De verboden liefde van Goethe en hertogin
Anna Amalia von Sachsen-Weimar-Eisenach.

Johann Wolfgang von Goethe en de liefde
J. W. Goethe
en de liefde

Johann Wolfgang Goethe 
(Frankfurt °1749 - Weimar †1832):
Detail van het olieverfschilderij 
van Joseph Karl Stieler - 1828 
Neue Pinakothek, München.

Johann Wolfgang Goethe wordt algemeen beschouwd
als de grootste Duitse dichter. Hij was een begaafde
en veelzijdige man met een uit de kluiten gewassen libido.
Hij heeft dan ook heel wat meisjes en vrouwen gekend,
op wie hij verliefd was, of waarmee hij een relatie had.

Anna Katharina Schönkopf   (°Leipzig 1746; †Leipzig 1810) Käthchen (ook Annette) Schönkopf was de eerste grote liefde van Goethe. Zij was de negentienjarige dochter van Christian Gottlieb Schönkopf. De student rechten ging, in 1766, elke middag eten in de herberg van de familie Schönkopf, maar hij was vooral geïnteresserd in hun dochter. In "Dichtung und Wahrheit" beschreef hij zijn liefje als jong, hups, opgewekt en lieftallig. Hij neemt haar ook als voorbeeld voor de protagoniste in zijn toneelstuk "Die Laune des Verliebten". Hun romantische verhouding hield ongeveer twee jaar stand. In de lente van 1768 liep het spaak, enerzijds door de jaloerse aard van Goethe en anderzijds omdat Käthchen niet van zijn stand was. Hij was namelijk de zoon van een rijke patriciër en zij was 'maar' de dochter van een tingieter... Na de breuk bleef Goethe echter nog enige tijd brieven aan haar schrijven. Küthchen trouwde in 1770 met Christian Kanne. In 1776 toen Goethe naar Weimar reisde, maakte hij een omweg naar Leipzig om zijn eerste meisje een laatste maal te bezoeken.
Friederike Brion (°waarschijnlijk 19 april 1752 in Niederrödern-Elzas; †3 april 1813 in Meißenheim bei Lahr)
Haar vader was dominee in Sesenheim (Elzas). In de herfst van 1770 bracht Goethe met een Elzassische vriend een bezoek aan het gastvrije 'Pfarrhof' van Sesenheim. Het was liefde op het eerste gezicht tussen de hupse Friederike en Wolfgang. In deze periode studeerde hij rechten in Straatsburg, dat veertig kilometer verwijderd was van Sesenheim. De daaropvolgende maanden bracht de smoorverliefde dichter geregeld idyllische bezoekjes aan de dochter van de dominee. Ook zijn inspiratie werd hierdoor gestimuleerd, hetgeen resulteerde in de "Sesenheimer Lieder". Tijdens de zomer van 1771 kreeg Goethe twijfels over een toekomst met Friederike. Hij nam afscheid van zijn geliefde op 7 augustus 1771, een week voor zijn terugkeer naar Frankfurt. Daar schreef hij haar een brief, waarmee hij hun relatie beëindigde. De aangeslagen Friederike kon de breuk nooit helemaal verwerken en bleef ongetrouwd.
Charlotte Sophie Henriette Buff (°11 januari 1753 in Wetzlar; †16 januari 1828 in Hannover).
Zij was de tweede van zestien kinderen van een ambtenaar uit Wetzlar. Goethe leerde Lotte kennen op een dansfeest (9 juni 1772). Hij danste de hele avond met haar en werd verliefd, alhoewel hij in die periode het hof maakte aan de zeventienjarige Johannette Lange*. Deze laatste was meteen vergeten en Goethe spitste zijn belangstelling toe op Lotte. Het was echter een onmogelijke liefde, want zij had al een relatie met Johann Christian Kestner. Na jaloerse strubbelingen verliet hij Wetzlar, maar bleef briefcontact met haar houden. Lotte trouwde met Kestner in 1773. De vriendschap tussen Lotte en Wolfgang bleef echter intact, want op haar vraag zou hij later zijn voorspraak verlenen aan haar zonen. Goethe schreef zijn liefdesverdriet van zich af in de populaire briefroman "Die Leiden des jungen Werther" (1774). In 1816 bracht Lotte nog een bezoek aan de zieke Goethe in Weimar. *P.S. In Werther beschrijft Goethe Johanette Lange als "ein hiesigen gutes, schönes,
übrigens unbedeutendes Mädchen".

