Aan Phillis
Noit stal een dief zo wel als gy,
Hoe fix zyn kunst ging van verovren,
Want gy verstaat de dievery
Zo wel, dat ’k loof gy wis moet tovren,
Want ’t heele werk lykt tovery.
’k Was laast noch ongeboeit, en vry;
’k Dacht, dat my niemant kon betoomen,
En nu ben ik in slaverny.
En dit is maar door u gekoomen;
Lykt dat dan niet naer tovery?
Myn hart, ’t geen in myn slinker zy
Zo diep, en zeker lag verhoolen,
Dat niemant daar kost koomen by,
Dat hebt gy my nochtans ontstoolen:
Lykt dat dan niet naer tovery?
’k Was eertijds vrolyk en steets bly;
’t Scheen al ’t verdriet wou van my vluchten;
En nu doet my uw dwinglandy
Wel tachtigmaal op een dag zuchten:
Lykt dat dan niet naer tovery?
Nu hebt gy zo veel macht op my,
Als of ik vast was in uw banden,
Want ’k voel alreets uw tiranny,
Wyl gy myn hart hebt in uw handen:
Lykt dat dan niet naer tovery?
Doch schoon myn hert dus is in ly,
’k Wensch niet gy my dat weêr zult geven,
Want trots dees snoô bedriegery,
Die gy hebt op myn hart bedreven,
Zo min ik noch uw tovery.
*Phillis: komt soms voor als mooie meisje (of herderinnetje) in idyllische poëzie.
Minder idyllisch is de geschiedenis van de Thracische prinses Phillis. Ze was in alle staten
toen haar minnaar, de Atheense prins Demophon, niet kwam opdagen op hun rendez-vous.
Ze verwenste hem en pleegde zelfmoord.
Volgens de versie van Ovidius kwijnde Phillis echter weg van liefdesverdriet. Uit medelijden
zouden de goden haar in een amandelboom (grieks: phulla) hebben veranderd.
Phillis wordt dus voorgesteld als slachtoffer van de (dwaze) liefde.
Op de waajer van Phillis
Waarom tracht gy noch meer die gene te verkoelen,
Wiens harte kouder is, als ’t sne dat d’Alpen dekt?
En wiens bevrooze borst geen hitte kan gevoelen,
Schoon aan myn ziel haar oog een heete zon verstrekt.
Gy zyt gewis onnut gebruikt van zulke handen,
Aan wien gy gansch niet baat; doch zo het mooglyk waar,
Dat gy haar oogen kost beletten ’t hevig branden,
En branden doen haar hert, dan diende gy by haar.
Aan Phillis
Gy vraagt my, waarom dat ik staag,
Als ik u kom gezelschap houwen,
Uw schoone vloeren ga bespouwen?
En noemt my des uw meidenplaag;
Ja rekent my zulks schier tot schanden:
Maar, zoete Phillis! weet gy niet
Dat die een lekker brokje ziet,
Van gragigheid moet watertanden?
Op de oogen van Phillis
Als gy my treurig ziet, ô schoone en hemelsche oogen,
En wen ik om u zucht, ai vraag niet wat my deert;
Want laas, ’t ontzag waar door myn ziel steets wort bewogen,
Verbiet my dat ik zeg, ’t geen gy my hebt geleert.
En schoon myn tranen u genoech uit kunnen leggen
De smart en oorzaak, daar myn ziel door wort verteert;
Nochtans dat groot ontzach verbiet my u te zeggen,
En dwingt my dat ik zwyg, ’t geen gy my hebt geleert.
Doch had gy my met een in ’t minnen leeren hopen
Of eer, had gy de hoop niet uit myn ziel geweert,
Zo sloot uw trots ’t ontzag, voor u myn boezem open,
En zei u duizentmaal, ’t geen gy my hebt geleert.
Maar wyl ik hoopeloos moet leven, en beminnen,
En dat ik ducht, gy eer myn doot, dan min, begeert;
En dat ik eer uw haat dan weerliefd’ vrees te winnen,
Zo sterf ik, en ik zwyg, ’t geen gy my hebt geleert.
Op de vingerhoet van Phillis
Vingerhoetje, die de vinger
Van de hand van Phillis dekt,
Dat haar tot een naaldedwinger,
En een schrik voor ’t kwetzen strekt.
Ach! dat gy myn hart kost dekken
Voor haar goddelyk gezicht,
En my tot een schild verstrekken
Voor zo meenig felle schicht,
Als haar flonkrende oogen straalen,
Daagliks op myn zwakke ziel,
Doen al schittert nederdaalen,
’k Zweer, ik u voor my behiel!
Maar helaas! wat staale plaaten
(Ook hoe nu ’t in d’ooreloog)
Kunnen tot bescherming baaten,
Voor de pylen van haar oog?
Geen beschut van schilt of wapen,
Geen rondas, noch geen pansier,
Is tot veiligheit geschapen
Voor dat ziel ontsteekend vier,
Waar door dat zy ’t al doet branden,
’t Geen zy met haar oogen raakt;
En waar door zy zonder banden
Al wat leeft, tot slaven maakt.
Ga dan vry, ô naaldendwinger!
Die my tot geen voordeel strekt;
Keer weêr aan die schoone vinger,
Daar gy al uw eer van trekt.
