Iphone and smartphone optimized content

Guido Gezelle - Bloemlezing
Guido Gezelle

    WEET GIJ

                "Numquid nosti semitas nubium?"

Weet gij waar de wind geboren,
waar de dauw geboren wordt?
Weet gij kunstig op te sporen
wat hierbij, hierboven is?
Weet gij wat de sterren zijn, en
wat de zon, de mane? Wat
in de bergen, in de mijnen
ligt, en in de zee bevat?
Weet gij iets klaar uit te leggen
van al 't geen me u vragen kan?
Antwoordt dan en wilt mij zeggen:
Dichten... wat is dichten dan?

"Numquid nosti semitas nubium?"
Kent gij dan de wegen van de wolken?

   HET SCHRIJVERKE

O krinklende winklende waterding
     met 't zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
     al schrijven op 't waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
     al zie 'k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
     al zie 'k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
     Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
     dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over 't spegelend water klaar,
     en 't water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
     dat stille over 't waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
     met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die 't mij zeggen kan: -
     Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,
     gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
     och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
     Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn 't keikes of bladtjes of blomkes zoet,
     of 't water, waarop dat ge drijft?
Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
     of is 'et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
     of is het u, schrijverken zelf?
En 't krinklende winklende waterding,
     met 't zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
     en 't bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
     het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
     één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
     niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
     den heiligen Name van God!"

Uit 'Dichtoefeningen'

schrijverke: draaikever, een soort watertor
winklende: scherpe bochten beschrijvend
kabotseken: mutsje
spegelend: spiegelend
zo zeer: zo snel
kwietelen: kwelen
kapoteken: manteltje


O 't ruischen van het ranke riet

O 't ruischen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig nijgend, neer,
staat op en buigt ootmoedig weêr,
en zingt al buigen 't droevig lied,
dat ik beminne, o ranke riet!

O! 't ruischen van het ranke riet!
hoe dikwijls dikwijls zat ik niet
nabij den stillen waterboord,
alleen en van geen mensch gestoord,
en lonkte 't rimpelend water na,
en sloeg uw zwakke stafjes ga,
en luisterde op het lieve lied,
dat gij mij zongt, o ruischend riet!

O! 't ruischen van het ranke riet!
hoe menig mensch aanschouwt u niet
en hoort uw' zingend' harmonij,
doch luistert niet en gaat voorbij!
voorbij alwaar hem 't herte jaagt,
voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
maar uw geluid verstaat hij niet,
o mijn beminde ruischend riet!

Nochtans, o ruischend ranke riet,
uw stem is zo verachtelijk niet!
God schiep den stroom, God schiep uw stam,
God zeide: "Waait!..." en 't windtje kwam,
en 't windtje woei, en wabberde om
uw stam, die op en neder klom!
God luisterde... en uw droevig lied
behaagde God, o ruischend riet!

O neen toch, ranke ruischend riet,
mijn ziel misacht uw tale niet;
mijn ziel, die van den zelven God
't gevoel ontving, op zijn gebod,
't gevoel, dat uw geruisch verstaat,
wanneer gij op en neder gaat:
o neen, o neen toch, ranke riet,
mijn ziel misacht uw tale niet!

O! 't ruischen van het ranke riet
weergalleme in mijn droevig lied,
en klagend kome 't voor uw voet,
Gij, die ons beiden leven doet!
o Gij, die zelf de kranke taal
bemint van enen rieten staal,
verwerp toch ook mijn klachte niet:
ik! arme, kranke, klagend riet!

Uit 'Dichtoefeningen'

wabberde: golfde lichtjes


  EN DURFT GIJ MIJ

En durft gij mij van dichten spreken,
die nimmer zijt in staat
twee reken*
te rijmen dat het gaat!

Het dichten is van God gegeven,
maar niet aan elk ende een
in 't leven;
de kunste is niet gemeen*.

Laat bloeien al die roos mag wezen,
spruit helder, zijt gij bron*;
maar dezen
die* ton zijn blijven ton!

De miere en zal geen peerd heur* wensen,
de krieke geen radijs;
de mensen
alleen zijn niet zo wijs.

Zo, elk ende een het zijn! Soldaten
het buskruid, zo 't behoort,
gelaten,
en Dichteren het woord!
    1859

Uit kritiek op een criticus van 'Gedichten,
Gezangen en Gebeden' (1862)

twee reken: twee regels
is niet gemeen: is geen gemeenschappelijk bezit
zijt gij bron: indien gij bron zijt
dezen die: zij die
heur: zich

  IK MISSE U

                    Aan een afwezenden vriend

Ik misse u waar ik henenvaar
    of waar ik henenkeer:
den morgenstond, de dagen rond
    en de avonden nog meer!

Wanneer alleen ik tranen ween
     't zij droevig het zij blij,
ik misse u, o ik misse u zoo,
     ik misse u neffens mij!

Zoo mist, voorwaar, zijn wederpaar
    geen veugelken in 't net;
zoo mist geen kind, hoe teer bemind,
    zijn' moeder noch zij het!

Nu zingt men wel en 't orgelspel
    en misse ik niet, o neen,
maar uwen zang mist de orgelklank
    en misse ik al met een.

Ik misse u als er leugen valsch
    wil monkelen zoo gij loecht,
wanneer gij zacht mij verzen bracht
    of verzen mededroegt.

Ik misse u nog... waar hoeft u toch,
    waar hoeft u niet gezeid...
Ach! 'k heb zoo dikwijls heimelijk
    God binnen u geleid!

Daar misse ik u, daar misse ik u
    zoo dikwijls, en, ik ween:
geen hope meer op wederkeer,
    geen hope meer, o neen!

Geen hope, neen, geen hoop, hoe kleen,
    die 't leven overschiet;
maar in den schoot der goede dood
    en misse ik u toch niet?