Maximiliane von La Roche  (°3 mei 1756 in Mainz; †Frankfurt am Main, 1793)
In Ehrenbreitstein bezocht Goethe de literaire salon van Sophie von La Roche, die de eerste Duitse vrouw was die een roman schreef: "Geschichte des Fräuleins von Sternheims". In 1783 gaf zij met succes ook het eerste Duitse vrouwenmagazine uit: "Pomona für Teutschlands Töchter". Het zelfstandig worden en de rechten van de vrouw lagen haar nauw aan het hart. Goethe was echter vooral geïnteresseerd in haar dochter, Maximiliane von La Roche. Hij probeerde haar te versieren, maar hij werd niet beschouwd als een goede partij. De dichter was wel van goede komaf, maar had toentertijd nog geen vaste betrekking. Goethe ving dan ook bot en 'Maxe' trouwde met de rijke koopman Peter Anton Brentano, die dubbel zo oud was als zij. De bruidegom was een weduwnaar met vijf kinderen. Na het huwelijk bleef Goethe haar nog enige tijd het hof maken. Het kwam dan ook tot heftige woordenwisselingen tussen haar aanbidder en haar echtgenoot. Zelf bracht Maxe nog dertien kinderen op de wereld, waaronder de schrijver-dichter Clemens Brentano. Ook haar dochter Bettina von Arnim was schrijfster.
Anna Elisabeth Schönemann (°Offenbach am Main, 23 juni 1758; †Straatsburg, 6 mei 1817)
'Lili' was de dochter van een bankier uit Frankfurt. Haar moeder stamde af van de adelijke hugenotenfamilie d'Orville. Goethe leerde de zestienjarige Lili Schönemann kennen op een huisconcert. In het voorjaar van 1775 verloofde hij zich met de knappe blondine. Na zijn eerste reis naar Zwitserland, van mei tot juli 1775, verbrak hij de verloving omdat beide families ertegen gekant waren. Nochtans was de dichter smoorverliefd:

"Sie war die erste, die ich tief und wahrhaft liebte", schreef hij.
Drie jaar na de scheiding met Goethe trouwde Lili met Vrijheer Bernhard von Türckheim, bankier en burgemeester van Straatsburg. Omstreeks 1800 was er nog een korte briefwisseling, waarin Lili aan Goethe voorspraak vroeg voor een jonge kennis. Lili Schönemann is in de literatuurgeschiedenis bekend als inspiratiebron voor Goethes' vrouwenfiguren, Stella en Dorothea. Hij schreef voor haar ook Neue Liebe, neues leben' en een gelegenheidsgedicht, namelijk "Lilis Park".
Augusta Louise zu Stolberg-Stolberg (°Bramstedt, 7 januari 1753; †Kiel, 30 mei 1835)
Zij was de jongere zuster van Goethes' vriend Graaf Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg. Van 1770 tot 1783 verbleef zij in een convent van ongetrouwde adellijke vrouwen. Gravin Augusta Louise werd vooral bekend door haar drukke briefwisseling met Goethe. De penvrienden schreven elkaar vooral in de periode 1775-1776. Zij hebben mekaar echter nooit ontmoet. Augusta Louise verhuisde in augustus 1783 naar Kopenhagen en trouwde later met de Deense staatsminister Andreas Peter Bernstorff.
Henriette von Lüttwitz,  (°1769 - †1799)
In Breslau bracht Goethe aangename dagen door met Henriette von Löttwitz. De liefde was wederkerig, waarop hij bij haar thuis werd uitgenodigd op een theekransje met haar moeder. Daarna ging hij in het kabinet van haar vader Baron von Löttwitz om de hand vragen van zijn dochter. Goethe verontschuldigde zich dat hij hem met zijn verzoek overviel, maar zijn aanzoek werd geweigerd. Het kwam dan ook niet tot een verloving. Integendeel, Henriette trouwde op 25 april 1791 met de weduwnaar Friedrich von Schuckmann. Zij kregen meerdere kinderen, waarvan er slechts twee in leven bleven. Henriette overleed in Bayreuth op negenentwintigjarige leeftijd.
Charlotte Albertine Ernestine von Schardt  (°Eisenach 1742; †Weimar 1827)
Johann Wolfgang Goethe leerde de zeven jaar oudere Charlotte von Stein kennen, kort na zijn aankomst in Weimar in november 1775. Haar man was zelden thuis, omdat hij lange dienstreizen maakte. Alhoewel Goethe Frau Stein bijna dagelijks zag schreef hij haar meer dan 1700 brieven. 'Lotte' slaagde er in om zijn 'Sturm und Drang' te temperen en hem meer bezadigdheid en betere manieren bij te brengen. Haar innige maar gereserveerde liefde schonken hem sereniteit en inspireerden hem tot prachtige lyriek, onderandere "An den Mond",
"Harzreise im Winter" en:
"Wanderers Nachtlied"
Über allen Gipfeln Ist Ruh, In allen Wipfeln Spürest du Kaum einen Hauch; Die Vögelein schweigen im Walde. Warte nur, balde Ruhest du auch.

