Anna Katharina Schönkopf (°Leipzig 1746; Leipzig 1810)
Käthchen (ook Annette) Schönkopf was de eerste grote liefde van Goethe. Zij was de negentienjarige dochter
van Christian Gottlieb Schönkopf. De student rechten ging, in 1766, elke middag eten in de herberg van de familie
Schönkopf, maar hij was vooral geïnteresserd in hun dochter. In "Dichtung und Wahrheit" beschreef hij zijn liefje
als jong, hups, opgewekt en lieftallig. Hij neemt haar ook als voorbeeld voor de protagoniste in zijn toneelstuk
"Die Laune des Verliebten".
Hun romantische verhouding hield ongeveer twee jaar stand. In de lente van 1768 liep het spaak, enerzijds
door de jaloerse aard van Goethe en anderzijds omdat Käthchen niet van zijn stand was.
Hij was namelijk de zoon van een rijke patriciër en zij was 'maar' de dochter van een tingieter...
Na de breuk bleef Goethe echter nog enige tijd brieven aan haar schrijven. Küthchen trouwde in 1770 met Christian
Kanne.
In 1776 toen Goethe naar Weimar reisde, maakte hij een omweg naar Leipzig om zijn eerste meisje een laatste maal
te bezoeken.
Friederike Brion
(°waarschijnlijk 19 april 1752 in Niederrödern-Elzas; 3 april 1813 in Meißenheim bei Lahr)
Haar vader was dominee in Sesenheim (Elzas). In de herfst van 1770 bracht Goethe met een Elzassische vriend
een bezoek aan het gastvrije 'Pfarrhof' van Sesenheim. Het was liefde op het eerste gezicht tussen de hupse
Friederike en Wolfgang.
In deze periode studeerde hij rechten in Straatsburg, dat veertig kilometer verwijderd was van Sesenheim.
De daaropvolgende maanden bracht de smoorverliefde dichter geregeld idyllische bezoekjes aan de dochter
van de dominee.
Ook zijn inspiratie werd hierdoor gestimuleerd, hetgeen resulteerde in de "Sesenheimer Lieder".
Tijdens de zomer van 1771 kreeg Goethe twijfels over een toekomst met Friederike. Hij nam afscheid van zijn
geliefde op 7 augustus 1771, een week voor zijn terugkeer naar Frankfurt. Daar schreef hij haar een brief,
waarmee hij hun relatie beëindigde.
De aangeslagen Friederike kon de breuk nooit helemaal verwerken en bleef ongetrouwd.
Charlotte Sophie Henriette Buff
(°11 januari 1753 in Wetzlar; 16 januari 1828 in Hannover).
Zij was de tweede van zestien kinderen van een ambtenaar uit Wetzlar.
Goethe leerde Lotte kennen op een dansfeest (9 juni 1772). Hij danste de hele avond met haar en werd verliefd,
alhoewel hij in die periode het hof maakte aan de zeventienjarige Johannette Lange*. Deze laatste was meteen
vergeten en Goethe spitste zijn belangstelling toe op Lotte. Het was echter een onmogelijke liefde, want zij
had al een relatie met Johann Christian Kestner. Na jaloerse strubbelingen verliet hij Wetzlar, maar bleef
briefcontact met haar houden.
Lotte trouwde met Kestner in 1773. De vriendschap tussen Lotte en Wolfgang bleef echter intact, want op haar
vraag zou hij later zijn voorspraak verlenen aan haar zonen.
Goethe schreef zijn liefdesverdriet van zich af in de populaire briefroman "Die Leiden des jungen Werther"
(1774). In 1816 bracht Lotte nog een bezoek aan de zieke Goethe in Weimar.
*P.S. In Werther beschrijft Goethe Johanette Lange als "ein hiesigen gutes, schönes, übrigens unbedeutendes Mädchen".
Maximiliane von La Roche (°3 mei 1756 in Mainz; Frankfurt am Main, 1793)
In Ehrenbreitstein bezocht Goethe de literaire salon van Sophie von La Roche, die de eerste Duitse vrouw was
die een roman schreef: "Geschichte des Fräuleins von Sternheims".
