Bi(bli)ografie Focquenbroch

Willem Godschalck van Focquenbroch - Aan Phillis
Focquenbroch

Aan Phillis


Noit stal een dief zo wel als gy,
Hoe fix zyn kunst ging van verovren,
Want gy verstaat de dievery
Zo wel, dat ’k loof gy wis moet tovren,
Want ’t heele werk lykt tovery.
    ’k Was laast noch ongeboeit, en vry;
’k Dacht, dat my niemant kon betoomen,
En nu ben ik in slaverny.
En dit is maar door u gekoomen;
Lykt dat dan niet naer tovery?
    Myn hart, ’t geen in myn slinker zy
Zo diep, en zeker lag verhoolen,
Dat niemant daar kost koomen by,
Dat hebt gy my nochtans ontstoolen:
Lykt dat dan niet naer tovery?
    ’k Was eertijds vrolyk en steets bly;
’t Scheen al ’t verdriet wou van my vluchten;
En nu doet my uw dwinglandy
Wel tachtigmaal op een dag zuchten:
Lykt dat dan niet naer tovery?
    Nu hebt gy zo veel macht op my,
Als of ik vast was in uw banden,
Want ’k voel alreets uw tiranny,
Wyl gy myn hart hebt in uw handen:
Lykt dat dan niet naer tovery?
    Doch schoon myn hert dus is in ly,
’k Wensch niet gy my dat weêr zult geven,
Want trots dees snoô bedriegery,
Die gy hebt op myn hart bedreven,
    Zo min ik noch uw tovery.


*Phillis: komt soms voor als mooie meisje (of herderinnetje)
in idyllische poëzie.
Minder idyllisch is de geschiedenis van de Thracische prinses
Phillis. Ze was in alle staten toen haar minnaar, de Atheense
prins Demophon, niet kwam opdagen op hun rendez-vous.
Ze verwenste hem en pleegde zelfmoord.
Volgens de versie van Ovidius kwijnde Phillis echter weg van
liefdesverdriet. Uit medelijden zouden de goden haar in een
amandelboom (grieks: phulla) hebben veranderd. Phillis wordt
dus voorgesteld als slachtoffer van de (dwaze) liefde.



Op de waajer van Phillis


Waarom tracht gy noch meer die gene te verkoelen,
Wiens harte kouder is, als ’t sne dat d’Alpen dekt?
En wiens bevrooze borst geen hitte kan gevoelen,
Schoon aan myn ziel haar oog een heete zon verstrekt.
    Gy zyt gewis onnut gebruikt van zulke handen,
Aan wien gy gansch niet baat; doch zo het mooglyk waar,
Dat gy haar oogen kost beletten ’t hevig branden,
En branden doen haar hert, dan diende gy by haar.



Aan Phillis


Gy vraagt my, waarom dat ik staag,
Als ik u kom gezelschap houwen,
Uw schoone vloeren ga bespouwen?
En noemt my des uw meidenplaag;
Ja rekent my zulks schier tot schanden:
Maar, zoete Phillis! weet gy niet
Dat die een lekker brokje ziet,
Van gragigheid moet watertanden?



Op de oogen van Phillis


Als gy my treurig ziet, ô schoone en hemelsche oogen,
En wen ik om u zucht, ai vraag niet wat my deert;
Want laas, ’t ontzag waar door myn ziel steets wort bewogen,
Verbiet my dat ik zeg, ’t geen gy my hebt geleert.
En schoon myn tranen u genoech uit kunnen leggen
De smart en oorzaak, daar myn ziel door wort verteert;
Nochtans dat groot ontzach verbiet my u te zeggen,
En dwingt my dat ik zwyg, ’t geen gy my hebt geleert.
Doch had gy my met een in ’t minnen leeren hopen
Of eer, had gy de hoop niet uit myn ziel geweert,
Zo sloot uw trots ’t ontzag, voor u myn boezem open,
En zei u duizentmaal, ’t geen gy my hebt geleert.
Maar wyl ik hoopeloos moet leven, en beminnen,
En dat ik ducht, gy eer myn doot, dan min, begeert;
En dat ik eer uw haat dan weerliefd’ vrees te winnen,
Zo sterf ik, en ik zwyg, ’t geen gy my hebt geleert.