    1859

Uit 'Gedichten Gezangen Gebeden'


waar ik henenvaar: waarheen ik ga
neffens: naast
zijn moeder noch zij het: zo mist zij het kind niet
monkelen: glimlachen
loecht: lachte
die 't leven overschiet': blijft er in dit leven over


DIEN AVOND EN DIE ROZE

'k Heb menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
'k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als het uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neergezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen !
Ofschoon, zo wel voor mij als u,
-wie zal dit kwaad genezen ?-
een uur bij mij, een uur bij u,
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zo lief en uitgelezen,
die roze, al was 't een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
't en ware ik 't al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: U,
DIEN AVOND EN DIE ROZE !

Uit 'Gedichten Gezangen Gebeden'

koste: kon
moste: moest
van: door
't en ware ik 't al verloze: tenzij ik alles verlies


  DE MAAIER ZINGT

De maaier zingt een zomerliedtje
en snijdt, het staal in d'handen
alwaar hij 't dikste kooren ziet,
en dweers deur 't zonnebranden;
hij kapt, hij kerft, hij zwikt, hij zwaait,
al schuifelen in het ronde,
hij pakt, hij pikt, hij dringt, hij draait
het sperkelend graan ten gronde:
en 's navonds late, als 't westen gloeit,
hij heft zijn hoofd omhooge,
en 't slagveld, maar dat zonder bloed,
verheugt zijn dankende ooge.

Uit 'Kleengedichtjes'

'K HOORE TUITEND' HOORNEN

'k Hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij
voor mij:
de navond is nabij,
komt bij:
zegene u de Alderhoogste, want
de navond is nabij,
komt bij:
'k hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij,
voor mij!

Uit 'Kleengedichtjes'

'k Hoore tuitend hoornen: ik hoor
    op de (koe)hoorn blazen

O WANKELENDE OOGENWONNE

O wankelende oogenwonne
der bleeke winterzonne,
die, rood als goud gemaald,
in 't hooge westen daalt!

't Is nijdig, nijpend weder,
en langzaam daalt zij neder,
aanschouwbaar nu en schoon,
uit haren hemelthroon.

Noch branden 'n is 't noch steken,
maar vlugge vonken leken;
maar wabberen, lauw en zoet,
dat nu de zonne doet.

't Is koud, de winden bijten,
't is koud, de boomen splijten;
de booze winter giert:
hij heeft de zonne ontvierd.

't Is koud... Geen vorst gemeden
maar dapper doorgetreden,
met mannenmoed en kracht,
die heerd en vier veracht!

Aanschouwt hoe 't zonnewezen,
onzegbaar schoon voordezen,
nu immers schoonst van al,
allengskens zinken zal.

Aanschouwt, van einde te orden,
één zee heel 't westen worden;
en, zonder grens of grond,
één duizendverwig bont!

De zonne vaart, beneden
die duizendverwigheden,
mildmondig lachend voort
en wint den hemelboord.

Ze plonst eens nijgens neder,
en laat in 't wolkgeveder
heur zusterlicht, de maan,
twee scherpe tanden slaan.

't Is koud, de winden bijten;
't is koud, de sterren splijten
den helderen hemeltrans:
't is nacht en winter thans.

    1891

Uit 'Tijdkrans'


wankelende oogenwonne: "wonne" is Mnl.
    voor vreugde, genot, zaligheid, geluk, genade.
    'Wankelende oogenwonne' betekent dus
    tanende ogenvreugde
gemaald: geschilderd
wabberen: lichtjes golven
ontvierd: haar vuur ontnomen
allengskens: geleidelijk
van einde te orden: over heel de oppervlakte
duizendverwig: duizendkleurig
eens nijgens: eensklaps
hemeltrans: 'trans' is de omgang boven op een toren.
    Hooggelegen plaats
    Gezelle bedoelt hier (=metafoor) 'de ruimte',
    'het zwerk'


VOL NAALDEN VLIEGT DE LUCHT

Vol naalden vliegt de lucht,
vol priemend ijsgekertel,
dat glinstert in de zon,
en, met den asemtocht
gezwolgen, kilt en kerft
de kele en 't haargespertel,
dat in de neuze temt
den toevoer van de locht.

't Is bijtend koud. Een spree
van witheid, ongemeten,
't zij waar ge uwe oogen vlucht,
ligt overal gespreid;
't is snee' tot in uw huis,
't komt snee' door al de spleten;
't is snee', 't is immer snee',
en al sneeuwwittigheid.

De wind komt, wild en boos,
gesnoeid uit alle gaten;
geen ruste en wilt hij, eer
hij eenmaal weten zal
dat 't volk verdwenen is,
en hem wilt meester laten...
't Is bijster, bijtend koud,
en 't wintert overal.

Uit 'Tijdkrans'

priemend ijsgekertel: priemvormige ijskristallen
met den asemtocht: met de adem
't haargespertel: verwarde neushaartjes
temt: hindert
locht: lucht
spree: sprei
't zij waar ge uwe oogen vlucht: waar je ook
    je ogen laat gaan
snee: sneeuw
al sneeuwwittigheid: niets dan witte sneeuw
gesnoeid: snijdend aangewaaid

  HET RUWRIJMT

Het ruwrijmt, het brimmelt,
      en 's winters geweld
heeft varings al 't hout in
      zijn' schoonheid hersteld.

Het stond daar en treuren,
      van alles ontbloot;
vol deernisse, och arme, en
      een beeld van de dood!

Nog maanden en dagen
      zal 't lijen eer 't alom
weêr licht is en leven,
      en blad hier, en blom.

"'t En zal," zei de Winter,
      "'t en zal," en zoo zaan
is houtwaards hij ijskoud
      aan 't asemen gegaan.

Het hout wordt te bloeien
      en 't blinkt, zoo medeen,
vol heerlijke blommen,
      vol edel gesteen.

Geen takske, geen tuitje,
      geen spinnekopnet,
of dikke is 't met baarden
      en burstels bezet.

Met baarden en burstels,
      zoo licht en zoo snel,
't en groeit op geen lammeren
      zulk witwollig vel.

't En zwemmen geen zwanen
      zoo helder van vacht,
als 't hout daar de ruwrijm
      op rustte eenen nacht.

