Herman Gorter
Lange gedichten

Herman Gorter
Mei

Herman Gorter
Bloemlezing

Herman Gorter - Verzen 1890
Herman Gorter
Herman Gorter, omstreeks 1892. 
Foto: Willem Witsen.
(Wormerveer 1864 - Brussel 1924)

Linecol

Korte gedichten uit 'Verzen'  (1890):
1) 'GIJ zijt een stille witte blinkesneeuw' -- 2 'DE stille weg',
3) 'EEN kind dat altijd verlangt' -- 4) 'H IK wou jij was de lucht',
5) 'HAAR oogen tinkelkelken' -- 6) 'STIL zit ze',
7) 'HET was in den zwarten nacht' -- 8) 'HET regende in de stad',
9) 'IN de stilte van de stad' -- 10) 'DE straalpralende dag',
11) ''T IS alles weenen' -- 12) 'ERGENS moeten toch zijn',
13) 'IN de verte zag ik blanke wateren' -- 14) 'AL die grijze dagen',
15) 'IN den heeten nacht' -- 16) 'GEBENEDIJDE',
17) 'ER was veel goud eikegeel' -- 18) 'TWEE lampen schijnen'.




GIJ zijt een stille witte blinkesneeuw,
gij zijt een blinke zee' tintelzee.

GIJ zijt een schemerwitte leliemeid, 
gij zijt een wijde vlinderveluwheid.

GIJ zijt het opene, het witte, 't willende, 
het wachtend, straalvlammend, lichtlillende.
Naar boven => Index Linecol
DE stille weg de maannachtlichte weg - de boomen de zoo stil oudgeworden boomen - het water het zachtbespannen tevree' water. En daar achter in 't ver de neergezonken hemel met 't sterrengefemel.
Naar boven => Index Linecol
EEN kind dat altijd verlangt, zoo als een groot bloemhart hangt, open, zoo geboren in het daggloren. - HET strand was stil en bleek, ik zat doodstil en keek naar de blauwe rimpeling - er was ook windgezing. Ik wist wie naast me zat witrokkig en ze had roosrood het glad gezicht - er was ook veel zonlicht.
Naar boven => Index Linecol
H IK wou jij was de lucht dat ik je ademen kon en je zien in het hooge licht en door je gaan kon. Waar zijn je armen en je handen en die witte overschoone landen van je schouders en schijnende borst - ik heb zoo'n honger en dorst.
Naar boven => Index Linecol
HAAR oogen tinkelkelken, haar hand stil rood, haar lijf een wlle kelke uit haren schoot.
Naar boven => Index Linecol
STIL zit ze, kijkt voor zich langs hare wangen rood, haar vingers bewegen zich op hare beenen bloot. Haar lichte haar is stil, de oogen zijn niet te zien, haar borsten staan stil, niets te geschien. Onder haar kin is rood - warme schaduw, en in de lichte schoot donkerder schaduw.
Naar boven => Index Linecol
HET was in den zwarten nacht, de wolken met regenvracht rolden over de aarde, die lag in 't donker als een schip voor anker. Mijn bloed stroomde in mijn hoofd om, de zwaarte boog mijn nek krom, het was of er bloedmoer was tusschen het voetengras.
Naar boven => Index Linecol
HET regende in de stad, toen kwam er wat muziek van straatmuzikanten, die bliezen naar de kanten. Toen voelde ik den leugen van vroolijkheid in 't geheugen, die men als kind eens heeft, te dansen omdat men leeft.
Naar boven => Index Linecol
IN de stilte van de stad kwam ze, haar rok ruischte, de witte handen had ze stil, ik luisterde.
Naar boven => Index Linecol
DE straalpralende dag, de aardwijde hemeldag, lente in nooit geziene licht - het blauw moesseliene wittig schitt'rend omhoog, alleen 't zongouden noog. Binnen is kalm gepraal paarllicht, niet n zonnestraal.
Naar boven => Index Linecol
'T IS alles weenen, de storm, het huis, de grijze hemel om alles henen - voor me een vrouw, hoor hoor gesuis - ademen stil door al dat weenen. O mijn hart klopt zoo verschrikkelijk. O mijn hart klopt zoo verschrikkelijk - zacht is haar huid, adem als bloemen zacht, het lichte haar -- verlangende oogenklacht.
Naar boven => Index Linecol
ERGENS moeten toch zijn de lichte watren
        van haar oogen -
Mijn handen zijn zoo heete en drooge - en het lichte water van haar stem - mijn keel is in dorre klem. Het kan toch zoo altijd niet duren met de brandende uren - mijn stem is schor, mijn oogen dor.
Naar boven => Index Linecol
IN de verte zag ik blanke wateren, voor me was zacht klateren van eene stem die ik wel ken, en daaromheen was 't l stilte en die hoorde ik nog meer dan 't klein gebeek van woorden in haar zacht gespreek. Alles was stil behalve het stemklateren, daarachter blonken blanke wateren. Ik hoorde kleine woorden gaan in glazen stilte diaphaan.
Naar boven => Index Linecol
AL die grijze dagen met hun stijve lachen te leven en 't niet te meenen, maar anders of anders geene. En toch licht tevrede te zijn, alleen wat oogenpijn van 't fel geel lichten - o 's avonds de oogen te dichten! De dagen zijn lichtreuzen daar wandel ik laag tusschen.
Naar boven => Index Linecol
IN den heeten nacht een heet zwart grijs korenveld heeft mij heetvoetig heetoogig heethandig ontsteld, van achter drong me de windige nachtige hitte in 't dikkige looderig rooierig stof te zitten, mijn oogen bloedzwaar hingen voor het geschaarde starre nachtbeddend groenhittend aarzwaarde.
Naar boven => Index Linecol
GEBENEDIJDE - Meisje gebenedijde van 't licht, van 't ope wijde wijde. Hoe zoet de lichtwolken zich aan u spreiden, hoe stil de lichte' uw oogen in, uit, glijden, parelt uw keel in, uit, het luchtgetijde, witbladige in 't ope wijde wijde, gebenedijde, gebenedijde.
Naar boven => Index Linecol
ER was veel goud eikegeel licht gerezen en groen gegroeid, veel gesidder voor blauwgouwe witte trilling, heel even grauwe, omdat het oog zeer deed van 't zonnige stekende leed. Spiegelend was de lucht of ik overal wandelde, heet gezwollen of ik in duizend veranderde.
Naar boven => Index Linecol
TWEE lampen schijnen, de spiegel schemerblauwt, er schrijnen lichten in meubels rondom, alle dingen zijn stom. Ik hoor adem uit een vrouw komen, ik wou ik wou - ik zit zwaar en stil, 't is niets wat ik wil. Hoor de klok rikketikken, hij telt de oogenblikken.


Naar boven!

Herman Gorter - Verzen
(lange gedichten)


Herman Gorter - Bloemlezing

Herman Gorter - Mei

De tachtigers


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

  © Gaston D'Haese: 02-10-2007.
Laatste wijziging: 10-09-2017.

E-mail: webmaster