In 1783 gaf zij met succes ook het eerste Duitse vrouwenmagazine uit: "Pomona für Teutschlands Töchter".
Het zelfstandig worden en de rechten van de vrouw lagen haar nauw aan het hart.
Goethe was echter vooral geïnteresseerd in haar dochter, Maximiliane von La Roche. Hij probeerde haar
te versieren, maar hij werd niet beschouwd als een goede partij. De dichter was wel van goede komaf,
maar had toentertijd nog geen vaste betrekking.
Goethe ving dan ook bot en 'Maxe' trouwde met de rijke koopman Peter Anton Brentano, die dubbel
zo oud was als zij. De bruidegom was een weduwnaar met vijf kinderen. Na het huwelijk bleef Goethe haar
nog enige tijd het hof maken. Het kwam dan ook tot heftige woordenwisselingen tussen haar aanbidder
en haar echtgenoot. Zelf bracht Maxe nog dertien kinderen op de wereld, waaronder de schrijver-dichter
Clemens Brentano.
Ook haar dochter Bettina von Arnim was schrijfster.
Anna Elisabeth Schönemann
(°Offenbach am Main, 23 juni 1758; Straatsburg, 6 mei 1817)
'Lili' was de dochter van een bankier uit Frankfurt. Haar moeder stamde af van de adelijke hugenotenfamilie
d'Orville. Goethe leerde de zestienjarige Lili Schönemann kennen op een huisconcert. In het voorjaar van 1775
verloofde hij zich met de knappe blondine. Na zijn eerste reis naar Zwitserland, van mei tot juli 1775,
verbrak hij de verloving omdat beide families ertegen gekant waren. Nochtans was de dichter smoorverliefd:
"Sie war die erste, die ich tief und wahrhaft liebte", schreef hij.
Drie jaar na de scheiding met Goethe trouwde Lili met Vrijheer Bernhard von Türckheim, bankier en burgemeester
van Straatsburg. Omstreeks 1800 was er nog een korte briefwisseling, waarin Lili aan Goethe voorspraak vroeg
voor een jonge kennis.
Lili Schönemann is in de literatuurgeschiedenis bekend als inspiratiebron voor Goethes' vrouwenfiguren,
Stella en Dorothea. Hij schreef voor haar ook 'Neue Liebe, neues leben' en een gelegenheidsgedicht,
namelijk "Lilis Park".
Augusta Louise zu Stolberg-Stolberg
(°Bramstedt, 7 januari 1753; Kiel, 30 mei 1835)
Zij was de jongere zuster van Goethes' vriend Graaf Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg. Van 1770 tot 1783
verbleef zij in een convent van ongetrouwde adellijke vrouwen.
Gravin Augusta Louise werd vooral bekend door haar drukke briefwisseling met Goethe. De penvrienden schreven
elkaar vooral in de periode 1775-1776. Zij hebben mekaar echter nooit ontmoet.
Augusta Louise verhuisde in augustus 1783 naar Kopenhagen en trouwde later met de Deense staatsminister
Andreas Peter Bernstorff.
Henriette von Lüttwitz, (°1769 - 1799)
In Breslau bracht Goethe aangename dagen door met Henriette von Löttwitz. De liefde was wederkerig, waarop hij
bij haar thuis werd uitgenodigd op een theekransje met haar moeder. Daarna ging hij in het kabinet van haar vader
Baron von Löttwitz om de hand vragen van zijn dochter. Goethe verontschuldigde zich dat hij hem met zijn verzoek
overviel, maar zijn aanzoek werd geweigerd.
Het kwam dan ook niet tot een verloving. Integendeel, Henriette trouwde op 25 april 1791 met de weduwnaar
Friedrich von Schuckmann. Zij kregen meerdere kinderen, waarvan er slechts twee in leven bleven.
Henriette overleed in Bayreuth op negenentwintigjarige leeftijd.