Zijn werk voor de hertog in Weimar werd uiteindelijk te belastend voor hem. Ook de liefde voor Frau von Stein , die zeer tegen zijn zin platonisch bleef, begon hem tegen te steken. Op 3 eptember 1786 vertrok de gefrustreerde Goethe dan ook halsoverkop naar Italië zonder Charlotte von Stein te verwittigen. Zij was hierover zeer ontstemd. Toch bleef hij zijn 'Liebe Lotte' brieven schrijven. Na zijn terugkeer uit Italië in 1789 kwam het tot een breuk, omdat hij Christiane Vulpius bij zich in huis nam. Pas na 1801 werden de plooien tussen de twee ex-geliefden enigszins gladgestreken, maar hun romance die tien jaar geduurd had, was voorgoed voorbij.
P.S. Het boek van de italiaanse germanist Ettore Ghibellino ('Eine verbotene Liebe' - Weimar: Denkena, 2003) heeft voor ophef gezorgd. Hij beweert dat niet Frau von Stein de minnares was van Goethe, maar Hertogin Anna Amalia von Sachsen-Weimar-Eisenach (°Wolfenbüttel 24 oktober 1739; †Weimar 10 april 1807). Deze laatste was een aantrekkelijke en gecultiveerde weduwe die regeerde over het vorstendom Weimar, dat toenmaals 100.000 inwoners telde. Enige tijd na zijn aankomst in Weimar (1775) zou de zesentwintigjarige Goethe verliefd geworden zijn op de tien jaar oudere hertogin. Frau von Stein, de hofdame van de hertogin, zou dan als tussenpersoon en strovrouw gefungeerd hebben om de aandacht af te leiden van de verboden liefde van haar meesteres voor de dichter. Als de thesis van Ettore Ghibellino juist is, dan heeft Charlotte von Stein haar dubbelrol met verve gespeeld, namelijk die van 'postillon d'amour' (van ca. 1600 liefdesbrieven) en vermeende geliefde. Om zijn stelling te bewijzen maakt Ghibellino niet alleen gebruik van Goethes' brieven, maar ook van getuigenissen en brieven van tijdgenoten. Ook de personnages van de dichter Tasso die verliefd was op prinses Leonore, in Goethes' drama 'Tasso', zouden een versluierde verwijzing zijn naar zijn geheime en zeer riskante affaire met de hertogin. Een dergelijke relatie tussen een lid van de hogere adel en iemand zonder blauw bloed werd toentertijd niet getolereerd. Nog een doorslaggevend argument is dat Goethe de bewuste brieven soms in het Latijn of het Italiaans schreef. De hertogin beheerste namelijk beide talen, maar Frau von Stein kende alleen Duits. Gravin Egolffstein schreef in 1828: "Indessen muss man die Geschicklichkeit bewundern, womit Frau von Stein ihr künstliches Spiel durchzuführen wusste, so dass sie für Goethes Geliebte galt." Ook gravin Görtz had al in 1778 bericht aan haar man, een Pruisische minister, dat Anna Amalia de geliefde was van Goethe. De relatie tussen de geliefden was dus lange tijd een goedbewaard staatsgeheim, maar dreigde in 1786 een schandaal te veroorzaken. Dat zou dan de echte reden kunnen geweest zijn waarom Goethe ijlings vertrok naar Italië.
Na de italiëreizen van Goethe (1786 tot 1788) en Anna Amalia (1788 tot 1790) zouden zij alleen nog platonische gevoelens voor elkaar gekoesterd hebben...
Update 9 augustus 2008
Corona Schrüter  (°1751; †1802)
Anna Amalia, de moeder van de jonge hertog Carl August, stichtte in 1776 aan het hof van Weimar 'ein Liebhabertheater'. Goethe verleende hieraan zijn volle medewerking. Hij had de knappe actrice Corona Schrüter leren kennen tijdens zijn studietijd in Leipzig. Zij had een diepe indruk op hem gemaakt en hij kon haar strikken om naar 'der Musenhof' van hertogin Anna Amalia te komen en de hoofdrol te spelen in "Iphigenie". Corona had een grote uitstraling en vertolkte haar rollen op weergaloze wijze. Alhoewel zij altijd omzwermd werd door bewonderaars en aanbidders, bleef zij levenslang trouw aan haar 'boezemvriendin' Wilhelmine Probst. Ook Goethe was in haar ban en uitte zijn adoratie in brieven en in een gedicht:
Ihr Freunde Platz! Weicht einen kleinen Schritt! Seht, wer da kommt und festlich näher tritt! Sie ist es selbst; die Gute fehlt uns nie; Wir sind erhürt, die Musen senden sie. Ihr kennt sie wohl; sie ist`s, die stets gefällt; Als eine Blume zeigt sie sich der Welt; Zum Muster wuchs das schöne Bild empor, Vollendet nun, sie ist´s und stellt es vor. Es günnten ihr die Musen jede Gunst, Und die Natur erschuf in ihr die Kunst. So häuft sie willig jeden Reiz auf sich, Und selbst dein Name ziert, Corona, dich. Sie tritt herbei. Seht sie gefällig stehn! Nur absichtslos, doch wie mit Absicht schön. Und hoch erstaunt seht ihr in ihr vereint Ein Ideal, das Künstlern nur erscheint.
Uit "Miedings Tod"