Op de vingerhoet van Phillis


      Vingerhoetje, die de vinger
      Van de hand van Phillis dekt,
      Dat haar tot een naaldedwinger,
      En een schrik voor ’t kwetzen strekt.
      Ach! dat gy myn hart kost dekken
      Voor haar goddelyk gezicht,
      En my tot een schild verstrekken
      Voor zo meenig felle schicht,
      Als haar flonkrende oogen straalen,
      Daagliks op myn zwakke ziel,
      Doen al schittert nederdaalen,
      ’k Zweer, ik u voor my behiel!
      Maar helaas! wat staale plaaten
      (Ook hoe nu ’t in d’ooreloog)
      Kunnen tot bescherming baaten,
      Voor de pylen van haar oog?
      Geen beschut van schilt of wapen,
      Geen rondas, noch geen pansier,
      Is tot veiligheit geschapen
      Voor dat ziel ontsteekend vier,
      Waar door dat zy ’t al doet branden,
      ’t Geen zy met haar oogen raakt;
      En waar door zy zonder banden
      Al wat leeft, tot slaven maakt.
      Ga dan vry, ô naaldendwinger!
      Die my tot geen voordeel strekt;
      Keer weêr aan die schoone vinger,
      Daar gy al uw eer van trekt.
      Wyl haar macht niet is t’ontvluchten,
      Wil ik buigen voor dees noot;
      En, trots hondert duizent zuchten,
      Heel vernoegt gaan in myn doot.



Aan Phillis

 
Phillis! de gantsche stad roemt wel uw godlykheid,
Maar zeit met een, dat men uw strafheid ook moet vrezen,
Voor my, ik weet zeer wel hoe machtig dat gy zijt,
Maar ’k twyffel, of gy zoud zo onverbid’lyk wezen.
Van u maar eens te zien komt my myn ongeval,
Des vraag ik maar alleen, of ’k hooploos sterven zal,
En of gy steets voor my zult onverbidlyk wezen?



Aan Phillis


Wat baat my myn stantvastigheid?
En wat kan my myn zuchten baaten?
Wijl gy myn liefde schynt te haaten,
Die loonend’ met ondankbaarheid.
   Laas! ’k heb myn min te lang gevleid
Met d’ydle hoop in myn ellende,
Is best, ik door de doot gaa enden,
Haar haat, en myn standvastigheid.
   Want ’k was gewis te ver verlyd,
Indien myn ydele gedachten,
Van haar beloning derfden wachten,
Voor alles ’t geen myn ziel nu lyd.
   Neen! dat was my te veel gevleyd,
Des al ’t geen ik zou hoopen derven,
Is haast te eynden door myn sterven,
Haer haat, en myn elendigheid.



Aan Phillis


Trots al het lyden van myn hart,
Bemin ik zelfs myn eigen smart,
En ’k moet my, Phillis, lukkig achten;
Want, wyl ik u oprecht bemin,
Zo stort ik nimmer zucht, of klachten,
Of ’k vind ’er vreugd, en zoetheid in.
    Niets kan een minnaar moeilyk zyn;
Ja zelfs zyn lyden, en zyn pyn
Die kunnen hem tot vreugde maanen
Zo heerlyk, Phillis, is de min;
Voor my, ik storte nimmer traanen,
Of ’k vond daar vreugd en zoetheid in,
    Waarom, myn schoone, haat gy dan
’t Geen zo veel vreugd verschaffen kan?
Ei! wil de min niet langer vluchten;
Denk dat een die getrou bemind,
Nooit smart gevoeld noch ongenuchte,
Daar hy geen dubble vrucht in vind.



