Frederik van Eeden
Frederik van Eeden
(įHaarlem, 3 april 1860 - +Bussum, 16 juni 1932)

Gedichten

De Lente

De Waterlelie

Bij 't verwachten der Liefste

Avond in de stad

Voor H.

Schemering in 't woud

Biografie

DE LENTE

Reeds is het statig eiber-paar gekomen,
't geduldig rijs wringt stil de knoppen los,
de zoele lente luwt door 't zonnig bosch
en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.

Violengeur stijgt op uit vochtig mos,
een bronzen gloed verjongt de dorre boomen,
en primula's en dotterbloemen zoomen
de groene wei met gouden voorjaarsdos.

Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht!
wat scheen uw toeven lang! - is 't niet mijn leven
dat door uw donzen adem wordt gewekt?

Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt,
des weerziens zaligheid mij niet meer geven
en grimmig grijnst dan d'eindelooze nacht.

Uit 'De passieloze lelie'

Naar boven

DE WATERLELIE

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...

Uit 'De passieloze lelie

Naar boven

Bij 't verwachten der Liefste

Ik weet het dat ge mijn zijt -- mijn alleen --
Ik weet het -- en ik peins het wonder na
en kan het niet bevatten -- hoe ik peins.
Mijn is uw lach en de opslag uwer oogen,
mijn is uw ziel -- uw gansche, diepe ziel.

Zal ik het straks begrijpen, als ge komt,
als hij uw hand mij zoo vertrouwend reikt,
het hoofdje half gebogen, als in weemoed?
Zal ik het lezen in een langen blik,
het hooren in de daling uwer stem?

Ik weet het wŤl - het zal mij droevig zijn
als wie gevangen 't verre zonlicht ziet,
en tranen zullen komen, daar mijn ziel
't geheimnis onzer liefde niet begrijpt.

Uit 'De passieloze lelie'

Naar boven

AVOND IN DE STAD

De groote stem der stad verstomt
en de nachtwind die in mijn venster komt
brengt een vaag en wonderlijk suizen
als zuchten der slapende huizen.

Mijn lamp brandt stil en suizelt zacht
en peinst zijn gepeinzen den langen nacht.
Ik staar in het heldere branden,
mijn katje speelt met mijn handen.

Hoe waren de dagen die verre zijn
toen mijn hart ontwaakte in den zonneschijn?
toen de geuren mij wekten der linde?
toen de kelken knikten der winde?

Waar heb ik de roze het eerst gegroet,
de bleeke, die groeit aan der duinen voet?
Mijn katje speelt in de schaduwen
der gordijnen, met ritslende klauwen.

Zie, bloemen en gras op mijn kleed, mijn boek,
een meidoorn bloeit in den kamer-hoek,
zie, bleekroode rozen omringen
mij rings, en dichte seringen...

Maar een schaduw valt en alle wijkt. -
Op de vensterbank zit mijn katje en kijkt
in de donkere diepte neder,
zijn staart slingert heen en weder.

Nu komen van over de zwarte stad,
nu stijgen op uit het wiegelend nat
van de kille, duistere grachten,
de kille, zwarte gedachten.

Ze zweven zwijgend door 't venster heen,
op iedere schouder zet zich ťťn,
op mijn hoofd, mijn borst en mijn brauwen,
ze drukken met klemmend benauwen.

En dof hoort mijn oor het vaag gerucht
der nachtwind die weeklagend zucht,
de angstige droomen der huizen.
Mijn lamp blijft peinzend suizen.

Uit 'De passieloze lelie

Naar boven

VOOR H.

Midden in Mei, toen 't zomer worden zou,
had ik een droom vol oud en schoon verdriet;
die 'k eens zeer liefhad, kwam in 't donkerblauw
gewaad en lachte: "Waarom lach je niet?"

Meer niet, -- zoo is 't in droomen. -- 'k Voelde flauw
dat 't lang was, sinds 'k door haar het lachen liet.
Maar sterk mijn droefheid, sterk mijn eigen trouw,
en diep de pijn, dat zij mij lachen ried.

Toen bleef door 't droomspel van den ganschen nacht
die oude smart mij bij, haar bitterheid
heb ik in veel gepeinzen overdacht.

Ontwakend, heb ik mij verbaasd, hoe wreed
de ziel onwetend in zichzelven snijdt
en 't eigen teeder weefsel diep ontleedt.

Uit 'De passieloze lelie'

Naar boven

SCHEMERING IN 'T WOUD

Hier moet ik peinzend gaan en stil, -
het afgeleefde loof kwijnt aan de twijgen,
ik voel den loomen schemer stijgen -
en stijgen, stil.