Het 'Liebhabertheater', waarin Corona zes jaar schitterde, werd opgedoekt in 1783. Zij bleef echter in Weimar optreden als kamerzangeres en wijdde zich ook aan de schilderkunst. In 1787 was er in Weimar een gesmaakte tentoonstelling van haar schilderijen. In 1788 trok Corona zich terug uit het hofleven in Weimar. Zij begon te sukkelen met haar gezondheid en vestigde zich in Ilmenau. Daar stierf zij op 23 augustus 1802 in de armen van haar levensgezellin Wilhelmine Probst.
Faustini Antonini, Costanza Roesler en Maddalena Riggo
Faustini was de dochter van een Romeinse herbergier. Zij was één van de vrouwen, die Goethe intiem leerde kennen tijdens zijn eerste Italiëreis in 1786-1787. Er bestaat een brief in gebrekkig Italiaans, zonder naam of datum, die het bestaan van zijn Romeinse minnares bewijst:
"Ik zou willen weten, waarom je gisteravond zo weggegaan bent, zonder mij iets te zeggen. Ik vrees, dat je boos bent op mij, maar ik hoop van niet. Ik ben helemaal van jou. Bemin mij, als je komt, zoals ik jou bemin. Ik hoop een gunstig antwoord van jou te krijgen. Ik hoop, dat het niet is zoals ik gevreesd heb. Adieu, adieu."
Ook in de "Römischen Elegien" verwijst Goethe naar haar:
"Darum macht mich Faustine so glücklich, sie teilet das Lager Gerne mit mir und bewahrt Treue dem Treuen genau."
Ook de twintigjarige Costanza Roesler was een herbergiersdochter uit Rome. Goethe ging geregeld eten in de osteria van haar ouders en heeft ook met Costenza een amoureus avontuur gehad. Hun herdersuurtjes hadden plaats in januari en februari 1787. In een brief aan Goethe lezen we het volgende:
"Dierbare vriend! Gisteravond werd mij een elegante waaier gegeven; dan werd hij mij terug afgepakt. Ik verzoek je meteen een andere voor mij te zoeken, om iedereen te tonen, dat er nog andere en mooiere waaiers bestaan. Vergeef mij mijn voortvarendheid." Costanza Roesler
In Rome was het schenken van een waaier een hint om een verloving aan te vragen. Goethe had echter niet de intentie om met haar te trouwen en op 22 februari 1787 vertrekt hij naar Napels.
Maddalena Riggo was 'Die Schöne Mailänderin'. Hij heeft haar het hof gemaakt, maar zij was al verloofd of getrouwd. In hoeverre zij inging op zijn avances moet ik in het ongewisse laten. Hij ontmoette haar in Castel Gandolfo in de herfst van 1787. In een van zijn brieven lezen wij:
 "Eine Mailänderin (Maddalena Riggo) interessierte mich die acht Tage ihres Bleibens, sie zeichnete sich, durch ihre Natürlichkeit, ihren Gemeinsinn, ihre gute Art, sehr vorteilhaft vor den Römerinnen aus."
Vermeldenswaard is, dat Goethe in Rome vaak de kunstenaarskring bezocht van de Zwitserse schilderes Angelika Kaufmann, voor wie hij een innige vriendschap koesterde. Zij maakte een flatteus portret van Goethe en vereeuwigde eveneens 'Die Schöne Mailänderin'. De kunstenares tekende ook verschillende illustraties voor de literaire werken van haar Duitse vriend. Wat er ook van zij, Italië schonk hem opnieuw levensvreugde en de inspiratievoor het schrijven van o.a. "Iphigenia in Tauris" (1787), het treurspel "Egmont" (1788) en het drama in blanke verzen "Torquato Tasso" (1790).
Christiane Vulpius  (°Weimar 1765; - †Weimar 1816)