Op het afweesen van Phillis

 
Versteken van de Son, die my wel eer verlichte,
En die wel eertijts plagt vreugt in mijn ziel te stigten,
    Leef ick nu vol verdriet:
    Wat; leef ick? Neen 'k leef niet,
Mits dat ick daegelijks voor duysend doôn moet swigten. 

Ick leef dan niet: 'k doe al: wel hoe souw ick niet leven?
Ick voel te seer d'ellendt, waer door ick wordt gedreven
    End'endeloose smart:
    Maer ick leef sonder hart,
Vermits dat is tot pandt by mijn Goddin gebleven. 

Hoe leef ick sonder hart? dat kan geen mensch goet vinden
Mits dat het hart de ziel komt aen het lichaem binden;
    Maar'k ben mijn ziel oock quyt:
    Wat dient'er dan geseyt?
Dat'k in mijn self niet leef, maer leef in mijn beminde. 



Sarabanda aan Phillis


 Indien gy my, gelyk ik u, beminde,
Schoone Klimeen, zo bleef gy niet zoo schuw,
Gy zoud, als ik, de min vol zoetheid vinden,
En leed voor my, gelyk ik ly voor u.

 Gy zoud niet haten meer de zachte banden
Van ’t kleine kind, noch ook zyn heerschappy,
Maar zou uw hart, als gy myn hart ziet branden
Voor u alleen, ook branden doen voor my.

 Ik vind ’t voor u zo heerelyk te lyden,
Dat ik de min geen pyn acht, maar genucht;
Daar gy in tegendeel, door die te myden,
Voor ’t zoetst vermaak van ’t jeugdig leven vlucht.

 Ach! laat uw hart Klimeen! eer eenmaal raken
Gelooft ook vry dat een, die trouw bemind,
Nooit smart, noch pyn, noch ongeval kan smaken,
Daar hy niet steeds een dubble vreugd in vind.



Sonnet


Laas! Zal mijn onluk dan zijn wreedheid nimmer staken?
Zal dan mijn smart, dus lang gerezen in de top,
Nooit dalen? Zal mijn ramp dan nimmermeer houden op?
Maar steeds volharden in op mij zijn haat te braken?

Dus klaagde Phillis laatst, met tranen op haar kaken,
En wrong, gelijk ontzind, haar hagelwitte krop:
En rukte zo veel haar in een uur uit haar kop,
Dat m'er wel met fatsoen zes ballen van kon maken.

Vaar voort (riep zij in 't end) o nootlot al te wreed;
Ja zelfs verdubbel vrij, indien 't u lust, mijn leed;
Gij zult mij nimmer weer daartegen horen klagen.

Mijn ziel, is, om meer kwaad te lijden nu alree;
En om te proeven of ik alles kan verdragen, 
Hebt gij mijn hond gedood, neem ook mijn kat vrij mee.


W.G. Focquenbroch  (ca.1635 - ca.1670)*

* Volgens Grote Winkler Prins: (°Amsterdam, april 1640;
†St. George del Mina, na 1674)
Andere bronnen beweren, dat hij stierf
tijdens een epidemie in 1670.


