Iphone and smartphone optimized content

P.A. de Genestet - Pozie
P.A. de Genestet

LIEFDE

Die ik het meest heb lief gehad, -
't Was niet de slanke Bruid, met wie 'k in 't zoeter leven,
Mocht dwalen op het duin en droomen in de dreven,
Wier hand my leidde op 't rozenpad;

't Was niet de jonge en teedre vrouw,
Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte,
Die my het leven, ach, zoo licht en lieflyk maakte,
Met al den rijkdom harer trouw!

"Zoo was 't de moeder van uw kroost,
Die u, gelukkige, voor 't offer veler smarte,
Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van 't harte,
Des levens liefelyksten troost?"

Neen! - die ik 't meest heb lief gehad,
Dat was mijn kranke; 't was de moede, de uitgeteerde,
Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,
Toen 'k weenend aan haar sponde zat.


Uit "Laatste der eerste"



SAUCE PIQUANTE


De dwaas bemint den lof alleen,
   De zoetste zoetigheden
En strooit ge er wat kritiek doorhêen
   Hij s boos en ontevreden.

Wel, k min den- lof zoo goed als hij,
      Doch meng me Vrij
   Wat kritisch kruid er onder
Uw lof wordt door die specerij
   Slechts eedler en gezonder!

Uit "Laatste der eerste"



GEMIS


Toen ik hem daaglijks sprak en zag
Dat vriendlijk oog, dien milden lach
   Beminden wij elkander;
Toch hield ik, zoo verbeeldde ik mij,
   Iets meer van menig ander;
Van jonger vrienden, dwaas en vrij,
Vol opgewonden jong gevoel,
Want hij was kalm en scheen wel koel...
   Maar nu de vriend mij is ontvallen,
Nu voel ik t aan mijn lange smart,
Nu klaagt, nu weet mijn eenzaam hart:
   Hem had ik t liefst van allen!


Uit "Het Land van Kokanje"


 EGOSMUS


Geef een meisje bruine lokken,
   Lippen nimmer moe of bang
Om te kussen of te jokken
   Heel het lieve leven lang;
Rozenblosjes, sneeuwen handen,
Hemelsche oogen, epen tanden,
   Ranke leest en vluggen voet:
Armpjes om er in te vliegen,
Of een kindje op te wiegen,
   En een blij gestemd gemoed.

Lieve Hemel, hoor mijn beden,
   Geef haar zachtheid, stille trouw,
En die duizend kleinigheden,
   Die zoo lief staan in een vrouw.
Kleine zonden, teedre nukken,
   Die een gloeiend hart verrukken,
   Liefdes dartle pozij;
Geef haar wat zich de engel denken
En uw rijkste gunst kan schenken,
   En dan  Hemel, geef haar mij!


  1847


In de bibliotheek van een liefhebber


Geleerdheid grijnst van alle kanten
   Hier door een stemmig donker heen:
Ach! met de eerwaarde folianten
In perkament, als achtbre tanten,
   Ben ik, zo jong, niet graag alleen.

Hu! ijzegrimmige kwartijnen,
   Gij staart mij zo verschriklijk aan,
   Als waar' hij erger dan profaan,
Die aan uw saaien schuifgordijnen
   Zijn wufte handschoen durfde slaan.

't Is boek van onderen tot boven!
   Hier groeien boeken uit de grond;
Ai help! Ik voel mij zo bestoven,
Als relden al die filosofen
   Gelijk uit hun papieren mond!

Hij, die dees achtbre rijen schikte,
   Bouwde eens aan Babels toren mee;
   Hier hebt gij de oudheid, stof op snee!
En - hoe ik van die titlen schrikte -
   Verwarring is hier 't groot idee.

Ik zou vergeefs mijn vrienden zoeken,
   Ik heb geen moed en geen pleizier;
Het is of gij uit alle hoeken:
Mij toebromt, o pedante boeken:
   'Gij zijt geen boek, wat doet gij hier?'

Hoor! De oude grenen kasten kraken,
   De meester komt... het vunze stof
   Dampt naar de zoldring duf en dof!
Ik mag mij uit de voeten maken,
   Ik voel een bitse schouderklop,
Ik zie twee opgesperde kaken...
   De boekeneter eet mij op


1849


 BOUTADE


  O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,
  Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
  Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,
  Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!

  O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,
  Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoon,
  Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,
  Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!

  Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen
  Tot modder; 'k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vree.
  Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,
  Gij - niet op mijn verzoek - ontwoekerd aan de zee.