Charlotte Albertine Ernestine von Schardt (°Eisenach 1742; Weimar 1827)
Johann Wolfgang Goethe leerde de zeven jaar oudere Charlotte von Stein kennen, kort na zijn aankomst in Weimar
in november 1775.
Haar man was zelden thuis, omdat hij lange dienstreizen maakte. Alhoewel Goethe Frau Stein bijna dagelijks zag
schreef hij haar meer dan 1700 brieven. 'Lotte' slaagde er in om zijn 'Sturm und Drang' te temperen en hem meer
bezadigdheid en betere manieren bij te brengen.
Haar innige maar gereserveerde liefde schonken hem sereniteit en inspireerden hem tot prachtige lyriek,
onderandere "An den Mond", "Harzreise im Winter" en:
"Wanderers Nachtlied"
Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest du auch.
Zijn werk voor de hertog in Weimar werd uiteindelijk te belastend voor hem. Ook de liefde voor Frau von Stein ,
die zeer tegen zijn zin platonisch bleef, begon hem tegen te steken.
Op 3 eptember 1786 vertrok de gefrustreerde Goethe dan ook halsoverkop naar Italië zonder Charlotte von Stein
te verwittigen. Zij was hierover zeer ontstemd.
Toch bleef hij zijn 'Liebe Lotte' brieven schrijven. Na zijn terugkeer uit Italië in 1789 kwam het tot een breuk,
omdat hij Christiane Vulpius bij zich in huis nam.
Pas na 1801 werden de plooien tussen de twee ex-geliefden enigszins gladgestreken, maar hun romance die tien jaar
geduurd had, was voorgoed voorbij.
P.S. Het boek van de italiaanse germanist Ettore Ghibellino ('Eine verbotene Liebe' - Weimar: Denkena, 2003)
heeft voor ophef gezorgd. Hij beweert dat niet Frau von Stein de minnares was van Goethe, maar Hertogin
Anna Amalia von Sachsen-Weimar-Eisenach (°Wolfenbüttel 24 oktober 1739; Weimar 10 april 1807).
Deze laatste was een aantrekkelijke en gecultiveerde weduwe die regeerde over het vorstendom Weimar, dat
toenmaals 100.000 inwoners telde.
Enige tijd na zijn aankomst in Weimar (1775) zou de zesentwintigjarige Goethe verliefd geworden zijn op de tien
jaar oudere hertogin. Frau von Stein, de hofdame van de hertogin, zou dan als tussenpersoon en strovrouw
gefungeerd hebben om de aandacht af te leiden van de verboden liefde van haar meesteres voor de dichter.
Als de thesis van Ettore Ghibellino juist is, dan heeft Charlotte von Stein haar dubbelrol met verve gespeeld,
namelijk die van 'postillon d'amour' (van ca. 1600 liefdesbrieven) en vermeende geliefde.
Om zijn stelling te bewijzen maakt Ghibellino niet alleen gebruik van Goethes' brieven, maar ook van getuigenissen
en brieven van tijdgenoten.
Ook de personnages van de dichter Tasso die verliefd was op prinses Leonore, in Goethes' drama 'Tasso', zouden
een versluierde verwijzing zijn naar zijn geheime en zeer riskante affaire met de hertogin. Een dergelijke relatie
tussen een lid van de hogere adel en iemand zonder blauw bloed werd toentertijd niet getolereerd.
Nog een doorslaggevend argument is dat Goethe de bewuste brieven soms in het Latijn of het Italiaans schreef.
De hertogin beheerste namelijk beide talen, maar Frau von Stein kende alleen Duits.
Gravin Egolffstein schreef in 1828: "Indessen muss man die Geschicklichkeit bewundern,
womit Frau von Stein ihr künstliches Spiel durchzuführen wusste, so dass sie für Goethes Geliebte galt."
Ook gravin Görtz had al in 1778 bericht aan haar man, een Pruisische minister, dat Anna Amalia de geliefde was
van Goethe.