Wat glanst het bleeke Westen koud!
een matte lach uit droeve wolkenbrauwen
doet flauw den teed'ren nevel blauwen
in 't gťlend woud. -

Ik zie den bleeken stervenswenk.
Ik voel het doffe duister in mij dringen
en verre stemmen hoor ik zingen
al wat ik denk. -

Waar zijt ge, Dood? - zoo gij rondom
op wieken van de schemering komt rijzen,
nu doet uw nadering niet ijzen, -
ik wacht u - kom!

Gedichten uit de bundel
'Van de Passielooze Lelie' (Amsterdam, 1901)



Naar boven

Biografie

Frederik van Eeden behoorde tot de 'Beweging van Tachtig'. 
Hij onderscheidde zich van andere tachtigers zoals Kloos 
en Van Deyssel door zijn religieus-ethische bewogenheid. 
Hij promoveerde in 1886 in de medicijnen te Amsterdam en 
trouwde met Martha van Vloten. Daarna ging hij als arts 
aan het werk te Bussum. In 1887 richtte hij te Amsterdam 
een psychotherapeutische kliniek op en in 1898 te Bussum 
de idealistische commune Walden. Deze kolonie werd in 1907 
opgeheven, evenals de door Van Eeden opgerichte coŲperatie 
De Eendracht te Amsterdam. Ook de kolonie 'Frij Frysl‚n'
in Nij Beets, die hij opzette in 1903, ging over de kop in 1910. 
Bovendien werd zijn huwelijk met Martha van Vloten, die hem 
twee zoons schonk, ontbonden in 1907. Vooral de verbittering 
over de mislukking van het Walden-project dreef hem naar 
Amerika (1908-1909) waar hij zijn denkbeelden propageerde. 
Hij kende maar matig succes, temeer omdat hijzelf minder 
en minder verwachtte van de sociaal-democratische ideologie. 
Van Eeden ging dan de mystieke (+spiritisme; occultisme) 
toer op en zocht de maatschappelijke hervorming bij geniale 
leiders en wetenschappers. Kort voor de eerste wereldoorlog 
vond hij een dergelijke kring in Berlijn. De politieke gebeurtenissen 
en persoonlijke tegenslagen, zoals het overlijden van zijn zoon 
Paul in 1913, maakten ook hier een einde aan. 
Uiteindelijk bekeerde hij zich in 1922, samen met zijn tweede 
vrouw Truida Everts en hun twee zonen, tot de rooms-katholieke 
godsdienst. 
In zijn laatste levensjaren werd Frederik van Eeden geplaagd 
door ernstige psychische problemen.
De kleine Johannes

Van Eeden - Literair

Frederik van Eeden had tijdens zijn studententijd Kloos, Van Deyssel en Verwey leren kennen, met wie hij in 1885 De Nieuwe Gids oprichtte. In dit literaire tijdschrift verscheen De Kleine Johannes, dat later (1887) in boekvorm werd uitgebracht en vele malen werd herdrukt en vertaald. De Kleine Johannes is een autobiografisch geÔnspireerd verhaal in de vorm van een symbolisch sprookje waarin de verbeelding (Windekind) het aflegt tegen rationalisme (Wistik) en materialisme (Pluizer). Het heeft een ethisch-religieus slot waarin de kleine Johannes een taak onder de mensen wordt voorspeld. Van geheel andere toon is de onder de schuilnaam Cornelis Paradijs verschenen dichtbundel Grassprietjes (1885), waarin van Eeden op satirische wijze de stichtelijke domineespoŽzie, die toen toonaangevend was aanviel. Van Eeden publiceerde vele eigenzinnige essays en studies over literatuur en psychologie in De Nieuwe Gids. In 1893 verliet hij samen met andere medewerkers de redactie omdat er een diepgaande onenigheid was ontstaan met Kloos. Andere belangrijke werken zijn het drama De broeders (1894) en de psychologische roman 'Van de koele meren des doods' (1900). In 'Van de koele meren des doods' verwerkte de auteur persoonlijke gebeurtenissen. Het hoofdpersonnage, Hedwig, vertoont kenmerken van de vrouwen die een belangrijke rol in zijn leven speelden: Henriette Ortt, Martha van Vloten, Jeanne Fontaine en Betsy van Hoogstraten. Daarna schreef Frederik van Eeden nog verscheidene romans en toneelstukken die echter minder waardevol zijn. Het rijk der wijzen (1882, proza) 'Grassprietjes' - pseud. Cornelis Paradijs (1885, satirische poŽzie) De kleine Johannes (1887, proza) Ellen, een lied van de smart (1891, poŽzie) Johannes Viator (1892, proza) De broeders (1894, drama) Het lied van schijn en wezen I (1895, poŽzie) Van de koele meren des doods (1900, roman) Van de passielooze lelie (1901, poŽzie) De kleine Johannes - vervolg (1905, proza) De kleine Johannes - vervolg (1906, proza) Dante en Beatrice (1908, poŽzie) De nachtbruid (1909, proza) Het lied van schijn en wezen II (1910, poŽzie) Sirius en Siderius - 3 delen (1912-1924, proza) Aan mijn engelbewaarder (1922, poŽzie) Het lied van schijn en wezen III (1922, poŽzie)