Wyl haar macht niet is t’ontvluchten,
Wil ik buigen voor dees noot;
En, trots hondert duizent zuchten,
Heel vernoegt gaan in myn doot.
Aan Phillis
Phillis! de gantsche stad roemt wel uw godlykheid,
Maar zeit met een, dat men uw strafheid ook moet vrezen,
Voor my, ik weet zeer wel hoe machtig dat gy zijt,
Maar ’k twyffel, of gy zoud zo onverbid’lyk wezen.
Van u maar eens te zien komt my myn ongeval,
Des vraag ik maar alleen, of ’k hooploos sterven zal,
En of gy steets voor my zult onverbidlyk wezen?
Aan Phillis
Wat baat my myn stantvastigheid?
En wat kan my myn zuchten baaten?
Wijl gy myn liefde schynt te haaten,
Die loonend’ met ondankbaarheid.
Laas! ’k heb myn min te lang gevleid
Met d’ydle hoop in myn ellende,
Is best, ik door de doot gaa enden,
Haar haat, en myn standvastigheid.
Want ’k was gewis te ver verlyd,
Indien myn ydele gedachten,
Van haar beloning derfden wachten,
Voor alles ’t geen myn ziel nu lyd.
Neen! dat was my te veel gevleyd,
Des al ’t geen ik zou hoopen derven,
Is haast te eynden door myn sterven,
Haer haat, en myn elendigheid.
Aan Phillis
Trots al het lyden van myn hart,
Bemin ik zelfs myn eigen smart,
En ’k moet my, Phillis, lukkig achten;
Want, wyl ik u oprecht bemin,
Zo stort ik nimmer zucht, of klachten,
Of ’k vind ’er vreugd, en zoetheid in.
Niets kan een minnaar moeilyk zyn;
Ja zelfs zyn lyden, en zyn pyn
Die kunnen hem tot vreugde maanen
Zo heerlyk, Phillis, is de min;
Voor my, ik storte nimmer traanen,
Of ’k vond daar vreugd en zoetheid in,
Waarom, myn schoone, haat gy dan
’t Geen zo veel vreugd verschaffen kan?
Ei! wil de min niet langer vluchten;
Denk dat een die getrou bemind,
Nooit smart gevoeld noch ongenuchte,
Daar hy geen dubble vrucht in vind.
Op het afweesen van Phillis
Versteken van de Son, die my wel eer verlichte,
En die wel eertijts plagt vreugt in mijn ziel te stigten,
Leef ick nu vol verdriet:
Wat; leef ick? Neen 'k leef niet,
Mits dat ick daegelijks voor duysend doôn moet swigten.
Ick leef dan niet: 'k doe al: wel hoe souw ick niet leven?
Ick voel te seer d'ellendt, waer door ick wordt gedreven
End'endeloose smart:
Maer ick leef sonder hart,
Vermits dat is tot pandt by mijn Goddin gebleven.
Hoe leef ick sonder hart? dat kan geen mensch goet vinden
Mits dat het hart de ziel komt aen het lichaem binden;
Maar'k ben mijn ziel oock quyt:
Wat dient'er dan geseyt?
Dat'k in mijn self niet leef, maer leef in mijn beminde.
Sarabanda aan Phillis
Indien gy my, gelyk ik u, beminde,
Schoone Klimeen, zo bleef gy niet zoo schuw,
Gy zoud, als ik, de min vol zoetheid vinden,
En leed voor my, gelyk ik ly voor u.
Gy zoud niet haten meer de zachte banden
Van ’t kleine kind, noch ook zyn heerschappy,
Maar zou uw hart, als gy myn hart ziet branden
Voor u alleen, ook branden doen voor my.
Ik vind ’t voor u zo heerelyk te lyden,
Dat ik de min geen pyn acht, maar genucht;
Daar gy in tegendeel, door die te myden,
Voor ’t zoetst vermaak van ’t jeugdig leven vlucht.
Ach! laat uw hart Klimeen! eer eenmaal raken
Gelooft ook vry dat een, die trouw bemind,
Nooit smart, noch pyn, noch ongeval kan smaken,
Daar hy niet steeds een dubble vreugd in vind.
Sonnet
Laas! Zal mijn onluk dan zijn wreedheid nimmer staken?
Zal dan mijn smart, dus lang gerezen in de top,
Nooit dalen? Zal mijn ramp dan nimmermeer houden op?
Maar steeds volharden in op mij zijn haat te braken?
Dus klaagde Phillis laatst, met tranen op haar kaken,
En wrong, gelijk ontzind, haar hagelwitte krop:
En rukte zo veel haar in een uur uit haar kop,
Dat m'er wel met fatsoen zes ballen van kon maken.
Vaar voort (riep zij in 't end) o nootlot al te wreed;
Ja zelfs verdubbel vrij, indien 't u lust, mijn leed;
Gij zult mij nimmer weer daartegen horen klagen.
Mijn ziel, is, om meer kwaad te lijden nu alree;
En om te proeven of ik alles kan verdragen,
Hebt gij mijn hond gedood, neem ook mijn kat vrij mee.
Focquenbroch
(ca.1635-ca.1674)**
Volgens Grote Winkler Prins: °Amsterdam april 1640; †St. George del Mina na 1674
|