  1851


Het haantje van den toren


November t laatst, maar even toch,
             door storm en sneeuwjacht heen,
Was ze uitgewipt naar Moeders huis
             met overhaaste schreen.
Men knorde op t onvoorzichtig kind;
             zij  kuchte, met een lach...
Doch s avonds van dat wit gelaat
             ontroerde wie haar zag.

En sedert ving haar lijden aan;
             de kiem der wrede kwaal,
"Die langzaam moordt, als sluipend gif,
             en wis, als t grievend staal,"
Schoot wortlen in heur jonge borst...
             Een blijde lentegaard...
En de arme kunst zocht weer naar t kruid,
             dat nergens wast op aard.

Het einde was beslist; doch zij
             verdroeg haar kruis, als meest
Haar kruisgenooten, t hart vol hoop,
             met plannenrijken geest.
Zij leed, met lieve lijdzaamheid,
             ook waar van week tot week,
Trots korte vleugjes van herstel,
             haar teedre kracht bezweek.

Toch, dat eentonig leventje,
             met zorg bewaakt, verdeeld, 
Was ze niet moe als nichtje een uur
             had aan haar zij gespeeld? 
Dat dobbren tusschen hope en vrees,
             die voorgeschreven rust,
t Was wel een kruis, een bitter kruis,
             voor lieve "Levenslust"!

Ach Levenslust!... in beter tijd,
             Zoo schertsend, noemden haar
De vrienden van haar schoone jeugd,
             een teedre vriendenschaar,
Die zij, een zonnetje in haar huis
             en feest van t huislijk feest,
Bezielde door haar lieflijkheid
             en rijken dartlen geest.

Want levenslustig was haar aard,
             zij lachte nimmer moe,
De jonge vrouw, vol kinderzin,
             het lieve leven toe.
Geen zorg boog licht dat hoofdje neer;
             en niets, een rozeknop,
Een zonnestraal, een lief gelaat
             wond haar jong hartje op.

Daar geurden rozen in haar ziel,
             een nachtegalenkoor
Sloeg in haar reine borst, en sloeg 
             temet eens vroolijk door!
Zij kon vertellen als een fee,
             vol dartle fantazij,
En op haar lippen zweefde graag
             de schalkse plagerij.

Toch was ze ook ernstig ja en vroom 
             doch somber was zij nooit!
Haar ernst was in geen rimpel, neen,
             Maar in een lach geplooid.
Dat vroolijk hartje was ook diep,
             doch in zijn diepte scheen
Een licht van Liefde en Hoop! dus wierp
             het stralen om zich heen.

Zij bloeide in de eerste huwlijksjeugd
             als t bloempje in mooi weer;
Zij tooide met haar blijden zin
             haar leven en verkeer;
Zij schiep een wereldje om zich heen,
             vol geest en vol geluk,
Waarin haar geestje zich bewoog,
             gezellig, vroolijk, druk.

Hoe deelde ze aller lief en leed!
             Haar handdruk was een troost,
Haal zilvren stem een feestgezang!
             haar vriendschap, onverpoosd,
Was hier en daar en overal,
             waar voor die gulle ziel
Een jarig kind te omhelzen, of 
             een traan te drogen viel.

Want zij liep uit vast iedren dag:
             zij stak door weer en wind,
Het zorgloos neusjen in de lucht
             dat onvoorzichtig kind.
En plaagden haar de vrienden soms
             om haar uithuizige aard,
Dan zuchtte zij: het blijft ook nog
             zoo eenzaam aan mijn haard!

Doch waar zij kwam, zij deed u goed,
             zij sleepte u, kozend mee;
Zij spreidde lichtjes om zich heen
             van vroolijkheid en vree;
Zij tierde en bloeide: een schoone bloem
             in s levens lentehof...
Totdat op eens de Noordewind
             haar ranken stengel trof!

Nu denk u dartle Levenslust
             gevangen in haar kluis,
Van week tot week, van maand tot maand,
             en weeg haar bitter kruis!
Men hield haar stil, men hield haar klein,
             lang praten leek haar niet,
En menigeen klopte aan haar deur,
             dien men niet binnenliet.

Weleer, hoe vlood de winter om,
             dien ons haar frissche lach,
De lente der gezelligheid,
             zoo vaak te prijzen plag;
Nu, t was haar drukste feest wanneer
             haar kleene naamgenoot,
Van tijd tot tijd, een mooien dag,
             mocht spelen aan haar schoot.

