Herman Gorter
Lange gedichten

Herman Gorter
Mei

Herman Gorter
Korte gedichten

Pozie van Herman Gorter
Herman Gorter
Herman Gorter, omstreeks 1892.
Dichter, romanticus, marxistisch theoreticus,
militant socialist en tachtiger. 
Foto: Willem Witsen.
(Wormerveer 1864 - Brussel 1924)

MEI

                   Inleiding Boek I

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht,
In een oud stadje, langs de watergracht -
In huis was 't donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels van mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In 't bosje opgaat en zijn reis begint.
Hij dwaald' over de bruggen, op de wal
Van 't water, langzaam gaande, overal
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust
Van eigen blijheid om de avondrust.
En menig moe man, die zijn avondmaal
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
Glimlachend, en een hand die 't venster sloot,
Talmde een poze wijl de jongen floot...


Klik op Mei  voor de volledige versie

TOEN DE TIJDEN BLADSTIL WAREN

Toen de tijden bladstil waren, lang geleen,
is ze geboren, in herfststilte een bloem,
die staat bleeklicht in 't vale lichtgeween, -
regenen doen de wolken om haar om.

Ze stond bleeklicht midden in somberheid,
de lichte oogen, 't blond haar daarom gespreid,
de witte handen, tranen op meen'gen tijd,
een licht arm meisje dat lichthonger lijdt.

Breng over haar bloemgloede kleuren, uw
bloedrood, o nieuw getijde dat is nu.


Uit 'Individualistische verzen'

DE ZON

DE zon. De wereld is goud en geel
en alle zonnestralen komen heel
de stille lucht door als engelen.
Haar voetjes hangen te bengelen,
meisjesmondjes blazen gouden fluitjes,
gelipte mondjes lachen goudgeluidjes,
lachmuntjes kletterend op dit marmer,
ik zit en warm m' er.

Kijk ze nu loopen wendend om me heen,
't lijkt wel een herfst op den witten steen,
een herfst van dorre en gele kraakbladen,
engelen in wevegoudwaden,
zwevende guldvliezen,
neigende zonbiezen,
fluitende gouden zonnegeluiden,
ze leiden elkaar van uit het zuiden,
ze loopen over mijn marmersteen
in goudmuiltjes heen.
En 't lijkt of ze nu wel overal zijn,
de wereld is vol met een geelen goudwijn.


Uit 'Individualistische verzen'

ZIE JE IK HOU VAN JE

Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht-
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou graag zijn
jou, maar dat kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vreeslijk van je,
ik wou het helemaal zeggen -
Maar ik kan het toch niet zeggen.


Uit 'Verzen' (1890)

ERGENS

Ergens moeten toch zijn de lichte watren van haar ogen
Mijn handen zijn zoo heete en drooge
en het lichte water van haar stem
mijn keel is een dorre klem.

Het kan toch zoo altijd niet duren
met de brandende uren
mijn stem is schor,
mijn oogen dor.

HE, IK WOU JIJ WAS DE LUCHT

He, ik wou jij was de lucht
Dat ik je ademen kon
En je zien in het hooge licht
En door je gaan kon.

Waar zijn je armen en je handen
En die overschoone landen
Van je schouders en schijnende borst
Ik heb zoon honger en dorst.


Uit 'Verzen' (1890)

REEDS IS DE WINTER

Reeds is de winter ons voor goed gescheiden,
de lente ergens ver, aadmende, wacht,
de rulle sneeuw wordt van wit zwart en zacht,
en komt met ploffen van de daken glijden.

In de prikklende lucht, nu zoel als zijde,
die op de stad hangt als vochtige vacht,
komt nu een storm, die langs de breede gracht
zoet regenwater brengt, alsof hij schreide.

Zoet is de toovering van die droefheid,
waarin zoo veel beloften slapend zijn,
in dezen storm, van onbewuste vreugde.

De donkre wolk, welks regen de storm teugde,
hangt zwaar, en gaat diep in gezwollen lijn,
terwijl de doffe stad droomende leit.
Ik heb zoon honger en dorst.


