GedichtenDe LenteDe Waterlelie Bij 't verwachten der Liefste Avond in de stad Voor H. Schemering in 't woud Biografie |
DE LENTEReeds is het statig eiber-paar gekomen,'t geduldig rijs wringt stil de knoppen los, de zoele lente luwt door 't zonnig bosch en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen. Violengeur stijgt op uit vochtig mos, een bronzen gloed verjongt de dorre boomen, en primula's en dotterbloemen zoomen de groene wei met gouden voorjaarsdos. Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht! wat scheen uw toeven lang! - is 't niet mijn leven dat door uw donzen adem wordt gewekt? Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt, des weerziens zaligheid mij niet meer geven en grimmig grijnst dan d'eindelooze nacht. Uit 'De passieloze lelie' ![]() DE WATERLELIEIk heb de witte water-lelie lief,daar die zo blank is en zo stil haar kroon uitplooit in 't licht. Rijzend uit donker-koele vijvergrond, heeft zij het licht gevonden en ontsloot toen blij het gouden hart. Nu rust zij peinzend op het watervlak en wenst niet meer... Uit 'De passieloze lelie ![]() Bij 't verwachten der LiefsteIk weet het dat ge mijn zijt -- mijn alleen --Ik weet het -- en ik peins het wonder na en kan het niet bevatten -- hoe ik peins. Mijn is uw lach en de opslag uwer oogen, mijn is uw ziel -- uw gansche, diepe ziel. Zal ik het straks begrijpen, als ge komt, als hij uw hand mij zoo vertrouwend reikt, het hoofdje half gebogen, als in weemoed? Zal ik het lezen in een langen blik, het hooren in de daling uwer stem? Ik weet het wèl - het zal mij droevig zijn als wie gevangen 't verre zonlicht ziet, en tranen zullen komen, daar mijn ziel 't geheimnis onzer liefde niet begrijpt. Uit 'De passieloze lelie' ![]() AVOND IN DE STADDe groote stem der stad verstomten de nachtwind die in mijn venster komt brengt een vaag en wonderlijk suizen als zuchten der slapende huizen. Mijn lamp brandt stil en suizelt zacht en peinst zijn gepeinzen den langen nacht. Ik staar in het heldere branden, mijn katje speelt met mijn handen. Hoe waren de dagen die verre zijn toen mijn hart ontwaakte in den zonneschijn? toen de geuren mij wekten der linde? toen de kelken knikten der winde? Waar heb ik de roze het eerst gegroet, de bleeke, die groeit aan der duinen voet? Mijn katje speelt in de schaduwen der gordijnen, met ritslende klauwen. Zie, bloemen en gras op mijn kleed, mijn boek, een meidoorn bloeit in den kamer-hoek, zie, bleekroode rozen omringen mij rings, en dichte seringen... Maar een schaduw valt en alle wijkt. - Op de vensterbank zit mijn katje en kijkt in de donkere diepte neder, zijn staart slingert heen en weder. Nu komen van over de zwarte stad, nu stijgen op uit het wiegelend nat van de kille, duistere grachten, de kille, zwarte gedachten. Ze zweven zwijgend door 't venster heen, op iedere schouder zet zich één, op mijn hoofd, mijn borst en mijn brauwen, ze drukken met klemmend benauwen. En dof hoort mijn oor het vaag gerucht der nachtwind die weeklagend zucht, de angstige droomen der huizen. Mijn lamp blijft peinzend suizen. Uit 'De passieloze lelie ![]() VOOR H.Midden in Mei, toen 't zomer worden zou,had ik een droom vol oud en schoon verdriet; die 'k eens zeer liefhad, kwam in 't donkerblauw gewaad en lachte: "Waarom lach je niet?" Meer niet, -- zoo is 't in droomen. -- 'k Voelde flauw dat 't lang was, sinds 'k door haar het lachen liet. Maar sterk mijn droefheid, sterk mijn eigen trouw, en diep de pijn, dat zij mij lachen ried. Toen bleef door 't droomspel van den ganschen nacht die oude smart mij bij, haar bitterheid heb ik in veel gepeinzen overdacht. Ontwakend, heb ik mij verbaasd, hoe wreed de ziel onwetend in zichzelven snijdt en 't eigen teeder weefsel diep ontleedt. Uit 'De passieloze lelie' ![]() SCHEMERING IN 'T WOUDHier moet ik peinzend gaan en stil, -het afgeleefde loof kwijnt aan de twijgen, ik voel den loomen schemer stijgen - en stijgen, stil. Wat glanst het bleeke Westen koud! een matte lach uit droeve wolkenbrauwen doet flauw den teed'ren nevel blauwen in 't gélend woud. - Ik zie den bleeken stervenswenk. Ik voel het doffe duister in mij dringen en verre stemmen hoor ik zingen al wat ik denk. - Waar zijt ge, Dood? - zoo gij rondom op wieken van de schemering komt rijzen, nu doet uw nadering niet ijzen, - ik wacht u - kom!
Gedichten uit de bundel ![]() |

BiografieFrederik van Eeden behoorde tot de 'Beweging van Tachtig'. Hij onderscheidde zich van andere tachtigers zoals Kloos en Van Deyssel door zijn religieus-ethische bewogenheid. Hij promoveerde in 1886 in de medicijnen te Amsterdam en trouwde met Martha van Vloten. Daarna ging hij als arts aan het werk te Bussum. In 1887 richtte hij te Amsterdam een psychotherapeutische kliniek op en in 1898 te Bussum de idealistische commune Walden. Deze kolonie werd in 1907 opgeheven, evenals de door Van Eeden opgerichte coöperatie De Eendracht te Amsterdam. Ook de kolonie 'Frij Fryslân' in Nij Beets, die hij opzette in 1903, ging over de kop in 1910. Bovendien werd zijn huwelijk met Martha van Vloten, die hem twee zoons schonk, ontbonden in 1907. Vooral de verbittering over de mislukking van het Walden-project dreef hem naar Amerika (1908-1909) waar hij zijn denkbeelden propageerde. Hij kende maar matig succes, temeer omdat hijzelf minder en minder verwachtte van de sociaal-democratische ideologie. Van Eeden ging dan de mystieke (+spiritisme; occultisme) toer op en zocht de maatschappelijke hervorming bij geniale leiders en wetenschappers. Kort voor de eerste wereldoorlog vond hij een dergelijke kring in Berlijn. De politieke gebeurtenissen en persoonlijke tegenslagen, zoals het overlijden van zijn zoon Paul in 1913, maakten ook hier een einde aan. Uiteindelijk bekeerde hij zich in 1922, samen met zijn tweede vrouw Truida Everts en hun twee zonen, tot de rooms-katholieke godsdienst. In zijn laatste levensjaren werd Frederik van Eeden geplaagd door ernstige psychische problemen. |