De relatie tussen de geliefden was dus lange tijd een goedbewaard staatsgeheim, maar dreigde in 1786 een schandaal
te veroorzaken. Dat zou dan de echte reden kunnen geweest zijn waarom Goethe ijlings vertrok naar Italië.
Na de italiëreizen van Goethe (1786 tot 1788) en Anna Amalia (1788 tot 1790) zouden zij alleen nog platonische
gevoelens voor elkaar gekoesterd hebben...
Update 9 augustus 2008
Corona Schrüter (°1751; 1802)
Anna Amalia, de moeder van de jonge hertog Carl August, stichtte in 1776 aan het hof van Weimar
'ein Liebhabertheater'. Goethe verleende hieraan zijn volle medewerking.
Hij had de knappe actrice Corona Schrüter leren kennen tijdens zijn studietijd in Leipzig. Zij had een diepe
indruk op hem gemaakt en hij kon haar strikken om naar 'der Musenhof' van hertogin Anna Amalia te komen
en de hoofdrol te spelen in "Iphigenie". Corona had een grote uitstraling en vertolkte haar rollen
op weergaloze wijze.
Alhoewel zij altijd omzwermd werd door bewonderaars en aanbidders, bleef zij levenslang trouw aan haar
'boezemvriendin' Wilhelmine Probst. Ook Goethe was in haar ban en uitte zijn adoratie in brieven
en in een gedicht:
Ihr Freunde Platz! Weicht einen kleinen Schritt!
Seht, wer da kommt und festlich näher tritt!
Sie ist es selbst; die Gute fehlt uns nie;
Wir sind erhürt, die Musen senden sie.
Ihr kennt sie wohl; sie ist`s, die stets gefällt;
Als eine Blume zeigt sie sich der Welt;
Zum Muster wuchs das schöne Bild empor,
Vollendet nun, sie ist´s und stellt es vor.
Es günnten ihr die Musen jede Gunst,
Und die Natur erschuf in ihr die Kunst.
So häuft sie willig jeden Reiz auf sich,
Und selbst dein Name ziert, Corona, dich.
Sie tritt herbei. Seht sie gefällig stehn!
Nur absichtslos, doch wie mit Absicht schön.
Und hoch erstaunt seht ihr in ihr vereint
Ein Ideal, das Künstlern nur erscheint.
Uit "Miedings Tod"
Het 'Liebhabertheater', waarin Corona zes jaar schitterde, werd opgedoekt in 1783. Zij bleef echter in Weimar
optreden als kamerzangeres en wijdde zich ook aan de schilderkunst. In 1787 was er in Weimar een gesmaakte
tentoonstelling van haar schilderijen. In 1788 trok Corona zich terug uit het hofleven in Weimar. Zij begon
te sukkelen met haar gezondheid en vestigde zich in Ilmenau. Daar stierf zij op 23 augustus 1802 in de armen
van haar levensgezellin Wilhelmine Probst.
Faustini Antonini, Costanza Roesler en Maddalena Riggo
Faustini was de dochter van een Romeinse herbergier. Zij was één van de vrouwen, die Goethe intiem
leerde kennen tijdens zijn eerste Italiëreis in 1786-1787. Er bestaat een brief in gebrekkig Italiaans, zonder naam
of datum, die het bestaan van zijn Romeinse minnares bewijst:
"Ik zou willen weten, waarom je gisteravond zo weggegaan bent, zonder mij iets te zeggen.
Ik vrees, dat je boos bent op mij, maar ik hoop van niet. Ik ben helemaal van jou. Bemin mij,
als je komt, zoals ik jou bemin. Ik hoop een gunstig antwoord van jou te krijgen. Ik hoop,
dat het niet is zoals ik gevreesd heb. Adieu, adieu."
Ook in de "Römischen Elegien" verwijst Goethe naar haar:
"Darum macht mich Faustine so glücklich, sie teilet das Lager Gerne mit mir
und bewahrt Treue dem Treuen genau."