Uit 'Verzamelde lyriek'
Polak & Van Gennep, Amsterdam (1966)


DE STILLE WEG

De stille weg
de maannachtlichte weg -
de bomen
de zo stil oudgeworden bomen -
het water
het zachtbespannen tevree water.

En daar achter in 't ver de neergezonken hemel
met 't sterrengefemel.


Uit 'Verzen (1890)

IN DE ZWARTE NACHT

In de zwarte nacht is een mensch aangetreden,
de zwarte nachtwolken vlogen,
de zwarte loofstammen bogen,
de wind ging zwaar in zwarte rouwkleeden.

't Gezicht was zoo bleek in 't zwarte haar,
de handen wrongen, de mond borg misbaar,
de nek was zwart,
een hel was 't hart,
van daar kwam het zwarte en worgde haar.

Met de wind, met de boomen en met al de wolken
is ze gekomen,
het waren rondom haar groote volken
van zwarte nachtdroomen.

Bij een groot zwart water aan zijn zoom
heeft ze heel stil gestaan,
de lang geleden geboren boom
heeft het toen geran -

en de wind en de wolken hebben stil gestaan,
ze hadden het niet gedacht,
anders waren ze niet gegaan
en hadden haar niet hierheen gebracht,

en alle zijn ze blijven staan,
de wind en de boomeblaan
en het wolkevolk
en de zwarte golven in de kolk,

en de vaders en de voorouders
stonden omhoog
in stille wolken met hun schouders,
tot de voeten in zwarte toog,

en de kinderen die ze had willen baren,
kwamen rondom
tegen de boomen staan, ze waren
klein en stom,

en n ding dat ze in haar leven
altijd had gehad,
kwam nu heel hoog boven haar zweven
lichtend mat,

een groote vogel, een groote bloem,
een klinkende klok, haar groote roem,
haar stem waarmee ze was geboren
hing nu omhoog en liet zich hooren.

En al die kindren en die ouden
hadden het niet gedacht,
en ook niet de stem die boven de wouden
nog zong in den nacht -

die was altijd in 't leven geweest
haar eenig lam,
die blaatte nu nog als een eenzaam beest
of ze bij hem kwam,

die was het eenige vuur geweest
voor hare handen,
daar kwam ze 's avonds erg bevreesd
uit de menschelanden,

die was het droomen en lavende slaap
voor haar in 't leven geweest,
die stond nu boven, een eenzaam schaap,
een blatend beest.

Maar toch ze ging en ze sleurde mee
in een sleep,
kindren en klanken, in zwarte zee
ging alles scheep,

en 't dreef nog even, het water zwart
vonkte van diamant,
in die groote schipbreuk brak ook het hart,
alles zonk, het laatst de hand


Uit 'Verzen (1890)


'S MORGENS OP HET WITTE LAKEN

's Morgens op het witte laken
doet er een gelaat ontwaken -
dat ligt daar als een waterlelie
op een golf water, op de peluw.

's Middags loopt ze in het bosch te schijnen,
haar oogen tusschen bladen als twee kleine
vuurjuweelen, kijkend in een laan -
bladen ruischen weer dicht, ze is gegaan.

's Avonds lacht ze in een stille
kamer, zonder 't zelf te willen
wordt ze weer droomerig en lacht
minder en minder - zegt gonacht.


Uit 'Sensitieve verzen' in zijn verzamelbundel
'De School der Pozie' (1897), die voor een groot
gedeelte correspondeert met 'Verzen' (1890)


DE BOMEN WAREN STIL

De bomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.

De mannen werkten wat
rondom in de aard,
als groeven ze een schat,
maar kalm en bedaard.

Over de aarde was
waarschijnlijk alles zo,
de wereld, en 't mensgewas
ze leven nauw.

Ik liep het aan te zien
bang en tevreden,
mijn voeten als goede lin
liepen beneden.

VAN UIT EEN NIEUWE WERELD
TREEDT EEN MAN

Van uit een nieuwe wereld treedt
een man mij aan met enge kleed,
schittrend zooals ik nimmer zag,
met t hoofd zoo stralend als de dag.