Met elsens van ijs al
      hun' toppen getooid,
gescherpt staan de hulsten,
      veel schoonder als ooit.

Zijn' boorden beruwrijmd,
      is 't ijfteblad eer
een blomme als een blad nu,
      geen ijfteblad meer.

't Gestreuvelde sperhoofd,
      wel tien jaar veroud,
en gister nog zwart, is
      nu peper en zout.

De stilstaande boomen
      zijn, witter als wasch,
verwenscht en veranderd
      in boomen van glas.

Vol sprieten van boven,
      gevlerkt en gevlugd,
die wijzen, lijk vingers,
      omhooge in de lucht.

Besponnen van onder
      vol netten, die, fijn,
van 't een hout in 't ander
      gespellewerkt zijn.

Zoo versch ligt de ruwrijm,
      zoo helder, als ooit
viel, versch uit den hemel,
      eens manna gestrooid.

Zoo lief ligt de ruwrijm
      op 't gers, dat die moet
verzetten, voorzichtig
      verzet zijnen voet.

Kristalen woestijne,
      vol wonderen, vergunt
me eene ure uw genot nog:
      och arme, ge en kunt!

De zonne is gerezen,
      de wreede, zij velt
omleege al uw' schoonheid,
      o wintersch geweld!

De boomen, ze treuren,
      van alles ontbloot:
een boodschap, och arme, en
      een beeld van de dood!

En dagen en maanden
      zal 't lijden weêrom,
eer 't leven en licht is
      en blad hier, en blom!

Uit 'Tijdkrans'

het ruwrijmt, het brimmelt: het rijmt, het vriest lichtjes
stond... en treuren: stond te treuren
vol deernisse: beklagenswaardig
't en zal: dat zal niet waar zijn
zoo zaan: op staande voet
wordt: begint
spinnekopnet: spinnenweb
burstels: borstels
't en groeit...geen: er groeit geen
elsens: elzen
hulsten: hulstbomen
schoonder: mooier
't gestreuvelde sperhoofd: de warrige kruin
    van de sparren
veroud: verouderd
witter als wasch: witter dan (proper) wasgoed
    of bedoelt de dichter witter dan de was
    van een kaars?
gevlugd: gevleugeld
gespellewerkt zijn: als kloskant ineengewerkt
die: degene die
ge en kunt: ge kunt het niet
omleege: naar beneden

  WINTERMUGGEN

De wintermuggen zijn
     aan 't dansen, ommentomme,
zoo wit als muldersmeel,
     zoo wit als molkenblomme.

Ze varen hooge, in 't vloe;
      ze dalen diepe, in de ebbe;
ze weven, heen en weêr,
      hun' witte winterwebbe.

Hun' winterwebbe zal,
     dat lijnwaad zonder vlekken,
den zuiverlijken schoot
     van moeder Aarde dekken.

Ze ligt in heuren slaap,
     ze droomt den schuldeloozen,
den maagdelijken droom
     van nieuwe lenteroozen.

Ze ligt in heuren slaap,
     ze droomt den wonderbaren,
den liefelijken droom
     van 's zomers harpenaren.

Ze ligt in heuren droom,
     ze droomt van overvloed en
van voorspoed overal,
     om vee en volk en voeden.

'n Wekt ze niet, 'n laat
     heur geen geruchte dwingen,
om, al te schier ontwekt,
     uit heuren slaap te springen!

Daar ligt ze nu en rust:
     heur zwijgend beddelaken,
de wintermuggen spree'n 't,
     die geen geruchte en maken.

Ze draaien op en af
     en af en op en omme,
zoo wit als melk, als meel,
     als molke en runselblomme.

     1896

Uit 'Rijmsnoer' (Nieuwjaarmaand). Uitgave 1897.


Wintermuggen: dichterlijke omschrijving
    van sneeuwvlokken
ommentomme: overal, alom
muldersmeel (molenaarsmeel): suggereert sneeuw
    die rondvliegt (metafoor)
molkenblomme: letterlijk bloem van melkroom.
    Een stadium van de room tijdens
    de boterbereiding
vloe: vloed
's zomers harpenaren: de zingende vogels
om vee en volk...: ten behoeve van vee en volk...
voeden: allerlei soorten voedsel
schier: onverwacht, schielijk
ontwekt: ontwaakt
spree'n 't: spreiden het
als molke en runselblomme: als room
     en bloem van room

  'T VRIEST

Vaste in 't ijs staan al de beken,
     effenboords, en volgezeeuwd:
uitgeweerd twee wulgenreken,
     weg 't is al, en witgesneeuwd,
al, dat nog mijn oogen zagen,
rechts geleên twee winterdagen.

Weg en wete ik waar mij vinden,
     batte en bane is doodgedaan;
snijden doen de snelle winden,
     't vogelvolk moet schooien gaan:
mussche en merel eten vragen,
zoekende in de doorenhagen.

Deerlijk is de zonne aan 't zinken,
     't beste van den dag is om:
't avondt, en de sterren pinken
     schielijk, in den hemelkom:
scherpe en sterke bijzen vagen
't rijspeur van den winterwagen.

Toe zijn al de deuren; dichte
     dekt de sneeuw de daken al;
heinde en verre en zie 'k gezichte
     dat "goendag!" mij bieden zal;
duister wordt de lucht, en 't jagen
sneeuw-, weêrom, en vlokkenvlagen.

Nacht en Winter samenspannen,
     heere zijn ze, en baas, getween;
Vreugde is uit ons land gebannen,
     donker is 't en koud, medeen!
Wee- nu mensche en dieren klagen:
's Winters koude tanden knagen.