Ook de twintigjarige Costanza Roesler was een herbergiersdochter uit Rome.
Goethe ging geregeld eten in de osteria van haar ouders en heeft ook met Costenza een amoureus avontuur
gehad. Hun herdersuurtjes hadden plaats in januari en februari 1787. In een brief aan Goethe lezen we
het volgende:
"Dierbare vriend! Gisteravond werd mij een elegante waaier gegeven; dan werd hij mij terug
afgepakt. Ik verzoek je meteen een andere voor mij te zoeken, om iedereen te tonen, dat er nog andere
en mooiere waaiers bestaan. Vergeef mij mijn voortvarendheid."
Costanza Roesler
In Rome was het schenken van een waaier een hint om een verloving aan te vragen. Goethe had echter niet
de intentie om met haar te trouwen en op 22 februari 1787 vertrekt hij naar Napels.
Maddalena Riggo was 'Die Schöne Mailänderin'. Hij heeft haar het hof gemaakt, maar zij was al verloofd
of getrouwd. In hoeverre zij inging op zijn avances moet ik in het ongewisse laten. Hij ontmoette haar
in Castel Gandolfo in de herfst van 1787. In een van zijn brieven lezen wij:
"Eine Mailänderin (Maddalena Riggo) interessierte mich die acht Tage ihres Bleibens,
sie zeichnete sich, durch ihre Natürlichkeit, ihren Gemeinsinn, ihre gute Art, sehr vorteilhaft
vor den Römerinnen aus."
Vermeldenswaard is, dat Goethe in Rome vaak de kunstenaarskring bezocht van de Zwitserse schilderes
Angelika Kaufmann, voor wie hij een innige vriendschap koesterde. Zij maakte een flatteus portret van Goethe
en vereeuwigde eveneens 'Die Schöne Mailänderin'.
De kunstenares tekende ook verschillende illustraties voor de literaire werken van haar Duitse vriend.
Wat er ook van zij, Italië schonk hem opnieuw levensvreugde en de inspiratievoor het schrijven van o.a.
"Iphigenia in Tauris" (1787), het treurspel "Egmont" (1788) en het drama in blanke verzen "Torquato Tasso"
(1790).
Christiane Vulpius (°Weimar 1765; - Weimar 1816)
Goethe heeft veel vrouwen gekend, maar er is er maar een waar hij zolang is bijgebleven (meer dan 30 jaar)
en dat is Christiane Vulpius. Zij stamde af van een verarmde familie. In 1788 sprak zij Goethe aan in een park
en verzocht hem om voorspraak voor haar broer. Hij was bereid om te helpen en nam Christiane zelfs op in
zijn huis. Dit zorgde voor beroering in het bekrompen Weimar en het betekende ook de doodsteek voor zijn
relatie met Charlotte von Stein.
De gedichten die hij voor Christiane schreef (o.a. "Frech und froh", "Morgenklagen" en "Gefunden") geven aan,
dat hij van haar hield, alhoewel het niet altijd rozengeur en maneschijn was.
Zij was een eenvoudige, ongeletterde en opgewekte vrouw. Hun zoon August werd geboren in 1789 en hij was
de enige van hun vijf kinderen die in leven bleef.
In die gelukkige aanvangsperiode schreef hij de "Römischen Elegien", die zijn lichtste en vrolijkste verzen waren.
Na de slag van Jena (14 oktober 1806) sloegen de soldaten van Napoleon aan het plunderen. Ook in Weimar
gingen ze tekeer. Ondermeer de woning van Charlotte von Stein werd leeggeroofd. Het huis van Goethe werd
echter gespaard, dankzij het kordate optreden van Christiane Vulpius, die de plundergrage soldaten kon wegjagen.
Goethe was haar daar zeer dankbaar voor en trouwde enige tijd later met Christiane. De getuigen bij het huwelijk
waren hun zoon August en de hertog.