Hij heeft geen enkel sieraad aan
van slaafschheid en geen enklen waan,
maar hij is zuiver als een man
naakt opgegroeid maar wezen kan.

Hij heeft den arm in zuivre vuist,
hij heeft het been tot zuivren voet,
en om het trotsch gelaat, gekuischt,
hangt stil en hoog een sterke gloed.

VAN UIT EEN NIEUWE WERELD
TREEDT EEN VROUW

Van uit een nieuwe wereld treedt
een vrouw mij toe met hangend kleed,
zoo helder als ik nimmer zag,
het oog zoo stralend als de dag.

Zij heeft geen enkel sieraad aan
van schuwheid, en geen enklen waan,
maar zij is zuiver als een glas,
alsof ze zoo geboren was.

Haar arm is in een zuivren hoek,
in schoone stralen valt haar doek,
en om haar schoon gelaat gezond
speelt 't helderst licht van keel en mond.

MAAR IS ER DAN GEEN LICHT
IN HET DONKER ?

Is er geen redding voor de massa,
de duizenden jaren onderdrukte,
is er geen redding uit den nacht ?

Ja, er zijn drie lichten die schijnen
voor de massa der onderdrukten,
drie verre sterren in den nacht.
Het zijn arbeid en strijd en liefde.

Die drie verlichten den nacht in het donker,
en tonen heel ver, heel ver, heel ver,
de wolken van damp nauw zichtbaar, nauw zichtbaar
de flauwe kust van het land der vrijheid.


Uit 'Nagelaten werken'.

De 3 vorige gedichten komen duidelijk
uit zijn socialistische periode.

separator

Herman Gorter (Wormerveer, 1864 - Sint-Joost-ten-Node, 1927)
was de zoon van Simon Gorter (toenmaals een bekende letter-
kundige). Hij studeerde klassieke talen en promoveerde
op een proefschrift over Aeschylos. Voordien had hij al
zijn ellenlange gedicht 'Mei' gepubliceerd. 'Mei' is waarschijnlijk
het belangrijkste voorbeeld van pozie van het Nederlands
impressionisme. Gorters' oeuvre kan in twee perioden worden
ingedeeld. Een sensitivistische periode en een socialistische
periode.
In zijn sensitivistische periode probeerde hij intense emoties
en zintuigelijke waarnemingen in taal vast te leggen.
In zijn politieke periode evoceerde hij zijn visioenen over
een socialistische heilstaat. Met "Pan" (1912-1916) probeerde
hij een socialistisch epos te scheppen.
Hij zette zich trouwens met veel overtuiging in voor het socialisme
en werd zelfs uit zijn cricketclub gezet, omdat men geen
'communisten' wou.
Als marxistisch theoreticus was hij zeer doctrinair. Zijn fanatisme
zorgde zelfs voor botsingen met de communistische internationale
en Lenin.
In september 1927 verbleef hij in Zwitserland met zijn vriendin
Jenne Clinge Doorenbos. Hij voltooide er zijn laatste gedichten.

P.S.  Karel Hemmerechts (vader van Kristien H.) mailde mij
de volgende informatie:
"Gorter stierf in 1927 te Brussel op een hotelkamer (hotel Albert I)
bij het Noordstation. Het hotel staat er nog. Op de terugweg uit
Zwitserland was de dichter er afgestapt, omdat hij zich niet goed
voelde. De Vlaamse romancier Maurice Roelants was in Brussel
correspondent voor De Telegraaf. Hij is het stoffelijk overschot
gaan groeten."

Gaston D'Haese


Naar boven!
Herman Gorter - Bloemlezing
van lange gedichten uit 'Verzen'

Herman Gorter - Bloemlezing
van korte gedichten uit 'Verzen'

Herman Gorter - Volledige versie
van 'Mei'

De tachtigers

Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

 © Gaston D'Haese: 01-11-2002.
Laatste wijziging: 10-09-2017.

E-mail: webmaster