1896

Uit 'Rijmsnoer' (Nieuwjaarmaand)


effenboords: tot boven toe
volgezeeuwd: volgestrooid
uitgeweerd twee wulgenreken: uitgezonderd
    twee rijen wilgen
rechts geleên: pas geleden
Weg en wete ik waar mij vinden: ik weet niet waar
    ik mij een weg kan vinden
batte: pad
batte en bane: alle wegen
doodgedaan: bedolven, uitgeveegd
deerlijk: beklagenswaardig; hier betekent het
    zwak, bleek
't avondt: de avond valt
bijzen: buien, hier betekent het sneeuwvlagen
rijspeur: wagenspoor
en zie 'k: zie ik geen
't jagen: er jagen
medeen: ineens, dadelijk
Wee- nu mensche en dieren klagen: mensen
    en dieren weeklagen
's Winters koude tanden: de koude tanden
    van de winter

  WINTERNACHT

Hoe zwart staan al de boomen in
     de witheid, onverwacht,
van 't overdadig sneeuwen, dat 't
     gedaan heeft, van den nacht!

Ze staan daar, als gekoolzwart en
     met teekenen geprent,
al zwarte en zwarte staven, op
     een eindloos pergament.

Ze 'n roeren, noch ze 'n poeren en,
     bij 't nachtelijk gestraal,
men zweren zou dat 't spoken zijn,
     of reuzen altemaal.

De sterren staan en bliksemen,
     als oogen, ongeteld,
van boven, uit de koppen van
     die reuzen vol geweld.

Ze groeien immer grooter, en
     de witheid van de snee
verzwaart de zwarte stammen. Zich!
     van een' zoo wordt er twee!

'k Versta nu hoe van drollen, gij,
     en droezen hebt gedroomd,
wanneer ge, Noordsche heidenen,
     verkeerdet in 't geboomt.

Bij 't razen van den winter en
     bij 't nijpen van den nacht,
is de oude, grimme reuzenzegge
     ontstaan in uw gedacht

Uit 'Rijmsnoer' (Nieuwjaarmaand)

gekoolzwart: met houtskool zwart gemaakt
met teekenen geprent: met (letter)tekens gedrukt
staven: letters
pergament: perkament. De spelling van Gezelle
    verwijst naar de stad waarvan het woord
    is afgeleid,namelijk 'Pergamon'
poeren: peuren = hengelen met wormen;
   porren = stoten.
   In het gedicht bewegen ze dus niet!
't nachtelijk gestraal: de maan
Zich!: zie
drollen: kobolden
droezen: duivels
Noordsche heidenen: Germanen vóór de kerstening
grimme: grimmige
reuzenzegge: reuzensage

  ARM HUISGEZIN

Onder 't duister dak gedoken,
     strooi en vodden altegaar,
heel onttodderd, half gebroken,
     staat des werkmans woonsteê daar.

't Kaafgat, omme- en scheefgetrokken,
     vallen gaat; en daar, deureen,
liggen afgerolde brokken
     bruingebrand al, gruis en steen.

't Dak beneden, deur de wanden,
     glazenloos, van latte en leem,
zie 'k getelde turven branden,
     doodsch, in 't deerlijk huisgeheem.

Open ligt het, aller oogen;
     't waait erdeure en 't sneeuwt erin;
's zomers zal me' er hitte in doogen,
     's winters koude. - Arm huisgezin!

31-8-1896

     Uit 'Rijmsnoer' (Nieuwjaarmaand)


vodden: graszoden
onttodderd: verwaarloosd
half gebroken: vervallen
't Kaafgat: schoorsteen
't Dak beneden: het lage dak
getelde turven: karige (getelde) turfblokken
't deerlijk huisgeheem: het armzalig huisraad
    (inboedel)
aller ogen: voor alle ogen; iedereen ziet het
men er... dogen: zal men er ondergaan (lijden)

   B O O M E N

     Hoe eigen zijn de boomen al,
    van dracht en groeibaarheid:
de hulst en bloot zijn' takken nooit,
hoe fel de buien berschen;
     de beukenboom zijn' handen naar
     den hemel openspreidt;
en, slaande, schijnt de berkenroe
den wilden wind te derschen!

    Op wacht, en achter 't water, staan,
    gekroond met immer versch
gewaai, de dikke koppen van
de ontaarde wilgenstompen;
     en de elzenhouten stammen zie 'k,
     verzopen onder 't gers
der natte zompe, allengerhand
ze leêg- en droogepompen.

    Den eekenboom bewondere ik,
    die, wortelvast, alleen,
in 't slaghout, en van krachten en
van schoonheid heel gebleven,
     de keizer schijnt, het opperhoofd,
     de herder, algemeen,
der machtelooze rijzels, die
beneên zijn' grootheid beven.

    Het schaduwvolle lindenloof
    te geren schouwe ik aan,
van geur onovertroffen, als 't
aan 't bloeien is; en 't ronken
     der bezigzijnde bietjes, op
     de blommen en de blaân,
is zoete, alsof er harpen langs
de lindenlanen klonken.

    Die de eerste, die de laatste zijt,
    in 't warme, in 't koude jaar,
hoogstammig, hooggespilde, hoog-
getopte abeelen, binnen
     uw' alderhoogsten gaffel zit
     het schilde vogelpaar
dat schetterbekt, zijn luchtgebouw
zorgvuldiglijk te ontginnen.

    En, verre en na, gedoken in
    den essche, en in den iep;
in doorenhagen, dennenhout,
in olmen, in platanen;
     in appel-, pere- en kriekelaar,
     zoo roert er een gepiep
van vogels, die voor vogels, hun'
oorije, de wegen banen.

    Terwijl, geschoten hemelwaards,
    als uit nen boge, snel,
den espenboom ik striemen zie
van verre; en teeken geven
     dat hier, in onze lucht en in
     de veie gronden fel,
van 't vogelvolle Vlanderland,
nog boomen staan, die leven.

     Uit 'Rijmsnoer' (Schrikkelmaand)

dersen: dorsen, slaan
gers: gras
zompe: poel
rijzel: dunne tak (rijs=twijg)
abeelen: populieren; 'abelen' = nieuwe spelling
gaffel: tak die aan de bovenkant in 2 armen uitloopt
schilde: twee- of meerkleurig
oorije: nageslacht
vei: mals, vruchtbaar

MUGGEN

Wat hoore ik in de lucht,
terwijl de zonnestralen
mij baden, af en aan,
een aardig liedtje malen,
dat volgt alwaar ik ga,
nu helder en, zoo zaan,
gedempt, alsof het ware,
en in nen doek gedaan?
't Is verre nu, 't is bij:
'k en wete 't waar besteden,
maar, immer hoore ik iet
dat zingt mij achtertreden.