Goethe zou zijn gezin echter niet altijd de nodige aandacht geven, want hij was maandenlang uithuizig en verbleef
dan meestal in zijn kleine vrijgezellenwoning in Jena. Hij had het daar druk, want hij was ondermeer betrokken
bij het aanleggen van een botanische tuin voor de universiteit. Daarbovenop kwamen zijn romance met Minna
Herzlieb en zijn jaarlijkse kuurvakanties in Karlsbad.
Tijdens haar laatste levensjaren sukkelde Christiane met haar gezondheid. In 1815 werd zij getroffen door
een beroerte. Het volgende jaar leed zij aan niercrisissen. Zij stierf op 6 juni 1816 na een pijnlijke doodsstrijd.
August overleed twee jaar vóór zijn vader in Rome.
Christiane Friederike Wilhelmine Herzlieb (°Züllichau 1789; Görlitz 1865)
Zijn relatie met Christiane Vulpius belette Goethe niet om in 1807 verliefd te worden op 'Minna Herzlieb'.
Zij was de achttienjarige pleegdochter van de boekhandelaar Fromman in Jena. Hij verwerkte zijn toenmalige
ervaringen in "Die Wahlverwandtschaften", een tragedie waarin de liefde een levensverstorende natuurkracht is.
Minna trouwde in 1821 met professor Karl Wilhelm Walch. Het was geen gelukkig huwelijk en zij verzeilde
uiteindelijk in een ernstige depressie. Zij overleed in een psychiatrisch hospitaal in Görlitz in 1865.
Marianne Jung (°Linz 1784; Frankfurt 1860)
Marianne was het buitenechtelijk kind van een reizende Oostenrijkse actrice en een Hollandse dansleraar.
In 1814 leerde de vijfenzestigjarige Goethe, bij zijn jeugdvriend Johann Jakob Willemer, de dertigjarige
Marianne Jung kennen. Zij was de pleegdochter van de rijke Frankfurtse bankier. Deze laatste had haar
'gekocht' van haar moeder en Marianne in huis gehaald. Op de 'Gerbermühle' van Willemer ontstond in 1814
een romance tussen Goethe en de begaafde Marianne Jung.
De beide geliefden lieten zich inspireren door de Perzische dichter Hafis (14e eeuw). Tussen hen ontstond
een prachtige dialoog in gedichten. "Sollst mir ewig Suleika heißen", schreef hij over haar.
Het volgende jaar keerde Goethe terug naar de Gerbermühle, maar hun romance liep uiteindelijk op de klippen
wegens Goethe's angst voor verwikkelingen. Hij vreesde namelijk een conflict met zijn gastheer. Dat was
trouwens een constante bij Goethe. Als er complicaties optraden in een relatie, dan verdween hij met
de noorderzon. Hij maakte het dan telkens af met een afscheidsbrief...
Na 1815 zou Goethe zijn 'Suleika' niet meer terugzien.
Niet lang daarna trouwde de diep ontgoochelde Marianne Jung met haar vijftigjarige pleegvader. Desalniettemin
bleef zij Goethe nog vier jaar lang gedichten toesturen. Hij nam er verschillende op in zijn verzamelbundel
"West-östlicher Divan", zonder haar naam te vernoemen.
Als bejaarde dame openbaarde Marianne von Willemer trouwens, dat heel wat gedichten in de "West-östlicher
Divan" van haar hand waren. Zij was de enige van zijn geliefdes, die Goethe's evenknie was als dichter...
Ulrike von Levetzow (°Leipzig 1804; Trziblitz-Bohemen 1899)
In 1821 bracht de zeventienjarige Ulrike met haar moeder en twee zusters, de zomervakantie door in Marienbad
(Mariánské Lázné). Daar leerde zij (juli 1821) de tweeënzeventigjarige Goethe kennen, die goed kon opschieten
met het jonge meisje.
In 1822 keerde hij terug naar Marienbad en zag Ulrike bijna dagelijks.
Ook in 1823 verbleef hij in het kuuroord en ook nu weer zocht hij haar dikwijls op. Zij was meestal vergezeld
door haar moeder en zusters. Hij begon zich illusies te maken en bestookte haar met brieven, waarvan er drie
bewaard zijn gebleven.