Haar woning was niet vroolijk ook:
             door kleine vensterruit
Zag t ruim, maar somber ziekvertrek
             op t stille kerkplein uit.
Slechts was daar Zondags wat te zien,
             en dikwijls vraagde zij:
"Och wandel soms een stapjen m
             en ga dan hier voorbij!"

En wie het deed, die werd beloond
             met dallerliefsten knik;
Zij stond een schre van t venster af
             en volgde u met haar blik
Zoover zij kon! maar somtijds ook
             dan zocht men, dagen lang,
Vergeefs de lieve schim voor t raam...
             en menig hart sloeg bang.

Doch straks weer zat ze op de oude plaats
             en gluurde door de ruit.
Het ging met haar al op en neer
             en langzaam achteruit,
November was t de laatste maal
             dat zij haar kluis verliet;
Het werd al Maart, het werd April,
             en beter werd zij niet.

Zij voelde t wel, zij vreesde t wel,
             doch vleide zich nog meer 
Den Hoop voor de arme kranken voedt
             een liefde wreed en teer 
En was maar eens de Mei in t land
             en gure April voorbij,
Dan werd ze ook beter, sprak haar wensch,
             en dat geloofde zij.

"Ik sterf hier in mijn duf vertrek;
             naar lucht en lentegloed."
Dus dacht zij, stil of luid, ziedaar
             wat mij genezen moet!
Ze weten t niet, ze weten t niet,
             met al hun medicijn,
God heeft de beste: bloemengeur
             en warme zonneschijn!"

"Naar Buiten wil ik, de eerste week,
             de tweede week van Mei,
Liefst naar mijn duinen, zoo het mag;
             daar ademde ik zoo vrij,
Daar was ik iedren zomer toch
             altijd zoo heel gezond;
O k zal genezen in die lucht
             en op dien dierbren grond."

"Ben ik maar eenmaal daar, gewis
             dan sterk ik langzaam aan,
t Zal met een steuntje dag aan dag
             een eindje verder gaan;
En ben ik moe, dan ruste ik uit
             aan onzer heuvlen voet...
t Is ook versterkend, t lekkre zand,
             gestoofd door zonnegloed..."

En al haar dierbren, om de beurt,
             herhaalden trouw en teer:
"Gij moet naar Buiten! zeker, daar
             vindt ge al uw krachten weer.
En was het nu maar warm en zacht,
             licht deed een toertje u goed,
In maklijk open rijtuig, kind!
             geduld maar! en houd moed!"

Een open rijtuig! en het oog
             der zwakke glom van vreugd
Bij deez gedachte, die altijd
             haar zinnen had verheugd.
"Een open rijtuig!" riep zij uit...
             "En lucht en lentegeur...
Hoor, k ben genezen, Moederlief,
             als t stilhoudt voor mijn deur."

En Meimaand kwam! en met haar, zie,
             een vleugje van herstel;
Vals zonnetje in een droeve lucht;
             doch zij: "ik wist het wel,
Gods lente brengt me al redding aan;
             zoo nu de zon maar scheen,
k Geloof  ik liep mijn kerker uit
             zoo luchtig als voorheen!"

Doch onze Noordsche Mei, helaas,
             is arm aan zonneschijn,
Hij kan zoo koud, zoo droef, zoo guur,
             hij kan November zijn.
En zoo was t nu: de Noordewind
             blies langs de kale gracht,
En dicht bij Pinkster werd nog steeds
             "de lieve Lent" verwacht.

Dat griefde haar: dat deed haar pijn;
              die borst, van hoop vervuld,
Nu dat haar zoetste hope loog,
             verging van ongeduld.
Mistroostig werd zij voor het eerst,
             en, meer dan vroeger ooit,
Verveelde t somber uitzicht haar,
             met boom noch mensch getooid.

Toch iedren morgen, dag aan dag,
             Was t nu haar eerste werk,
Te staren over t plein en dan 
             naar t Haantje van de kerk,
Met vragend, mijmrend, nieuwsgierig oog,
             een spiegel van dat hart,
Vol scherts en weemoed tegelijk,
             en spelend met zijn smart.

Want hunkren naar de lucht
             was t antwoord keer aan keer:
"De wind is Noord, de wind blijft Noord,
             t is guur, t is nog geen weer:
Kijk lieve, als t Haantje van de kerk
             zich z  naar ns  draait,
Dan ruischt het koeltje dat u zacht
             als balsem tegenwaait."