Goethe heeft veel vrouwen gekend, maar er is er maar een waar hij zolang is bijgebleven (meer dan 30 jaar) en dat is Christiane Vulpius. Zij stamde af van een verarmde familie. In 1788 sprak zij Goethe aan in een park en verzocht hem om voorspraak voor haar broer. Hij was bereid om te helpen en nam Christiane zelfs op in zijn huis. Dit zorgde voor beroering in het bekrompen Weimar en het betekende ook de doodsteek voor zijn relatie met Charlotte von Stein. De gedichten die hij voor Christiane schreef (o.a. "Frech und froh", "Morgenklagen" en "Gefunden") geven aan, dat hij van haar hield, alhoewel het niet altijd rozengeur en maneschijn was. Zij was een eenvoudige, ongeletterde en opgewekte vrouw. Goethe noemde haar 'mein Bettschatz'. Hun zoon August werd geboren in 1789 en hij was de enige van hun vijf kinderen die in leven bleef. In die gelukkige aanvangsperiode schreef hij de "Römischen Elegien", die zijn lichtste en vrolijkste verzen waren. Na de slag van Jena (14 oktober 1806) sloegen de soldaten van Napoleon aan het plunderen. Ook in Weimar gingen ze tekeer. Ondermeer de woning van Charlotte von Stein werd leeggeroofd. Het huis van Goethe werd echter gespaard, dankzij het kordate optreden van Christiane Vulpius, die de plundergrage soldaten kon wegjagen. Goethe was haar daar zeer dankbaar voor en trouwde enige tijd later met Christiane. De getuigen bij het huwelijk waren hun zoon August en de hertog. Goethe zou zijn gezin echter niet altijd de nodige aandacht geven, want hij was maandenlang uithuizig en verbleef dan meestal in zijn kleine vrijgezellenwoning in Jena. Hij had het daar druk, want hij was ondermeer betrokken bij het aanleggen van een botanische tuin voor de universiteit. Daarbovenop kwamen zijn romance met Minna Herzlieb en zijn jaarlijkse kuurvakanties in Karlsbad. Tijdens haar laatste levensjaren sukkelde Christiane met haar gezondheid. In 1815 werd zij getroffen door een beroerte. Het volgende jaar leed zij aan niercrisissen. Zij stierf op 6 juni 1816 na een pijnlijke doodsstrijd. August overleed twee jaar vóór zijn vader in Rome.
Sylvie von Ziegesar  (°Drackendorf von Jena, 1785 - †Großneuhausen bei Buttstädt, 1858)
In de zomer van 1806 bracht Goethe drie maanden door in het kuuroord Karlsbad. Hij maakte daar kennis met de aantrekkelijke Sylvie von Ziegesar en haar vriendin Pauline Gotter. Sylvie was eenentwintig toen ze de zevenenvijftigjarige dichter leerde kennen. In het gedicht "An Sylvie von Ziegesar" spreekt hij haar aan als "Tochter, Freundin en Liebchen". Nog andere gedichten en hun briefwisseling getuigen van een zeer hartelijke relatie tussen hen beiden, die ook na het huwelijk van Sylvie met Friedrich August Koethe voortduurde. Hij heeft haar ook meerdere malen bezocht in het familieslot Drackendorf. Tot 1814 schreef Goethe meer dan honderd brieven aan Sylvie von Ziegesar.
Brief An Silvie von Ziegesar, Anno 1809
Seyn Sie herzlich gegrüßt liebe Freundinn! Wenn die Sonne uns einigermaßen ihre Strahlen lindert, such ich Sie auf. Nach Drackendorf zu kommen ist mein eifriger Wunsch, ich hoffe er soll mir erfüllt werden. Leider sind mir diese Wochen in tausenderley Beschäftigungen verschwunden. Dem verehrten Papa und dem geliebten Paulinchen die besten Empfehlungen und Grüße.