In de ene brief sprak hij haar aan als "Tochter", maar in de andere werd hij al vrijpostiger en noemde haar
"Meine Liebste". Kortom, de oude dichter omzwermde Ulrike en schreef ook verzen voor haar:
Am heißen Quell verbringst du deine Tage,
Das regt mich auf zu innerm Zwist;
Denn wie ich dich so ganz im Herzen trage,
Begreif ich nicht, wie du wo anders bist.
Tadelt man, daß wir uns lieben,
Dürfen wir uns nicht betrüben:
Tadel ist von keiner Kraft.
Andern Dingen mag das gelten;
Kein Mißbilligen, kein Schelten
Macht die Liebe tadelhaft.
In de zomer van 1823 nam hij een besluit en stuurde zijn vriend, Groothertog Carl August, met een vorstelijk
voorstel naar de familie von Levetzow. Een riante woning voor mama von Levetzow en een jaarlijks uitkering
van 10.000 taler aan Ulrike, als zij de bruid van Goethe wou zijn.
"Das Fräulein hätte noch gar keine Lust zu heiraten", was het diplomatische antwoord van mama von Levetzow.
Ulrike zou trouwens nooit trouwen en was Goethes laatste liefde. Na de dood van haar moeder bleef zij alleen
op het kasteel Triblitz in Bohemen.
Na zijn blauwtje probeerde de dichter zijn ontgoocheling van zich af te schrijven in de koets, waarmee hij
Marienbad ijlings verliet. Het resultaat hiervan is te lezen in de "Marienbader-Elegie".
Maria Szymanowska (geb. Marianna Agata Wolowska)
(°Warschau 1789; Sint Petersburg 1831)
Szymanowska was een beroemde Poolse pianiste met wie Goethe een korte affaire zou gehad hebben. Zij heeft
Goethe ontmoet in Marienbad (augustus 1823) en Karlstadt (september 1823). Van 24 oktober tot 5 november
1823 logeerde zij bij Goethe in Weimar. Op 27 oktober 1823 gaf zij er een pianorecital.
'Madame' Szymanowska was gescheiden, ondermeer omdat zij van haar man niet mocht optreden in het openbaar.
Aan haar droeg Goethe het gedicht 'Die Aussöhnung' op.
In een brief aan Eckermann op 1 december 1831 screef hij:
"...Dann besuchte mich die Szymanowska, die denselbigen Sommer mit mir in Marienbad
gewesen war und durch ihre reizenden Melodien einen Nachklang jener jugendlich-seligen Tage
in mir erweckte."
In 1828 vestigde Szymanowska zich in Sint Petersburg. Zij gaf er pianolessen en was de hofpianiste
van de tsarina. Haar 'salon' werd bezocht door aristocraten en kunstenaars (o.a. Aleksandr Poesjkin).
Zij overleed tijdens een cholera-epidemie in 1831.
Ottilie Wilhelmine Ernestine Henriette Freiin von Pogwisch
(°Danzig, 31-10-1796; Weimar, 26-10-1872)
'Ottilie' was getrouwd met August, de zoon van J.W. Goethe. Deze laatste was opgetogen met zijn knappe
adellijke schoondochter.
Toen haar schoonvader ziek werd in februari 1823, nam Ottilie de verzorging op zich.
In maart 1832 werd Goethe nogmaals zwaar ziek (angina pectoris) en ook nu verpleegde Ottilie hem dag
en nacht. J.W. Goethe stierf in haar bijzijn op 22 maart 1832.
Na de dood van Goethe verbleef Ottilie afwisselend in Weimar, Italië en Wenen, waar zij een relatie had
met de befaamde arts Romeo Seligmann.
In 1870 keerde zij terug naar Weimar waar zij haar laatste levensjaren doorbracht in het 'Goethe-Haus'.
Ottilie stierf in 1872 aan een hartaandoening.  |