Bi(bli)ografie


Willem Godschalck van Focquenbroch is een controversiele figuur. 
Enerzijds werd hij verguisd omwille van zijn sarcasme en liederlijkheid. 
Anderzijds werd en wordt hij ook gewaardeerd als talentrijk dichter. 
Burleske zelfspot met betrekking tot zijn carrière en werk was typisch 
voor deze poète maudit.
Over zijn antecedenten is niet veel bekend. Wel weet men dat hij 
Brabantse roots had. Zijn vader, Paulus van Focquenbroch, stamde 
namelijk af van een Antwerpse familie van kleine kooplieden en 
zijn moeder, Catharina Sweers, was de dochter van een uit Antwerpen 
afkomstige 'huystimmerman'.
Focquenbroch werd geboren in 1640 in Amsterdam, waar hij onderwijs 
genoot in de Latijnse School. Tevens is hij een tijd in Leiden 
woonachtig geweest, waar hij bursaal was van het Waals College.
Aan de Utrechtse universiteit promoveerde hij in 1662 op een dissertatie 
over geslachtsziekten. Daarna was hij arts bij de diaconie of armenzorg 
in Amsterdam, wat geen vetpot was. 
Eigenlijk voelde hij zich vooral dichter en toneelschrijver, die zich 
niet goed in zijn vel voelde in het ‘geltzuchtig Amsteldam’. Dit belette 
hem niet om gretig te genieten van wijntje en trijntje. Ook was hij 
een verstokt pijproker. Zijn lijfspreuk was trouwens ‘Fumus Gloria 
Mundi’ (‘Des Werelts Glory is maer Roock; En, Roock is 's Werelts 
Glory oock’).
In 1663 werd hij bekend  als schrijver met de blijspelen 'De Min 
in 't Lazarus-huys’* (naar Lope de Vega) en 'De Verwarde Jalousy'.
*Volgens een andere bron (DBNL), verschenen in 1674. 
Een jaar later verscheen 'De kwakzalver of Klucht van Hans Keyenvretzer, 
Medicijnen doctoor’. 
Het stuk is gebaseerd op Moliere's ‘Le cocu imaginaire’.
In 1665 verschenen 'Klucht van de Weyery', 'Thalia, of geurige
(='geestige') sang-goddin' (1e deel) en 'Een Hollandschen Vuystslag 
op Brabantschen Koon'. In 1666 werd 'Verdubbelt Segen-sang, 
der negen Musen' uitgegeven. Twee jaar later verscheen ook het 2e deel 
van 'Thalia*, of geurige sang-goddin' (1668-1669) en was er een herdruk 
van het 1e deel.
Tenslotte is hij ook bekend voor zijn bewerkingen van Vergilius 
('Herderszangen') en Lucianus ('Tymon'). 
*Thalia (Thaleia) is één van de negen muzen uit de Griekse mythologie. 
Zij is de muze van de blijspelschrijvers en -dichters. 

Focquenbroch liet zich ook inspireren door Paul Scarron (1610 - 1660). 
'Typhon of de reusen-strijdt', een burleske bewerking uit 1665 
van 'Typhon, ou la Gigantomachie' (1644) is hier een voorbeeld van. 
Ook 'De Aeneas in syn sondaeghs-pack' is gebaseerd op Scarrons' 
'Le Virgile travesti'.  Het volgende gedicht illustreert eveneens dat hij 
zijn mosterd dikwijls bij de Franse auteur haalde:
Assurément, Cloris, vous me voulez séduire: Je vous voy depuis peu me faire les yeux doux, Vous m'avez pris la main entre vos deux genoux; Si vous continuez, vous m'achevez de cuire. Que vous feriez de mal si vous aymiez à nuire! Plus de dix mille coeurs sont percez de vos coups; Tous les yeux sont ravis & quelques-uns jaloux De l'esclat que l'on void dans les vostres reluire. Vous avez leus des Vers; vous en sçavez par coeur; Vous chantez, ce dit-on, comme un enfant de Choeur; Et lorsque vous parlez vous charmez les oreilles. Dieux! que ne suis-je né pour estre vostre espoux! Vous riez, o Cloris, d'entendre vos merveilles? Pleurez, sotte, pleurez: je me mocque de vous. Paul Scarron

