
Sonnet XVJanuariVoor de maand januari zijn je toebedacht, zalen met knetterend vuur in open schouwen en slaapvertrekken met hun toegevouwen lakens van zijde onder eekhorenvacht; Snoepjes en keurwijn en de warme dracht van wollen weefsels uit Toscaanse gouwen: zo kun jij je aan de winter toevertrouwen, wanneer de scirocco giert door de nacht; En overdag dikwijls buitengaan en maagdelijke sneeuw doen zoeven, naar meisjes die niet zijn weg te slaan; En als men daarna moe en loom is, samen met de makkers vertoeven, aan de haard waar het goed rusten is. Sonnet XXIVOktoberOktober met zijn goede landelijke aard verwent je met mooie najaarsdagen, die geknipt zijn voor het vogeljagen, zoals het je bevalt, te voet of te paard. In zalen dansen als het buiten donker is en wijnen drinken die genoegen schenken; Er is geen beter leven te bedenken en dat is zo waar als een goudstuk geel is! En 's ochtends vroeg uit de veren zijn en gezicht en handen wassen, voor je begint met gebraad en wijn als medicijn. Zeker weten! Je zal veel gezonder zijn dan vis die je in rivieren of zeeën vindt en beter leven dan kwezel of begijn. ![]() |