'k En zie geen masten, geen
geschoren kopersnaren,
die, over land en liën,
de wereld ommevaren
en zingen, als de wind,
terwijl hij loopen gaat
en spelen, in 't geheim
van hunne harpen slaat:
't is eenzaam overal,
noch mensch en is noch stake
nabij, maar hooren doe 'k
een losse liedersprake.

't En staan geen linden toch?
En, stonden er ook linden,
geen blad en ware nu,
geen blomme eraan te vinden,
o lustig biegezwerm,
die later zingen zult,
in 't geurig lindenloof,
terwijl ge uw zakken vult.
Het zingt nochtans entwie
entwat, entwaar? Wat dingen,
of welke zangers zijn 't,
die hier Hosannah zingen?

Is ievers volk te been?
Is wapendienst..., is heden
de jonge legerkracht
te gâre in 't veld getreden,
en hoore ik hoe, van ver,
zij komen, aangevoerd
door lustig hoorenspel,
daarin de trommel roert?
'k En wete 't; maar, de zonne,
aan 't overheerlijk blaken,
kan ook het dapper volk
des oorlogs helder maken.

Maar neen, 't en nadert nu
geen krijgsvolk; op de schenen
en rijdt geen stalen wiel,
geen stoomgevaarte; henen
en van den werke weg
schijnt alles: wie dan is 't,
dien 'k zingen hoore? Om niet,
is 't al om niet gegist?
Geen nieuws en hoorde ik ooit,
dat, onbekend voordezen,
zoo wonderlijk mij scheen,
en 't weten weerd, te wezen.
't Komt nader nog: 'k zie omme,
en... die de trompe steken,
dat 't louter muggen zijn,
is me, eindelijk, gebleken;
die, volgende in mijn speur,
tien duizenden te gaar,
nu botsen op mijn hoofd,
nu bijzen deur mijn haar.
o Blijde muggen, laat
mij mede, in uwe klanken,
om 't helder zonneweêr,
en 't schoone, God bedanken!

1896

Uit 'Rijmsnoer' (Grasmaand)

baden: overvloedig beschijnen
malen: hier betekent het herhalen
zo zaan: zo dadelijk
't is bij: nabij
'k en wete 't waar besteden: ik weet niet
    waar het te plaatsen
achtertreden: nakomen
geschoren kopersnaren: gespannen koperdraden
    zoemen als snaren (telefoonleidingen)
liên: lieden, mensen
de wereld ommevaren: de wereld omspannen
noch mensch en is noch stake: geen mens
    en geen (telefoon)palen
een losse liedersprake: gezang ergens in het ijle
entwie, entwat, entwaar: iemand, iets, ergens
ievers: ergens
hoorenspel: koehoorn als blaasinstrument
daarin de trommel roert: met tromgeroffel
    daartussen
'k En wete 't: ik weet het niet
schenen: sporen
stoomgevaarte: stoomlocomotief (trein)
en van den werke weg: en van hier weg
om niet: vergeefs
die de trompe steken: die op de trompet
   of de hoorn blazen,
    of de mondtrom doen zoemen
tien duizenden te gaar: met tienduizenden
bijzen: bengelen, zwieren; hier betekent het
    vliegen, zweven
mij mede: samen met u

  HAGEDOOREN

Hagedooren, diepe en donker,
    heel uw hoofd vol blommen hangt,
's zomers, en coraalgeflonker,
    's najaars, u de vingers vangt.

Reuke uw' lieve leden laten,
    sneeuwwit als ge bloeit en blinkt;
iepen biedt ge, in volle maten,
    't vlugge volk, dat vinkt en klinkt.

Bloeiende onuitputbaarheden,
    nooit tot aan den boôm gepeild,
draagt ge, en diepe honingsteden,
    daaglijks door de bie'n bezeild.

Sterk zijt ge, en de dieven vluchten
    't wee, dat uw geweld hun doet:
stille, en zonder roergeruchten,
    waakt ge menig tuinmans goed.

Blank van blomme en rood van iepe,
    jeunt mij, al dit leven lang,
hagedooren, dichte en diepe,
    vrijdom, vreugde en vogelzang!

1897

Uit 'Rijmsnoer' (Grasmaand)


Hagedoorn (crataegus oxyacantha): tweestijlige
    meidoorn
coraalgeflonker: het glanzen van de koraalrode
    bessen
reuke... laten: geur uitwasemen
iepen: hier betekent het bessen; de hagedoorn
    wordt ook iepedoorn genoemd
't vlugge vogelvolk: de vlugge vogels
honingsteden: honingbronnen
bezeild: al vliegend bezocht
roergeruchten: geweerschoten
jeunt mij: gun mij
al dit leven lang: heel mijn leven lang
vrijdom: vrijheid

MEIZANG

Herhaalt mij nu weêrom dat
schoone lied,
'n laat geen lieve leise ervan
verloren,
want op en af uw' lippen
loopt er iet,
dat in of om den biekorve is
geboren !

't Is honing dat gij zingt, en
al te zoet,
om nóg eenmaal mij niet te zijn
geschonken;
mij lust hoe meer ik drinke, en
drinken moet
ik meer, hoe meer ik drinke en heb
gedronken.

1896

Uit 'Rijmsnoer' (Bloeimaand)


Het gedicht ontstond na het beluisteren
van een zangeres ten huize van Adolf Verriest
te Kortrijk
leise: wijsje
mij lust hoe meer ik drinke: het bevalt mij
telkens meer en meer

  BONTE ABEELEN

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.

Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.

Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.

Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.

Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.

Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Uit 'Rijmsnoer' (Bloeimaand)

Populus nivea: sneeuw- of witte abeel
abeelen: populieren; 'abelen' = nieuwe spelling
teenegader: tegelijk
wikkelwakkelwaait: snel en nerveus bewegen
minke: vlek
wisselbeurtig: om beurten; afwisselend
zoo: op dezelfde manier
bonte-abeelt: hier betekent het snel bewegen
    zoals abeelblaren

  DE AVONDTROMPE

Heur' trompe steekt de koe: ze is moe
     van neerstig om te knagen;
van lange, in 't jeugdig grasgewas,
     den zwaren eur te dragen;
den zwaren eur, die, molkenvol,
     albij den grond genaakt;
die zwaait, die heur den tred belet,
     en 't lichaam lastig maakt.

Ze steekt de trompe en tuit, om uit
     den meersch te mogen komen,
ter melksteê, om, ontlaan, voortaan
     heur zog te zijn ontnomen;
heur zuivel, dat zoo zoet, zoo goed,
     zoo zuiver is; en dat,
voor alle lieden, ate en bate,
     en drinkbaarheid bevat.

De trompe steekt de koe, daartoe
     verwekt, alzoo de menschen,
die, tegen avond, lam en stram
     gewrocht, de ruste wenschen.
De mensch is moe, de koe is moe,
     en iedereen betracht,
na 's zomers zware werk, onsterk,
     de zegenvolle nacht.

Uit 'Rijmsnoer' (Zomermaand)

trompe: hoorn, jachthoorn, koehoorn, mondtromp
    (Frans - guimbarde),
    In dit gedicht wordt het loeien van de koe
    vergeleken met het toeten van de koehoorn

neerstig: naarstig; vlijtig
eur: uier
molkenvol: vol melk
albij: bijna
genaakt: raakt
tuit: toet; blaast op de hoorn
meersch: weide
melksteê: melkplaats
zog: moedermelk; hier de melk van de koe
ate en bate: voedsel en baat (nut);
    dus versterkend voedsel
gewrocht: gewerkt
betracht: verlangt
onsterk: doodmoe; uitgeput

  TWEE HORSEN

Ze stappen hun' bellen al klinken,
     de vrome twee horsen te gaar;
ze zwoegen, ze zweten; en blinken
     doet 't blonde gelijm van hun haar.

Ze stappen, ze stenen, ze stijven
     de stringen; en 't ronde gareel,
het spant op hun' spannende lijven:
     de voerman beweegt ze aan een zeel.

De wagen komt achter. De rossen,
     gelaten in 't lastig geluid
der schokkende, bokkende bossen,
     gaan, stille en gestadig, vooruit.

Geen zwepe en behoort er te zinken,
     geen snoer en genaakt er één haar:
zoo stappen, hun' bellen al klinken,
     de vrome twee horsen, te gaâr.

    1897

Uit 'Rijmsnoer' (Zomermaand)

twee horsen: twee paarden
vrome: Gezelle bedoelt hier 'sterke'
't blonde gelijm: de blonde glans
ze stijven de stringen: ze trekken de strengen strak
bokkende: stotende
bossen: naven
snoer: het dunne uiteinde van de zweep
te gaâr: samen

  DE DAKPANNEN

De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon,
  schuren bedekkende en boeien,
laat er de zonne, van uit heuren throon,
  vierige vonken op gloeien.

Duister, zoo waren ze, een wijle geleên,
  vunzig, oneffen bedegen;
deerlijk onttodderd en schamel, beneên
  't vochtig gezijp van den regen.

Blijde nu blinken ze, in 't zadgroene veld;
  schuren bedekkende en boeien:
'k zie mij zoo geren, in 't zonnengeweld,
  de oude roo dakpannen bloeien.

    1896

Uit 'Rijmsnoer' (Hooimaand)


roo: rode
schijnen: glanzen; glimmen
boeien: bijgebouwtjes
vierige: vurige
een wijle geleên: een poosje geleden
vunzig: onfris; smerig
oneffen bedegen: hobbelig geworden
onttodderd: vervallen; verwaarloosd
beneên: onder
gezijp: gesijpel; in druppels of straaltjes neervallen
zadgroene: diepgroen
geren: graag
bloeien (beeldspraak): de dakpannen bloeien
    als bloemen

  TERUG

Scheef is de poorte, van
     oudheid geweken;
zaâlrugde 't dak van
     de schure; overal
stroo op de zwepingen
     zit er gesteken;
vodden beveursten het
     huis en den stal.

Boven die vodden zijn
     blommen gesprongen;
onder die vodden zit
      volk en gezin:
blommen van vrede, zoo
     ouden, zoo jongen,
blommen van buiten en
      blommen van bin.

Daar is 't dat moeder zat;
      daar is 't dat vader
vond die hem arbeid en
     herte bracht; daar
knielden wij, kinderen,
     handen te gader,
baden wij, kleenen en
      grooten te gaâr.

Daar is de schippe nog,
      daar is de tange;
't ovenbuur staat daar, zoo
      't vroeger daar stond;
't hondekot staat daar, en...
      - 't is al zoo lange! -
Hoe is de naam van dien
     anderen hond?

Ach, hoe verheugen mij,
     ach, hoe verheffen
de oudere dagen mijn
      diepste gemoed!
Is er wel iemand, die 't
      ooit kon beseffen
wat gij, oud hof, mij nu
      zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al
     te arglooze mensen,
weinig begeerdet gij,
      groot was uw hert!
-Kon het maar helpen, met
     weenen en wenschen,
weêr ate ik roggenbrood,
     naast u, aan 't berd!

    1897

Uit 'Rijmsnoer' (Hooimaand)


geweken: gezakt
zaâlrugde: ingezakt (er uitziend als een zadel)
zwepingen: gordingen (dwarshout of ijzeren ring
    waarmee iets in verband gehouden wordt)
gesteken: gestoken
vodden: graszoden
beveursten: liggen op de nok (=vorst) van het dak
gesprongen: ontloken
die hem arbeid en herte bracht: die hem last
     en liefde bracht
schippe: kolenschop
ovenbuur: ovenhuis
oudere dagen: vervlogen dagen
hof: hofstede; boerderij
berd: tafel

  C A S S E L K O E I E N

       Aanschouwt mij, hier en daar;
           die bende Casselkoeien;
               die, louter bruin van haar,
           als zooveel blommen bloeien,
in 't gers en in de zon, die, zinkend henentiet:
die, rood, het roode veld vol roode vonken giet.