Christiane Friederike Wilhelmine Herzlieb  (°Züllichau 1789; †Görlitz 1865)
Zijn relatie met Christiane Vulpius belette Goethe niet om in 1807 verliefd te worden op 'Minna Herzlieb'. Zij was de achttienjarige pleegdochter van de boekhandelaar Fromman in Jena. Hij verwerkte zijn toenmalige ervaringen in "Die Wahlverwandtschaften", een tragedie waarin de liefde een levensverstorende natuurkracht is. Minna trouwde in 1821 met professor Karl Wilhelm Walch. Het was geen gelukkig huwelijk en zij verzeilde uiteindelijk in een ernstige depressie. Zij overleed in een psychiatrisch hospitaal in Görlitz in 1865.
Marianne Jung  (°Linz 1784; †Frankfurt 1860)
Marianne was het buitenechtelijk kind van een reizende Oostenrijkse actrice en een Hollandse dansleraar. In 1814 leerde de vijfenzestigjarige Goethe, bij zijn jeugdvriend Johann Jakob Willemer, de dertigjarige Marianne Jung kennen. Zij was de pleegdochter van de rijke Frankfurtse bankier. Deze laatste had haar 'gekocht' van haar moeder en Marianne in huis gehaald. Op de 'Gerbermühle' van Willemer ontstond in 1814 een romance tussen Goethe en de begaafde Marianne Jung. De beide geliefden lieten zich inspireren door de Perzische dichter Hafis (14e eeuw). Tussen hen ontstond een prachtige dialoog in gedichten. "Sollst mir ewig Suleika heißen", schreef hij over haar. Het volgende jaar keerde Goethe terug naar de Gerbermühle, maar hun romance liep uiteindelijk op de klippen wegens Goethe's angst voor verwikkelingen. Hij vreesde namelijk een conflict met zijn gastheer. Dat was trouwens een constante bij Goethe. Als er complicaties optraden in een relatie, dan verdween hij met de noorderzon. Hij maakte het dan telkens af met een afscheidsbrief... Na 1815 zou Goethe zijn 'Suleika' niet meer terugzien. Niet lang daarna trouwde de diep ontgoochelde Marianne Jung met haar vijftigjarige pleegvader. Desalniettemin bleef zij Goethe nog vier jaar lang gedichten toesturen. Hij nam er verschillende op in zijn verzamelbundel "West-östlicher Divan", zonder haar naam te vernoemen. Als bejaarde dame openbaarde Marianne von Willemer trouwens, dat heel wat gedichten in de "West-östlicher Divan" van haar hand waren. Zij was de enige van zijn geliefdes, die Goethe's evenknie was als dichter...
Ulrike von Levetzow  (°Leipzig 1804; †Trziblitz-Bohemen 1899)
In 1821 bracht de zeventienjarige Ulrike met haar moeder en twee zusters, de zomervakantie door in Marienbad (Mariánské Lázné). Daar leerde zij (juli 1821) de tweeënzeventigjarige Goethe kennen, die goed kon opschieten met het jonge meisje. In 1822 keerde hij terug naar Marienbad en zag Ulrike bijna dagelijks. Ook in 1823 verbleef hij in het kuuroord en ook nu weer zocht hij haar dikwijls op. Zij was meestal vergezeld door haar moeder en zusters. Hij begon zich illusies te maken en bestookte haar met brieven, waarvan er drie bewaard zijn gebleven. In de ene brief sprak hij haar aan als "Tochter", maar in de andere werd hij al vrijpostiger en noemde haar "Meine Liebste". Kortom, de oude dichter omzwermde Ulrike en schreef ook verzen voor haar:

Am heißen Quell verbringst du deine Tage, Das regt mich auf zu innerm Zwist; Denn wie ich dich so ganz im Herzen trage, Begreif ich nicht, wie du wo anders bist.

Tadelt man, daß wir uns lieben, Dürfen wir uns nicht betrüben: Tadel ist von keiner Kraft. Andern Dingen mag das gelten; Kein Mißbilligen, kein Schelten Macht die Liebe tadelhaft.

In de zomer van 1823 nam hij een besluit en stuurde zijn vriend, Groothertog Carl August, met een vorstelijk voorstel naar de familie von Levetzow. Een riante woning voor mama von Levetzow en een jaarlijks uitkering van 10.000 taler aan Ulrike, als zij de bruid van Goethe wou zijn. "Das Fräulein hätte noch gar keine Lust zu heiraten", was het diplomatische antwoord van mama von Levetzow. Ulrike zou trouwens nooit trouwen en was Goethes laatste liefde. Na de dood van haar moeder bleef zij alleen op het kasteel Triblitz in Bohemen. Na zijn blauwtje probeerde de dichter zijn ontgoocheling van zich af te schrijven in de koets, waarmee hij Marienbad ijlings verliet. Het resultaat hiervan is te lezen in de "Marienbader-Elegie".
Maria Szymanowska  (geb. Marianna Agata Wolowska) (°Warschau 1789; †Sint Petersburg 1831)
Szymanowska was een beroemde Poolse pianiste met wie Goethe een korte affaire zou gehad hebben. Zij heeft Goethe ontmoet in Marienbad (augustus 1823) en Karlstadt (september 1823). Van 24 oktober tot 5 november 1823 logeerde zij bij Goethe in Weimar. Op 27 oktober 1823 gaf zij er een pianorecital. 'Madame' Szymanowska was gescheiden, ondermeer omdat zij van haar man niet mocht optreden in het openbaar. Aan haar droeg Goethe het gedicht 'Die Aussöhnung' op. In een brief aan Eckermann op 1 december 1831 schreef hij:
"...Dann besuchte mich die Szymanowska, die denselbigen Sommer mit mir in Marienbad gewesen war und durch ihre reizenden Melodien einen Nachklang jener jugendlich-seligen Tage in mir erweckte."
In 1828 vestigde Szymanowska zich in Sint Petersburg. Zij gaf er pianolessen en was de hofpianiste van de tsarina. Haar 'salon' werd bezocht door aristocraten en kunstenaars (o.a. Aleksandr Poesjkin). Zij overleed tijdens een cholera-epidemie in 1831.
Ottilie Wilhelmine Ernestine Henriette Freiin von Pogwisch (°Danzig, 31-10-1796; †Weimar, 26-10-1872)
'Ottilie' was getrouwd met August, de zoon van J.W. Goethe. Deze laatste was opgetogen met zijn knappe adellijke schoondochter. Toen haar schoonvader ziek werd in februari 1823, nam Ottilie de verzorging op zich. In maart 1832 werd Goethe nogmaals zwaar ziek (angina pectoris) en ook nu verpleegde Ottilie hem dag en nacht. J.W. Goethe stierf in haar bijzijn op 22 maart 1832. Na de dood van Goethe verbleef Ottilie afwisselend in Weimar, Italië en Wenen, waar zij een relatie had met de befaamde arts Romeo Seligmann. In 1870 keerde zij terug naar Weimar waar zij haar laatste levensjaren doorbracht in het 'Goethe-Haus'. Ottilie stierf in 1872 aan een hartaandoening.

© Gaston D'Haese
Naar boven

J.W. Goethe
An Friederike Brion


J.W. Goethe
An Charlotte von Stein


J.W. Goethe
An Christiane Vulpius


J.W. Goethe
An Marianne von Willemer


J.W. Goethe
Marienbader Elegie


J.W. Goethe
Liebesgedichte


J.W. Goethe
Ginkgo biloba


J.W. Goethe
Höheres und Höchstes


J.W. Goethe
Der Erlkönig



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

 © Gaston D'Haese: 04-02-2007.
Laatste wijziging: 10-09-2017.

E-mail: webmaster