Sonnet aen Phillis
Ghy hebt het, Phillis! dan soo 't schijnt, op my geladen? Want 'k vind u, sint een wijl, my vriendlijck aen te sien, Ghy druckte my mijn handt lest tusschen bey uw knien, En soo ghy soo volhart, ben ick haest gaer ghebraden. Helaes! hoe mient ghy dus een eerlijk mensch te schaden? En wat hart heeft de maght van uw geweldt t'ontvlien? Gewis, ick voel het mijn', en met hem noch wel tien, U, eer ghy verder vaert, al roepen lijfs-genade. Ghy zijt in all's volmaeckt; ghy mindt de Poesy; Ja selfs, men seydt, ghy rijmt gelijck een Cats of dry; En als ghy singht, of spreeckt, so streelt ghy Ziel en Ooren. Goon! waerom schiept ghy my niet tot haer Bruydegom? Ghy laght Phillis! ghy laght, van dus uw lof te hooren, Maer kryt veel eer, Sottin! want sie ick lagh 'er om. Focquenbroch
Berooid en ontgoocheld door zijn ongelukkige liefde voor Maria van Sypesteyn nam hij dienst als fiscaal* bij de W.I.C. Hij vertrok in juli 1668 met het schip de 'Gideon' naar Guinee** waar hij de laatste drie jaren van zijn leven doorbracht. Van de brieven die hij schreef naar het thuisfront zijn er enkele bewaard. Uit een van die brieven vanuit Elmina*** aan zijn vriend Johannes Ulaeus blijkt dat hij zich daar slecht in zijn vel voelde:
*fiscaal: functionaris te vergelijken met de tegenwoordige officier van justitie. Zijn taak bestond er voornamelijk in om smokkelaars gevangen te nemen. **Guinee (Ghana) was de Goudkust ('Nederlandsche Bezittingen ter Kuste van Guinea'). Het was een kolonie van Nederland tussen 1637 en 1871. ***Het voormalige Portugese fort 'Saô Jorge da Mina' werd door de Hollanders 'Elmina' genoemd. De W.I.C. handelde er in goud, ivoor en zwarte slaven. De slaven werden uit het binnenland ontvoerd en naar de slavenmarkt op Curaçao vervoerd. Daar werden ze gekocht door handelaars, die ze onder andere in Suriname weer aan plantage- houders verkochten.
"...in dit barbaarsche, melancholique, en verbaesde dorre land, ‘t welck ik niet gezind ben heel net af te schilderen, uyt vrees dat gij schreyen soud als een kind, en de arme focq beklaegen, om dat hem het noodlot in soo verdoemde plek gebracht heeft..."

Volgens een van mijn bronnen was de functie van fiscaal in Elmina vrij na 1670. Vermoedelijk was Focquenbroch op dat tijdstip ernstig ziek of overleden tijdens een epidemie. Gele koorts en malaria waren namelijk een gesel in Guinee.
'In de maanden april tot en met juli van het jaar 1670 woedde er een hevige epidemie in de handelspost. Van deze epidemie is Focquenbroch hoogstwaarschijnlijk ook het slachtoffer geworden. Er zijn aanwijzingen, dat Focquenbrochs overlijden in een missive die op 14 juli 1670 gedateerd was, aan de W.I.C. werd gemeld. De missive zelf is echter verloren gegaan'. Bron Wikipedia.
De 'Afrikaensche Thalia', het derde deel van 'De Geurige Sang-godin' (1674) zou dan postuum uitgegeven zijn, dankzij Johannes Ulaeus.

© Gaston D'Haese


Naar boven

W.G. Focquenbroch
Op Amsteldam


W.G. Focquenbroch
Gedachten op mijn kamer


Poëzie in de Gouden Eeuw

Vondel
De slaepende Venus


Bredero
Gedichten


Bredero
Ooghen vol majesteyt


Simon van Beaumont
Gedichten


Jacob Weyerman
3 gedichten


Liefdesgedichten
van anonieme dichters


Liefdesgedichten

Vlaamse dichters

Nederlandse dichters

Liefdesgedichten
Top 10



Homepage

Pageviews since 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 20-10-2008.
Laatste wijziging: 08-09-2017.

E-mail: webmaster