               't Is prachtig overal,
          t is prachtig, hoe de huiden
               dier koeien liefgetal
          van vouwe en verwen luiden;
't is prachtig, hoe ze staan, gebeiteld en gesneên,
lijk beelden, over heel die wijde weide heen.

               Daar zijnder, roode als vier;
          castanjebruin geboende;
               naar donkerbaaide bier,
          naar bijkans zwart bier doende;
beglinsterd en beglansd: van vel en verwigheid,
gelijk en ongelijk - terwijl de zonne beidt.

               Al langzaam langer speelt,
          dwersdeur de weidegronden,
               't zij welker koe een beeld
          van schaduw bijgebonden;
en, wangedrochtig groot, in 't donker gers, voortaan,
zie 'k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.

               Goên nacht! De zonne beet
          ten neste neêr: tot morgen
               is al dat verwe heet,
          en oogen aast, verborgen:
de koeien zijn voorbij, gedelgd en uitgedoofd,
en... morgen weêr, ontwekt ze 't blinkend zonnehoofd.

13-09-1896

Uit 'Rijmsnoer' (Herfstmaand)


Casselkoeien: donkerbruin ras uit Fr. Vlaanderen
aanschouwt mij: plechtig synoniem voor 'kijk
    eens aan'
henentiet: weggaat, heengaat (van Mnl. tiën,
    toog, getogen)
liefgetal: lieftallig
luiden: betekent hier glanzen
verwen: kleuren
geboende: gekleurde; geverfde
donkerbaaide: donkerbruine
vel en verwigheid: huidskleur, hier kleur
    van de vacht
beidt: talmt
vier: vuur
gers: gras
baaide: roodbruin
doende: zwemend, neigend naar
gevlerkte: gevleugelde
De zonne 'beet' ten neste neêr: de zon 'strijkt neer'
    op haar nest
en oogen aast: en ogen voedt
ontwekt ze 't blinkend zonnehoofd: doet
    de schitterende zon 'hen' (de koeien) ontwaken

  FIAT LUX

't Smoort, het smuikt, het smokkelwedert
    allentheen! Waar zijn ze thans,
waar de boomen, waar de huizen,
    waar de wereld, heel en gansch?

Handen uit! Wat is 't? Wat hapert
    er, genoot, dien 'k niet en zie;
die "goendag!" mij, uit den nevel,
    roept, van hier nen stap of drie?

Van den hoogen torre en blijft er
     speur! Wat uur, hoe late is 't wel,
aan den tijd? De zonne en zie 'k niet:
    slaapt of waakt het wekkerspel?

Hier en daar een' plekke boenend,
    zit de zonne in 't duister veld;
rood, gelijk een oud versleten
    stuk ongangbaar kopergeld.

Wind, waar zijt gij heengelopen?
    Ligt ge, of ievers doodgekeid,
neêrgevallen, plat ter aarde?
    Wind, waar is uw' roerbaarheid?

Op! Hervat uw' vluggen bezem,
    vaagt des werelds wegen vrij
van die vale en vuile dompen:
    dat het dage en daglicht zij!

Zonne, krachtig krauwt vaneen die
    hoopen: ruimt uw ridderspeur;
slaat er dwers en nogmaals dwers uw'
    scherpe, sterke hoeven deur!

Werpt uiteen de onvaste vlagen;
    vluchten doet ze, en verre voort
zij de smoor van hier gedreven:
    nevel, 's Heeren stemme aanhoort!

Fiat lux! - De zonne, ontembaar,
    zegepraalt; de nevel zwicht:
onverwinlijk is de Waarheid,
    onverheerbaar is het Licht!

     1893

Uit 'Rijmsnoer' (Zaaimaand)


Fiat lux: eerste scheppingswoorden uit Genesis.
    'Het worde licht'
't Smoort, het smuikt, het smokkelwedert: 't Is mistig,
    het miezelt, het motregent
allentheen: overal
handen uit: pas op! (en zich al tastend voortbewegen,
    wegens de slechte zichtbaarheid)
torre: toren
en blijft er speur: valt er niets te bespeuren
aan den tijd: hier 'op de klok'
wekkerspel: klokkenspel (als tijdsein)
boenend: kleurend
ongangbaar: ongeldig, niet meer in omloop
ievers: ergens
doodgekeid: doodgestenigd
roerbaarheid: beweeglijkheid, speelsheid
dompen: misten; nevels
ruimt uw ridderspeur: maak het spoor vrij
    voor de (zonne)ruiter
    (ridder = ruiter)
dwers: dwars
smoor: mist
onverheerbaar: onoverwinnelijk

SLAPENDE BOTTEN

    Ten halven afgewrocht,
ontvangen, niet geboren;
    gevonden algeheel,
noch algeheel verloren,
   zoo ligt er menig rijm
onvast in mij, en beidt
   den aangenamen tijd
van volle uitspreekbaarheid.

   Zoo slaapt de botte in 't hout,
verdonkerd en verdoken;
   geen blomme en is er ooit,
geen blad eruit gebroken;
   maar blad en blomme en al,
het ligt erin, en beidt
   den dag, den dageraad...
de barensveerdigheid.