Van Eeden en de vrouwen

Van Eeden en Martha van Vloten
Trouwfoto (1886)
Frederik van Eeden had een turbulent en problematisch liefdesleven. Het begon met zijn jeugdliefde Henriette van Ortt, die dikwijls als personage voorkomt in zijn romans, zelfs nadat hij met Martha van Vloten was getrouwd. De drie jaar oudere HenriŽtte was een meisje uit een rijke familie, dat haar moeizame relatie met van Eeden beŽindigde in april 1879. In datzelfde jaar ontmoet hij de eveneens drie jaar oudere Martha van Vloten (1856-1943).
Martha van Vloten (1856-1943)
Eerste echtgenote van F. van Eeden
Het huwelijk met Martha van Vloten was trouwens geen succes. In hun trouwjaar (1886) belandde hij zelfs in een diepe depressie en ook daarna waren er meer dalen dan toppen in hun huwelijk.
In het najaar van 1885 ontmoette Van Eeden, tijdens zijn verblijf in Parijs, Jeanne Fontaine.
Henri de Toulouse Lautrec (1864-1901)
Portret van Jeanne Fontaine 
'Jeune fille ŗ la fourrure' (ca. 1889-1890) 
Etude pour 'le Moulin de La Galette'
Mademoiselle Jeanne Fontaine - Henri de Toulouse-Lautrec 'Jeune fille ŗ la fourrure' (ca. 1889-1890)
Zij was een aan opium verslaafde prostituee, die hij probeerde te helpen om af te kicken en uit 'het leven' te stappen, hetgeen hem niet gelukte. Hij heeft haar meerdere keren bezocht in haar peeskamer in de Rue de Saint Jacques, maar zou geen seks met haar gehad hebben... Er bestaan drie brieven (van eind 1885 en begin 1886) van Jeanne Fontaine aan van Eeden, waarin zij haar waardering en dankbaarheid voor hem uitspreekt. Vermeldenswaard is dat de protagoniste uit 'Van de koele meren des doods' enkele eigenschappen vertoont van Jeanne Fontaine, ondermeer haar drugverslaving.
Toen Van Eeden in 1889 Betsy van Hoogstraten (1849-1939) ontmoette, werd hij smoorverliefd op haar. Zijn liefde werd beantwoord, maar Betsy was al getrouwd en moeder van vier kinderen. Toch besloot zij bij haar man te blijven, waarna Van Eeden er in toestemde dat hun verhouding min of meer platonisch bleef. Nadat haar echtgenoot overleden was, betrok Betsy met haar kinderen een villa ten oosten van Walden. Ook financierde zij de kolonie. Van Eeden en Martha waren ondertussen nog steeds getrouwd en kregen twee zonen. Martha is tot 1907 bij haar man gebleven, ondanks zijn talrijke overspelige relaties. Zo had hij bijvoorbeeld een idylle met Bertha Zimmerman, een ex-patiente die hem ook geld had geleend.
Vervolgens passeerde in 1899 de dertien jaar jongere zangeres Truida Everts (1873-1952) de revue.
Frederik van Eeden
en Truida Everts (1873-1952).
Zij was zijn tweede echtgenote.
Truida Everts betrok een huisje op Walden en had al snel een verhouding met de charismatische dichter. Dit was ťťn van de druppels die de emmer deed overlopen bij enkele vrienden en bewoners die zich tegen van Eeden keerden en Walden verlieten. Uit liefdesjalouzie vertrokken ook Ada van Heyningen (een patiente die eerder bij Van Eeden in huis had gewoond) en Betsy van Hoogstraten. Ondanks al deze perikelen bleef Martha gewoon in de villa De Lelie op het terrein van Walden wonen. Pas in 1907 zouden Van Eeden en Martha van Vloten officieel scheiden. Hij trouwde vervolgens met Truida Everts. Samen met haar en hun twee zonen, bekeerde hij zich in 1922 tot de rooms-katholieke godsdienst.

© Gaston D'Haese
Graf van Frederik van Eeden


Naar boven

F. van Eeden
De noordenwind


De tachtigers

Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 20-09-2004.
Laatste wijziging: 22-08-2017.

E-mail: webmaster