf van een meermin. 86 verbasen: verbazen; uit het lood slaan. 87 't grote vak: in de lucht; het luchtruim. 88 vlotten: drijven 89 aam-gat: mond 90 Dooraltus slaagde erin om Leliana te redden uit de klauwen van een heksachtige vrouw. 91 negental: negen Muzen 92 Tetus: de nerede Thetis (Griekse mythologie) was de moeder van de held Achilles. 93 spade: laat 94 als een verstelden: versteld; verbaasd. 95 nagel: spijker 96 haar: zich 97 ongedaan: ontdaan; in de war; geheel van streek zijnde. 98 bloheyt: schuchterheid; bangheid. 99 staat-zucht: het streven naar status. 100 Balstuurig: ongezeglijk; grillig. 101 vruugden: lees 'vreugden'. 102 wanneer men 't niet en meent: onverwacht. Wanneer men er niet op verdacht is. 103 met sant bewelt: bedekt met zand. 104 bequam: kwam bij 105 beyden: wachtte 106 en liep my self schier af: schier=nagenoeg. en bleef doorlopen tot ik bijna niet meer kon. 107 hair-klits: klit=verwarde massa. Verwarde lok haar. 108 geprangt: prangen=drukken, benauwen. 109 begeven: verlaten 110 Venus: de Romeinse godin van de liefde. 111 Argivina: meisje uit Argos. Verwijzing naar Luykens beminde Maria de Ouden. 112 wezenstrek: gelaatstrekken 113 bruyn gezicht: bruyn in de betekenis van stralend. Stralende ogen. 114 blood: bloed 115 achtbaarheyt: eerbaarheid. Graagte: begeerte. 116 krop: hals en bovengedeelte van de borst. 117 poezelheyt: molligheid; zacht en rond. 118 Naaf: navel. 119 hoogt zy flaauw: accentueert zij; brengt zij lichte verhogingen aan. 120 aam: adem 121 Venus: zij was de Romeinse godin van de liefde. Oorspronkelijk was Venus een Ouditalische vegetatiegodin, beschermster van tuinen en wijngaarden. 122 Argivina betekent meisje uit Argos. In deze stad bevond zich het beroemdste heiligdom van Hera, de godin van het huwelijk. Argivina is in het gedicht een metafoor van Maria den Ouden.

Bi(bli)ografie

Jan Luyken (dichter, schilder, etser, graveur
en boekillustrator) groeide op in een streng religieus-
chiliastisch* gezin. Zijn vader Caspar was lid
van de reformateurs.
Omstreeks het einde van 1671 heeft de tweentwintig-
jarige dichter het manuscript van zijn debuut,
het erotische 'Duytse lier'** ingeleverd bij drukker-
uitgever Jacobus Wagenaar in Amsterdam.
Tijdens zijn adolescentie zette de dichter zich namelijk
af tegen zijn fundamentalistische milieu en genoot
volop van wijntje en trijntje. Toch prees hij in sommige
verzen het huwelijk aan.
Uit zijn 'Duitse Lier' blijkt ook dat hij gecharmeerd
was door verschillende meisjes, die hij 'vrolike Amstel-
Nimphjes' noemde. Ondermeer Appelona Pynberg
(in de 2e en 8e verdeling), Lea Steylvlied (in de 8e
verdeling), en Barbera Wiggers (in de 10e en laatste
verdeling) genoten zijn amoureuze belangstelling.
In 1672 trouwde hij met de actrice-zangeres Maria
de(n) Oude(n) (1647 - 1682) naar wie het slotgedicht
van de tiende verdeling verwijst. Zij wordt voorgesteld
als Argivinnia (meisje uit Argos).
 Ik bidde Argivina voor Venus aan.
Omstreeks 1676 'bekeerde' hij zich. Hij trad terug
in de voetstappen van zijn vader en werd een diepgelovig
man (mennoniet***).
In de laatste decennia van zijn leven paste hij zelfs
de leer van zijn vriend en leermeester in het mysticisme
Bhme grondig toe en deed afstand van het leeuwendeel
van zijn bezittingen.
Slechts de toewijding van een dienstbode, Annetje van
Vliet, behoedde hem voor verregaande verpaupering.
Na langdurig ziek geweest te zijn overleed Jan Luyken
in 1712.
Zijn schoondochter, de weduwe van zijn zoon Caspar,
die met haar zoontje bij hem inwoonde, stond hem bij
aan zijn sterfbed.
In het leven van Jan Luyken zijn er dus duidelijk
twee periodes te onderscheiden, een frivool-wereldse
en een ascetisch-vrome.
*chiliasme: het geloof aan een duizendjarig
vrederijk op aarde.
***mennoniet: doopsgezinde.

Zijn werken:
-**Duytse lier (1671). Dit is zijn bekendste werk
met minnepozie, verhalen, idyllen, romancen, sprookjes
en wijsgerige beschouwingen.
Luyken 'zou', volgens sommige bronnen, geprobeerd
hebben om alle exemplaren te bemachtigen en te
vernietigen. Dit is waarschijnlijk onzin als men weet,
dat in de 17e en 18e eeuw de Duytse lier zevenmaal
werd uitgegeven.
Na zijn debuut als dichter produceerde hij vooral
emblematabundels (een emblema bestaat uit een
zinspreuk, een afbeelding en de tekst).
Jan Luyken werkte later nauw samen met zijn zoon
Caspar (1672-1708), met wie hij zijn bekendste
emblemataboek maakte, namelijk 'Spiegel van het
Menselyk Bedryf'.
-Jezus en de ziel (1678)
-Oorsprongk, begin, en vervolgh der Nederlandsche
oorlogen (1680)
-Voncken der liefde Jesu, stichtelijke gedichten (1687)
-Spiegel van het menselyk bedryf, bundel etsen van
ambachten (1694)
-Lof en oordeel van de werken der barmhartigheid (1695)
-Zedelyke en stichtelyke gezangen (1698)
-Beschouwing der wereld, met voorstellingen van rampen
en bezoekingen (1708)
-De onwaardige wereld (1710)
-De bykorf des gemoeds, stichtelijke gedichten (1711)
-Het leerzaam huisraad, vertoond in vyftig figuuren
(1711)
-Des menschen begin, midden en einde, bundel etsen
van levensfasen (1712)
-Geestelijke Brieven (postuum 1714)
-Overvloeijend Herte (postuum 1767)


Duytse lier **

Een duitse lier of draailier is een snaarinstrument
waarop het geluid wordt voortgebracht door een schijf
die voortdurend langs de snaren strijkt. Het instrument
heeft een klankkast met twee klankgaten.
De snaren kunnen bespeeld worden met toetsen die de
toonhoogte veranderen. Enkele snaren, die bastonen
voortbrengen, veroorzaken een karakteristieke,
constante brom.


Naar boven

Jan Luyken - Duytse Lier I

Jan Luyken - Duytse Lier II

'Bakermat' van de pozie

Pozie in de middeleeuwen

Het Antwerps Liedboek

Gedichten uit De Gouden Eeuw

Anonieme liefdesgedichten

Liefdesgedichten - Top 10


Homepage

Pageviews sinds 21-03-2002: 

  © Gaston D'Haese: 23-07-2009.
Laatste wijziging: 05-09-2017.

E-mail: webmaster