    1895

Uit 'Rijmsnoer' (Aanhang)

Ten halven afgewrocht: half voltooid
beidt: wacht op
barensveerdigheid: als de vrucht volgroeid is;
                            klaar om te baren

  WIJ NADEREN

Hoe komt het, dat de lucht,
   zoo hel, geleên
twee stonden amper, nu
    vol duisterheên,
vol donkerte is? Hoe komt 't
    dat 't gers, zoo net
een' schreê te ruggewaard,
    is al besmet
met onraad nu? Hoe ligt
    alomme hier
gebroken handalaam
    en drukpapier?
De zonne is blindgedoekt;
    en rookgeweld,
dat bitter is van bete,
    omhoogesnelt,
of doolt de wegen langs,
    en stinkt! Wat is 't
dat 't overal, omtrent
    mij, goort en gist,
en geil is nu? Dat zacht
    en zoete om gaan
en zijn de paden meer?
    Dat 't steen voortaan,
dat t tanden ongetemd,
    dat 't schorren scherp,
dat t kale keien zijn,
    die 'k ommewerp?
Waar ben ik, meldt het mij:
    verdoold in schijn?
- Wij naderen 't gebied,
    daar menschen zijn!

    1897

Uit 'Laatste Gedichten'

geleên twee stonden amper: nauwelijks
    twee ogenblikken geleden
't gers zoo net: het onbesmet gras
een' schreê te ruggewaard: één pas terug
onraad: vuiligheid
handalaam: gereedschap
drukpapier: bedrukt papier
goort: zuur wordt
geil: smerig
schorren: platte stukken zandsteen
daar: waar

  WEDERWIJVEN

Hoe wijsterwaster vliegt de lucht
vol witte en lange stressen
van wolken, die ontvlochten zijn
lijk haar van tooveressen.

't Zijn wederwijven, boos en fel,
die, kwaad van hande en vinger,
malkanderen te keere gaan
en vechten slag om slinger.

De wind zit in 'k en weet niet welk
geweste, 't buischt en bommelt
alhier, aldaar een zwepe los,
die deur de wolken schommelt.

Ze stuiven heinde en verre, en van
malkaar gescheurd, in stressen
van wijsterwaster vechtende, en
verwaaide, tooveressen.

    1897

Uit 'Laatste Gedichten'


wederwijven: boze vrouwelijke weergeesten
wijsterwaster: alles door elkaar, overhoop
stressen: haarvlechten, strengen. Hier 'wolkenflarden'
ontvlochten: loshangend
tooveressen: tovenaressen
malkanderen te keere gaan: elkaar bevechten
slag om slinger: om het hardst
t buischt en bommelt: het onweer barst los
een zwepe: metafoor voor windstoot

  HALF APRIL

Gij blauwgekaakte wolken daar,
      halfwit, omtrent uw' boorden,
die gruwzaam in den hemel moêrt,
      en grimt in 't gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
      den baas nog hier? 't Is half April!

't Is onbermhertig koud; en 't kan,
      de zonne ondanks, gebeuren,
dat, 's morgens, al dat gers is, wit
      geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,
      des winters? Wij zijn wintermoe!

't Moet zomer zijn, geen koude lucht,
      die bijt en straalt; t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit
      of weêr in 't gers gekropen,
van schuchterheid, voor 't nijpen van
      den hardgevuisten winterman!

Staat op, gij oostersch zonnelicht,
      en schiet, bij volle grepen,
uw' schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
      het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
      des konings kind! Te late al is 't!

Hallelu-jah! dan zingen zal,
      dat 't wederklinkt alomme,
den gorgel los, de vogel en
      de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
      en kondigen den Koning aan.

    12 april 1897

Uit 'Laatste Gedichten'


blauwgekaakt: met blauwe wangen
geruwrijmd: gerijmd => gerijpt;
    rijp = witte aanslag van ijskristallen op gras
gers: gras
hardgevuisten: hardhandige
gorgel: keel

  SERENUM ERIT

Al rood is t, dat ik zie:
één ovenvier heel 't westen,
daarin de zonne zonk
en 's werelds oude vesten
in gloeien zette. Laai
noch glans en is er: niet
als enkel rood en, deur
de losse wolken, iet
dat eer aan bloed gelijkt,
of aan onmeetbaarheden
van omgehouwen stier-
en huidlooze ossenleden,
die, drijvende overal,
met vil- en slachthuisvee,
de diepten vullen van
de westerwereldzee.
De zwarte hagen staan
vol oogen, als van dieren
en ongedaanten, die
hun' roode blikken stieren
te mijwaard, daar ik sta,
van hoofde tot den voet,
bespeit, ik zelve, en diepe
in 't schijnbaar zonnenbloed.
Hoe zal 't te morgen gaan:
zal 't regenen, zal 't ruischen;
gebouwen af- en al
dat boom is ommebuischen?
Zal 't hagelslaan? In al
dat hemelsch bloedgeweld,
is ons de jongste dag
des werelds voorgespeld?
Toch neen-hij! Morgen zal,
ten oosten uitgeklommen,
een nieuwe dageraad,
een nieuwe zonne kommen
de menschen, blank en blij,
begroeten, die nu staan
en, rood van aangezicht,
den avond gadeslaan.

    Kortrijk 1897

Uit 'Laatste Gedichten'


Serenum erit: het wordt mooi weer
omgehouwen: geslacht
vilvee: vee dat alleen maar goed is om gevild
    te worden
ongedaanten: wangedrochten
stieren te mijwaard: naar mij toesturen
bespeit: bespat
ommebuischen: omverslaan met hevig lawaai

'K ZAL MIJ VAN TE DICHTEN ZWICHTEN

'k Zal mij van te dichten zwichten,
zoo 't mijn hert niet wel en gaat:
wie kan rijpe bezen lezen
van een tak die drooge staat?

Laat de lieve wonnenbronne,
laat het leutig zonnenvier,
laat de versche blommen kommen,
laat weêrom de lente, alhier!

Dan ja, zal 'k genezen wezen,
opstaan en, gespannen fel,
of 't een klare snare ware,
dichten ende deunen wel!


'k zal mij van te dichten zwichten: ik zal vermijden
    om te dichten
bezen: bessen
wonnenbronne: bron van vreugde of geluk
leutig: leute=plezier. Hier betekent het
    aangenaam, prettig
deunen: deun=wijsje. Zingen


Naar boven

Guido Gezelle
Gedichten + biografie


Vlaamse dichters

Nederlandse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 01-02-2002.
Laatste wijziging 08-09-2017.

E-post: webmaster