Zoo werd gezegd, gevleid, getroost....
             en iedren morgen stond
Zij nu voor t raam en tuurde en keek,
             een lachjen om den mond,
Een traan in t oog; zij schudde straks
             haar kopje, reis op reis,
En dacht en sprak dan bij zichzelf
             in vreemd en droef gepeis:

"Ach, t is weer de oude boodschap, ja,
             en t Haantje zegt: blijf thuis,
En weer een kouden, langen dag
             verkwijne ik, in mijn kluis.
Hoe anders was het vorig jaar
             hoe zorgloos liep ik uit...
Ik was toch recht gelukkig ten;
             ik wist van Noord noch Zuid."

"Neen k schonk U vroeger nooit een blik,
             ik liep door weer en wind!
Zeg, hoofdig Haantje, wreekt ge u thans
             op t onvoorzichtig kind?
En houdt ge u dan maar doof, steeds doof,
             voor al mijn geestighen...
Als " volgde er bitter, na een poos 
             "als  God voor mijn geben!"

En weemoed overstelpte haar,
             zij wrong in diepe smart
De bleeke, lange handen saam,
             met angstig jagend hart,
Tot ze eindlijk schreien kon en riep:
             "Te leven is toch zoet!
Neen, vrienden, arme Levenslust
            heeft nog geen stervensmoed..."

Doch straks verhief zij t hoofdje weer
             en t leliewit gelaat:
"Ik meen dat zulk een droeve bui
            mij gans niet vriendlijk staat."
Zoo dacht ze en sloeg het kalmer oog
             weer naar den torentop,
En dreigend met den vinger was t:
             "Pas morgen beter op!"

Maar morgen, acht, t was de eigen strijd
             in t somber ziekvertrek;
Zij voerde met haar torenspits
             een dagelijks gesprek;
Zij schonk haar nu wel menig blik
             en menig vleiend woord,
Maar t baatte niet: heur onheilsbo
             wees onverbidlijk: Noord!

Maar morgen stond ze weer en dacht:
             "de dagen gaan voorbij
En lijken op elkar  het wordt
             geen zomer meer voor mij...
Genezing wachtte ik van de lucht,
             de buitenlucht alleen 
Maar t haantje wijst naar Buiten niet,
             het wijst naar Boven heen!

k Wou toch alleen zoo graag dat God,
             eer Hij mij tot zich nam,
Nog eens een zoeler luchtje gaf
             voor zijn geschoren lam;
k Wou nog zoo graag het groen eens zien,
             den blijden zonneschijn 
En dan, zoo t warmer was, wellicht
             zou ik ook beter zijn...

"O gij, die Liefde en Almacht zijt,
             Gij, als mijn Bijbel leert,
Die met een wenken van Uw hand
             en wolk en wind regeert!
Zoo toch Uw hand, o Heer, voor mij,
             dat Haantje eens keeren wou
Naar t Zuiden heen, Gij kunt het toch!
             hoe ik U danken zou..."

Wat omging in haar ziel?...  Zij stond
             en staarde, als wachtte ze af,
Of ook haar bede werd verhoord
             en God een teeken gaf!
Ze ontwaakte op eens: ze ontroerde zelf
             van t spel der fantazie;
Keek naar de lucht, keek naar de kerk,
             en zei: "Uw wil geschi."

Des andren daags maar even wierp
             ze een blik naar buiten toe,
Half zegevierend, kalm, beslist,
             half strijdens, hopensmoe,
En toen  niet meer! Zelfs dagen lang
             ging nu t gordijn niet op 
Intusschen wachtte op zonneschijn
             nog steeds de rozeknop.

Maar eindlijk op een Junidag,
             vol zomerglans en geur,
Daar rolde een open rijtuig aan,
             dat stilhield voor haar deur...
En zij?  Ze was genezen ook,
             de lieve levenslust!
Zij ging... haar bracht een zwarte koets
             naar Buiten in de rust.

Een jonge man, geknakt van rouw,
             een kleine vriendenschaar,
Volgde  en hun ziele volgde mee! 
             de aandoenlijke baar;
Naar t Haantje van den toren keer,
             met droeven glimlach, n:
t Blonk in de blauwe lucht en wees 
             naar t zoele Zuiden heen.

December 1851

Uit 'Dichtwerken'
Uitgeverij Gebr. E & M. Cohen. Arnhem, Nijmegen


Naar boven

Petrus Augustus de Genestet
Gedichten + biografie


Piet Paaltjens
Gedichten


Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

 © Gaston D'Haese: 26-06-2003.
Laatste wijziging 08-09-2017.

E-mail: webmaster